Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1974.
HR, 13-10-2023, nr. 22/03451
ECLI:NL:HR:2023:1428
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-10-2023
- Zaaknummer
22/03451
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1428, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑10‑2023; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:389, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:1974, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2023:389, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1428, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑09‑2022
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2023-0223
PFR-Updates.nl 2023-0103
Uitspraak 13‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Internationaal privaatrecht. Conflictenrecht. Art. 1:204 lid 3 BW. Hof bekrachtigt beschikking van rechtbank tot verlening vervangende toestemming van moeder tot erkenning van kind door man. Mocht hof o.g.v. art. 10:6 BW voorbijgaan aan toepasselijkheid ingevolge art. 10:95 lid 3 BW van Pools recht op vraag of vervangende toestemming door rechter mogelijk was? Aanpassing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/03451
Datum 13 oktober 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
1. [de man],
wonende te [woonplaats],
hierna: de man,
advocaat: H.J.W. Alt,
2. mr. S. ROZEMEIJER, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator,
kantoorhoudende te Velserbroek,
hierna: de bijzondere curator,
niet verschenen,
VERWEERDERS in cassatie.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/15/298879 / FA RK 20-436 van de rechtbank Noord-Holland van 7 februari 2020, 8 april 2020 en 28 oktober 2020;
b. de beschikkingen in de zaak 200.289.130/01 van het gerechtshof Amsterdam van 12 juli 2021, 23 november 2021 en 5 juli 2022.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof van 5 juli 2022 beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De bijzondere curator heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vrouw en de man hebben een relatie gehad tot begin 2019.
(ii) De vrouw heeft de Poolse nationaliteit en de man de Nederlandse nationaliteit.
(iii) Uit de vrouw is op [geboortedatum] 2019 een kind geboren. Het kind heeft de Poolse nationaliteit.
(iv) De vrouw oefent alleen het gezag uit over het kind, dat bij haar woont.
(v) De vrouw, de man en het kind wonen in Nederland.
2.2
De man verzoekt, voor zover in cassatie van belang, om het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van het kind als bedoeld in art. 1:204 lid 3 BW.
2.3
De rechtbank heeft een DNA-onderzoek gelast en op grond van de uitkomst daarvan bewezen geacht dat de man de biologische vader is van het kind. Vervolgens heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend tot erkenning van het kind.
2.4
Het hof1.heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het, samengevat, als volgt overwogen.
Tussen partijen is niet in geschil dat Pools recht van toepassing is op de (vervangende) toestemming van de vrouw voor erkenning. (rov. 2.1)
Het hof concludeert op grond van informatie van het Internationaal Juridisch Instituut en uitleg van het Poolse Constitutionele Hof dat naar Pools recht de ‘Bestätigung’ door de moeder van de verklaring van de vader van zijn vaderschap niet via een juridische procedure ter discussie kan worden gesteld. (rov. 2.2-2.4)
Dat betekent echter niet dat een vermoedelijke vader geen mogelijkheid zou hebben op andere wijze zijn wens tot het vestigen van een afstammingsrelatie via een gerechtelijke procedure te laten beoordelen. Naar Pools recht is dat mogelijk via een verzoek vaststelling vaderschap. Op een dergelijk verzoek zou de Nederlandse rechter Nederlands recht toepassen. Bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de vrouw dient op grond van art. 10:97 lid 1 jo lid 3 BW te worden aangeknoopt bij de gewone verblijfplaats van de man en de vrouw. Art. 1:204 BW [bedoeld zal zijn art. 1:207 BW, HR] kent echter aan de vader geen ingang toe om zijn vaderschap gerechtelijk vast te laten stellen (alleen het kind en zijn of haar moeder kunnen een dergelijk verzoek indienen). (rov. 2.5)
Het kan niet zo zijn dat vanwege het niet op elkaar aansluiten van de verschillende rechtsstelsels en de toepasselijke verwijzingsregels, uiteindelijk geen juridische toetsing zou kunnen plaatsvinden waarin de belangen van de moeder, het kind en de vermoedelijke vader afgewogen worden. Niet alleen art. 8 EVRM is hierbij in het geding, maar ook de constatering dat zowel naar Pools recht als naar Nederlands recht een geschil over de afstamming van een kind in een juridische procedure getoetst kan worden. De verwijzingsregels leiden tot een resultaat waarin de vader geen rechtsingang zou hebben en waardoor de belangen van het kind, de moeder en de vader niet zouden kunnen worden onderzocht en worden afgewogen. Dit is in strijd met art. 8 EVRM dat, vanuit het perspectief van de biologische vader, ‘family life’ raakt of in elk geval het recht op bescherming van zijn ‘private life’. Gezien deze inbreuk is het gevolg van strikte toepassing van het Poolse recht in strijd met de Nederlandse openbare orde. Het hof zal daarom op grond van art. 10:6 BW het desbetreffende deel van het toepasselijke Poolse recht buiten toepassing laten en het verzoek beoordelen naar Nederlands recht. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat zowel de man, de vrouw als het kind in Nederland wonen en deze zaak dus een nauwe betrokkenheid heeft bij de Nederlandse rechtsorde. (rov. 2.6)
