De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.3.4.2:6.3.4.2 De regeling volgens de Richtlijn
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.3.4.2
6.3.4.2 De regeling volgens de Richtlijn
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401867:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag die aan de orde is luidt of het faillissement van de verzekeraar - na het ongeval - een factor is die de toegang van de benadeelde tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats beïnvloedt. Op het eerste gezicht moet het antwoord op deze vraag ontkennend luiden. De Richtlijn maakt in art. 22 geen onderscheid naar gelang de reden waarom een schaderegelaar of diens opdrachtgevende verzekeraar niet gemotiveerd antwoordt. De tekst van de Richtlijn geeft geen handvat om te veronderstellen dat de benadeelde zich niet tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats zou kunnen wenden op de loutere grond dat de verzekeraar op enig moment in staat van insolventie is geraakt. Dat betekent dat de benadeelde in geval b) hiervoor beschreven, op grond van de Richtlijn toegang tot het schadevergoedingsorgaan heeft, dat de schade met hem zal moeten regelen. In de gevallen a) en c) heeft de benadeelde een met redenen omkleed antwoord ontvangen en zal het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats de schade niet in behandeling kunnen nemen. Ook hier speelt het faillissement geen rol.
De benadeelde in geval d) heeft weer wel toegang tot het schadevergoedingsorgaan. Ook hier speelt het faillissement als zodanig geen rol, maar is de toegang van de benadeelde tot het schadevergoedingsorgaan gebaseerd op de omstandigheid dat de aansprakelijke op het tijdstip van het ongeval onverzekerd was.
Dit regime levert wel een verschillende behandeling van bezoekende slachtoffers en 'lokale' slachtoffers op in die landen waar het waarborgfonds geen rol heeft bij de afhandeling van ongevallen waarvoor insolvente verzekeraars aansprakelijk zijn. In die landen staat de benadeelde inwoner van de lidstaat van het ongeval immers met lege handen, althans heeft hij zijn vordering bij de boedel in te dienen en heeft hij af te wachten of deze voldoende is om zijn vordering te voldoen. Het bezoekende slachtoffer heeft een aanspraak op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats indien de verzekeraar (of diens schaderegelaar) de procedure van het gemotiveerde antwoord van art. 22 van de Richtlijn niet heeft nageleefd. Dat schadevergoedingsorgaan zal de schade met hem hebben te regelen en af te wikkelen.
De vraag die vervolgens rijst, is of dit schadevergoedingsorgaan een recht van verhaal heeft op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar. Voor zover de nationale wet van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar de benadeelde een aanspraak op het waarborgfonds geeft in geval van faillissement van een Wam-verzekeraar zal dit niet op problemen stuiten. Anders is dit als de wet niet in een dergelijke aanspraak voorziet. Daar zal - als moet worden aangenomen dat de Richtlijn (en de Overeenkomst van 29 april 2002) niet voorziet in een uitzondering op het recht van verhaal in geval van insolventie van een verzekeraar - het verschil in behandeling zich wederom manifesteren.
Ik zou menen dat de Richtlijn en de Overeenkomst van 29 april 2002 inderdaad niet voorzien in een exceptie voor het geval van faillissement. Het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar zal hebben te restitueren. De verzekeringsmarkt van die lidstaat die het schadevergoedingsorgaan financiert, zal de daartoe benodigde middelen hebben op te brengen.
Bevredigend is dit verschil in behandeling vanzelfsprekend niet. Niet goed valt in te zien op grond waarvan een positieve discriminatie van bezoekende slachtoffers ten opzichte van nationale slachtoffers kan worden gerechtvaardigd. Twee oplossingen zijn denkbaar:
1) In de Richtlijn wordt een voorziening getroffen die deze positieve discriminatie ongedaan maakt. Dat zou kunnen door te bepalen dat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde de schade behandelt conform de regels die ook van toepassing zijn als de benadeelde inwoner is van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar. Hij zal dan zijn schade zelf bij de boedel hebben in te dienen.
2) De EU voorziet in een communautaire regeling die benadeelden van ongevallen waarvoor een insolvente Wam-verzekeraar aansprakelijk is een aanspraak geeft op het waarborgfonds van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar.
De tweede oplossing is de meest bevredigende maar, zoals in paragraaf 4.6.22 onder g) reeds aangetoond, ook de meest controversiële en het ligt niet voor de hand te veronderstellen dat deze snel zal worden gerealiseerd.