Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.2.3
6.2.3 Oneigenlijke soortzaken
Datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- JCDI
JCDI:ADS625824:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Beide termen zijn mijns inziens onlosmakelijk met elkaar verbonden, zodat evengoed het omgekeerde kan ook worden gesteld, namelijk dat alle zaken die oneigenlijke kunnen vermengen, oneigenlijke soortzaken zijn.
Zie HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 (Teixeira de Mattos).
Over de beperkte waarde hiervan zie Fesevur 2003, p. 507. Smelt (2003, p. 348) merkt terecht op dat oneigenlijke vermenging alleen in geval van faillissement van de houder een probleem is, omdat in andere gevallen de verbintenisrechtelijke vordering voldoende is.
Zie Parl. Gesch. Boek 5, p. 108: 'Kan de eiser niet aantonen welke van de zaken die zich in handen van de gedaagde bevinden zijn eigendom zijn, dan zal zijn vordering moeten worden afgewezen en de bouder derhalve als eigenaar worden aangemerke en 'Met Van der Grinten, AA 1968 p.144, meent ondergetekende dat dit een redelijke oplossing is. Zij strookt ook met de rechtszekerheid die naar de mening van ondergetekende bij overeenkomstige toepassing van artikel 5.2.10 [5:15 BW, JBS] in verschillende opzichten in het gedrang zou komen.' Instemmend verder Fesevur 2003, p. 505 en 507: 'Naar toen geldend recht was het een joist arrest en ook thans staat het nog steeds als een huis.'
Zie met betrekking tot de genoemde onbillijkheid van het resultaat onder anderen Fikkers 1999, p. 59-60; Wichers 2002, p. 152, noot 29 en Smelt 2003, noot 2, beide laatsten met verdere literatuurverwijzingen.
Voor effecten is dit probleem in 1977 opgelost door de invoering van de Wet giraal effectenverkeer.
Zie ook Fesevur 2003, p. 506, die terecht constateert dat het aanbrengen van merktekens eigenlijk noodzakelijk is, omdat het alleen aannemen van een verplichting tot afgescheiden bewaren geen goederenrechtelijke garanties biedt in het geval in de nakoming hiervan tekort wordt geschoten. Vgl. Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1239, waar het verplicht merken van geleverde waren voor het behoud van een bedongen eigendomsvoorbehoud onwenselijk wordt geacht in verband met de daaraan verbonden kosten.
201.
Van soortzaken zijn in de inleiding van deze paragraaf onderscheiden de individueel bepaalde zaken, die in grotere hoeveelheden voorkomen en waarvan het onder omstandigheden moeilijk kan zijn aan te tonen welk exemplaar aan iemand toebehoort. Wanneer ik mijn ongeopende, warme flesje Spa blauw naast de vier flesjes water van hetzelfde merk zet in het koelvak bij de restauratieve dienst, ontstaat een probleem als ik twee uur later mijn dan aangenaam gekoelde flesje op wil eisen. Feitelijk zijn de betrokken zaken niet veranderd. In de koeling staan vijf identieke flesjes water als zelfstandige goederen in het rechtsverkeer, waarvan er één van mij was. Het probleem is dat ik niet kan aantonen welk flesje dat is en voor het behoud van mijn goederenrechtelijke aanspraak is dit wel noodzakelijk. Deze problematiek waarbij zaken hun identiteit behouden, maar niet meer individualiseerbaar zijn, wordt aangeduid met de term oneigenlijke vermenging. Zij is van groot praktisch belang bij het behoud van eigendom en kan bij zaaksvervanging tot problemen leiden. Zij kan zich voordoen bij alle oneigenlijke soortzaken.1
In het klassieke arrest Teixeira de Mattos beantwoordt de Hoge Raad de vraag wat de gevolgen zijn van het niet meer kunnen onderscheiden van een individueel bepaalde zaak van vergelijkbare zaken.2 Mulder en Peijnenburg kwamen erachter dat het individualiseringsprincipe bikkelhard is. Zij konden niet bewijzen dat de vier certificaten Nillmij, die de curator in de kluis van de failliete Teixeira had aangetroffen, de certificaten waren die zij in het verleden in bewaring hadden gegeven. De certificaten waren weliswaar voorzien van een uniek nummer, maar deze nummers waren niet geregistreerd en in de periode tussen het in bewaring geven en het opeisen van de certificaten waren er diverse malen andere certificaten Nillmij in dezelfde kluis gelegd en hier weer uitgehaald. Wanneer niet is te bewijzen op welke zaken een (eigendoms)recht betrekking heeft, verliest de gerechtigde zijn rechten ten gunste van degene die op dat moment de feitelijke heerschappij over de zaak heeft en die niet ontkent deze macht voor zichzelf uit te oefenen. Mulder en Peijnenburg waren aangewezen op het indienen van een persoonlijke, concurrente vordering tot levering van vier certificaten Nillmij.3
De regel dat eigendom verloren gaat op het moment dat zaken niet meer individualiseerbaar zijn ten opzichte van andere, zelfstandige maar vergelijkbare zaken geldt ook na 1992 onverkort,4 ondanks de door sommigen als onbillijk getypeerde gevolgen.5 De consequenties voor het behoud van aanspraken die door middel van zaaksvervanging zijn verkregen, zijn evident. Zodra een zaak waarop een vervangend recht rust, feitelijk bijeenraakt met vergelijkbare zaken en het hierdoor niet meer is te achterhalen op welke zaak de betreffende rechten zagen, houden zij op te bestaan.6 Het door Smelt verdedigde alternatief van gemeenschappelijk eigendom voor de oorspronkelijke eigen aren zou dit probleem oplossen, mits men hier de eerder beschreven ruimere werking van art. 5:14 lid 2 BW aan toevoegt. In dat geval is het door hem beschreven resultaat dat door zaaksvervanging ook na de (oneigenlijke) vermenging een zekerheidsrecht op een van de bijeengeraakte zaken te gelde kan worden gemaakt op een aandeel in de gemeenschap, mogelijk.7
Onder de heersende leer is de enige remedie het afgezonderd of op andere wijze herkenbaar houden van de surrogaten vanaf het moment dat deze worden verkregen.8 Tegen eenmaal opgetreden oneigenlijke vermenging is geen kruid gewassen. Het resultaat is met betrekking tot de beperkte rechten definitief, evenals de hiervoor besproken eigenlijke vermenging. Wanneer op een later tijdstip weer een aantal zaken wordt afgezonderd, geldt in beginsel dat hierop de rechten die voorheen teniet zijn gegaan slechts door hernieuwde vestiging opnieuw kunnen komen te rusten. Deze vestiging kan echter wel eenvoudig worden geconstrueerd, als aangenomen wordt dat de bepalingen van zaaksvervanging hiervoor de rechtsgrond bieden. Het afzonderen kan dan worden gezien als een leverings- en vestigingshandeling (art. 3:90 jo art. 3:115 BW, voor vestiging jo art. 3:98 jo art. 3:81 lid 1, tweede volzin BW), waardoor een nieuw beperkt recht ontstaat, mits aan de vereiste beschikkingsbevoegdheid is voldaan.