Nu het Nederlandse recht geen mogelijkheid kent voor de vader om zijn vaderschap te laten vaststellen en een mogelijke juridische beslissing daarmee wellicht niet uitvoerbaar zal zijn voor de ambtenaar van de desbetreffende registers, zal het hof aansluiten bij het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van zijn vaderschap. (rov. 2.7)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het gevolg van toepassing van het Poolse recht in strijd is met de Nederlandse openbare orde en dat het hof daarom op grond van art. 10:6 BW het desbetreffende deel van het toepasselijke Poolse recht buiten toepassing zal laten en het verzoek zal beoordelen naar Nederlands recht.
3.2.1
In deze zaak heeft de man verzocht om op de voet van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van het kind. Op de toestemming van de moeder is op grond van art. 10:95 lid 3, eerste zin, BW het recht van toepassing van de staat waarvan de moeder, onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit bezit, te weten het Poolse recht. Op grond van art. 10:95 lid 3, vijfde zin, BW bepaalt het op de toestemming toepasselijke recht tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. Het hof heeft vastgesteld dat vervanging van toestemming van de moeder door een rechterlijke beslissing naar het Poolse recht niet mogelijk is.
3.2.2
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de man zijn wens tot het vestigen van een afstammingsrelatie naar Pools recht wel kan laten beoordelen door de rechter in een procedure tot vaststelling vaderschap, maar dat de Nederlandse rechter op een dergelijk verzoek op grond van art. 10:97 lid 1 en 3 BW niet het Poolse recht maar het Nederlandse recht dient toe te passen en dat naar Nederlands recht de vader niet behoort tot degenen die een verzoek tot vaststelling vaderschap kunnen doen.
3.2.3
Het oordeel van het hof dat niet kan worden aanvaard dat vanwege het niet op elkaar aansluiten van de verschillende rechtsstelsels en de toepasselijke verwijzingsregels, er uiteindelijk geen juridische toetsing kan plaatsvinden waarin de belangen van de moeder, het kind en de vermoedelijke vader afgewogen worden, is juist. Het hof kon, uitgaande van dat oordeel, beslissen om ter beoordeling van de vraag of rechterlijke vervangende toestemming voor erkenning mogelijk is, niet het door art. 10:95 lid 3 BW aangewezen Poolse recht toe te passen maar het Nederlandse recht (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6).
De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 13 oktober 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑10‑2023
Conclusie 31‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht. Personen- en familierecht. Erkenning minderjarig kind door Nederlandse vader (art. 10:95 lid 1 BW); Pools recht toepasselijk op toestemming Poolse moeder (art. 10:95 lid 3 BW); geen mogelijkheid tot vervangende rechterlijke toestemming naar Pools recht; strijd met openbare orde (art. 10:6 BW)?; strijd met art. 8 EVRM; kortsluiting tussen rechtsstelsels; IPR leerstuk van aanpassing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03451
Zitting 31 maart 2023
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
tegen
[de man]
(hierna: de man)
en als belanghebbenden:
1. mr. S. Rozemeijer, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator
2. de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem
In deze zaak heeft een Nederlandse man de Nederlandse rechter verzocht om vervangende toestemming tot de erkenning van een kind dat hij heeft verwekt bij een Poolse vrouw. Naar Nederlands internationaal privaatrecht is krachtens art. 10:95 lid 3 BW op de toestemming van de vrouw het Poolse recht van toepassing en bepaalt dit recht of de toestemming kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. Het Poolse recht kent echter de vervangende toestemming door de rechter niet. Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van strijd met art. 8 EVRM en Nederlands recht toegepast, omdat het Poolse recht op grond van de exceptie van de openbare orde van art. 10:6 BW buiten toepassing moet worden gelaten. Daartegen is het cassatieberoep gericht.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan, kort samengevat, van het volgende worden uitgegaan.1.De man en de vrouw hebben een relatie gehad tot begin 2019. De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Poolse nationaliteit. Uit de vrouw is op [geboortedatum] 2019 geboren [het kind] (hierna: het kind). Het kind heeft de Poolse nationaliteit. De vrouw oefent alleen het gezag uit over het kind. Het kind woont bij de vrouw. De man, de vrouw en het kind wonen in Nederland.
