Bundeling van omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/1.4:1.4 Onderzoeksvragen
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/1.4
1.4 Onderzoeksvragen
Documentgegevens:
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS353799:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande doet de vraag rijzen of het bundelen van omgevingswetten niet alleen een politieke keus is, maar ook wetenschappelijke verantwoord is. Anders geformuleerd, bestaat er een wetenschappelijk gefundeerd kader of is een zodanig kader te ontwikkelen waaruit volgt in welk geval of in welke gevallen bundeling van omgevingsrecht al dan niet verantwoord is? Een vraag die daarbij aan de orde komt is voor welk probleem of welke problemen bundeling eigenlijk een oplossing zou kunnen zijn. Daarbij aansluitend kan de vraag worden gesteld aan welke criteria bundeling dan zou moeten voldoen. Is de wetgever bij bundeling van omgevingsrecht in bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, de Waterwet of de Wabo uitgegaan van een ordenende gedachte of slechts van de boekhoudkundige zekerheid dat één regeling minder is dan twee en dat elke vermindering van regels nastrevenswaardig is?
Ik noem dat om twee redenen boekhoudkundig. In de eerste plaats zijn regels van een geheel andere aard dan cijfers. In een begroting is het mogelijk en wellicht zelfs verstandig om pas uitgaven in te boeken als daartegenover ook inkomsten of bezuinigingen staan. Dat houdt de balans in evenwicht. In het recht is het niet zo maar mogelijk om de ene regel tegenover de andere te zetten. Wie dat wel doet, bezondigt zich al snel aan uitspraken als dat er pas een regel bij mag komen als er een andere regel verdwijnt. Het kan toch niet zo zijn dat bijvoorbeeld het Nederlandse equivalent van één van de Tien Geboden Gij zult niet stelen' (art. 310 Sr) moet vervallen om de invoering mogelijk te maken van de regel dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een bepaald project uit te voeren (art. 2.1 Wabo)? In de tweede plaats komt het op mij gewoonlijk merkwaardig over als wordt gezegd dat een regel verdwijnt, terwijl diezelfde regel in een andere wet weer opduikt. Een voorbeeld betreft de in de hoofdstuk 5 te bespreken integratie van de Wms in de Wet milieubeheer. Daarmee is weliswaar de Wms als zodanig vervallen, maar zijn veel artikelen uit die wet overgeheveld naar de Wet milieubeheer.
Borman lijkt dezelfde mening toegedaan. Hij noemt het terugdringen van het aantal regelingen door die te bundelen een schijnargument, omdat het voor de regeldruk niet uitmaakt over hoeveel regelingen de regels verspreid staan. Hij zoekt de verklaring in de Haagse werkelijkheid van de tucht van de regelgevingsmonitor. Het is voor een minister niet plezierig om in de hoogste regionen te prijken van ministeries met de meeste wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen.1 Hij noemt de Wet natuurbescherming een
goed voorbeeld. "Als het alleen maar betekent dat drie wetten in drie hoofdstukken zijn weergegeven, dan is het eigenlijk slechts een cosmetische operatie. Maar toch zie je dat dat door de politiek wel als winst wordt gezien."2Roording meent echter dat eenvoudig in elkaar schuiven al kan leiden "tot een zekere stroomlijning. De operatie kan ertoe leiden dat je nog eens goed nadenkt over het systeem en dat je inconsistenties, die dan vanzelf aan het licht treden, wegneemt."3Voermans/Moll/Florijn & Van Lochem merken op dat The sheer volume of legislation has become a political item in itself.' Maar this has not always been the case', aldus deze auteurs.4
En zijn de mogelijke met bundeling beoogde resultaten in bepaalde gevallen wellicht ook of beter op een andere wijze te realiseren?
De centrale vraag in dit onderzoek is dan ook of bij de voornemens tot ordening van het omgevingsrecht door middel van bundeling sprake is van een louter politieke keuze, dan wel (ook) kan worden voldaan aan eisen die door middel van wetenschappelijk op te stellen criteria aan ordening van omgevingsrecht kunnen worden gesteld.
Om deze centrale vraag te beantwoorden is een antwoord gezocht op de volgende drie deelvragen:
Is er wetenschappelijk een toetsingskader (te ontwikkelen) waaruit volgt in welk geval of in welke gevallen bundeling van omgevingsrecht verantwoord is?
Hoe verhouden zich de bundeling door herschikking die in 2010 heeft geleid tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de bundeling die in 2008 heeft geleid tot integratie van de Wet milieugevaarlijke stoffen in de Wet milieubeheer, de in 2010 voorgestelde bundeling door herschikking die moet leiden tot een Wet natuurbescherming en de contouren van de bundeling door herschikking die moet leiden tot een Omgevingswet tot dat (te ontwikkelen) toetsingskader?
De keus voor deze vier bundelingsprojecten is als volgt tot stand gekomen. Ik heb in de eerste plaats gezocht naar gerealiseerde, actuele bundelingsprojecten in het omgevingsrecht. Het lijkt mij gerechtvaardigd te veronderstellen dat de kans groter is dat het resultaat van die projecten nog niet onderhevig is geweest aan wetswijzigingen die het antwoord op de toetsvragen zouden kunnen beïnvloeden. In de tweede plaats heb ik gekozen voor een project dat bundeling door herschikking (Wabo) en een project dat bundeling door integratie (Wms in Wet milieubeheer) betreft. Vervolgens heb ik onderzocht of het toetsingskader ook bruikbaar zou zijn voor toekomstige voornemens tot bundeling door herschikking (Wet natuurbescherming en Omgevingswet). Mij zijn geen voorbeelden bekend van bruikbare voornemens tot bundeling door integratie van omgevingsrecht.
Zijn er ten aanzien van de in deelvraag 2 genoemde bundelingsprojecten voorstellen te doen om de ordening van het omgevingsrecht beter te laten aansluiten bij de (te ontwikkelen) wetenschappelijke criteria voor bundeling van omgevingsrecht?