1.2
De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Noord-Holland op 23 januari 2020, verzocht tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van het kind als bedoeld in art. 1:204 lid 3 BW. De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek af te wijzen.
1.3
Bij ambtshalve beschikking van de rechtbank van 7 februari 2020 is mr. S. Rozemeijer benoemd tot bijzondere curator voor het kind. Bij de stukken bevindt zich een advies van de bijzondere curator van 28 februari 2020 waarin hij concludeert tot toewijzing van het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning van het kind.
1.4
Bij beschikking van 8 april 2020 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek (uit te voeren door Verilabs Laboratorium voor Verwantschapsonderzoek) gelast ter beantwoording van de vraag of de man de biologische vader is van het kind.
1.5
Uit het rapport van Verilabs van 7 september 2020 is gebleken dat het waarschijnlijke ouderschap van de man voor 99,9999999468% is komen vast te staan.
1.6
Bij beschikking van 28 oktober 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de man toegewezen en hem vervangende toestemming verleend tot erkenning van het kind. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat art. 73 van het Poolse Familie- en Voogdijwetboek een bevestiging (‘Bestätigung’) van de moeder vereist dat de erkenner de biologische vader van het kind is en dat het Poolse recht niet de mogelijkheid tot vervangende toestemming tot erkenning kent. Volgens de rechtbank is met het DNA-onderzoek vast komen te staan dat de man de verwekker van het kind is (rov. 2.3). Uit een bericht van de advocaat van de vrouw leidt de rechtbank af dat de vrouw weliswaar bezwaar heeft tegen het verzoek van de man, maar dat zij, gelet op haar verzoek tot nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, na de uitkomst van de DNA-test impliciet bevestigt dat de man de verwekker van het kind is (rov. 2.4).
1.7
De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam en heeft verzocht het verzoek van de man met betrekking tot de vervangende toestemming tot erkenning af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.
1.8
Bij tussenbeschikking van 12 oktober 2021 heeft het hof overwogen dat niet in geschil is dat de vrouw op grond van het Poolse recht (art. 73 Poolse Familie- en Voogdijwetboek) dient te ‘bestätigen’ dat de man de vader van het kind is alvorens de man het kind kan erkennen. Voor het hof is onvoldoende duidelijk wat die ‘Bestätigung’ dient in te houden, terwijl evenmin is komen vast te staan dat het Poolse recht inderdaad, zoals de vrouw heeft gesteld, geen vervangende toestemming kent en wat het gevolg is indien de vrouw weigert de ‘Bestätigung’ te geven (rov. 5.6). Om daarover meer duidelijkheid te krijgen heeft het hof het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) vragen gesteld over het Poolse recht.
1.9
Bij beschikking van 5 juli 2022 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof overwogen dat uit het rapport van het IJI van 10 maart 2022 blijkt dat naar Pools recht de moeder de verklaring van vaderschapserkenning dient te bevestigen. Wanneer de moeder deze verklaring niet bevestigt, lijkt er geen mogelijkheid te zijn tot vervangende bevestiging door de rechter en blijft alleen de weg van gerechtelijke vaststelling tot vaderschap open. Het IJI vermoedt dat niet gemakkelijk van een (impliciete) bevestiging mag worden uitgegaan op grond van het DNA-resultaat, welk resultaat niet door de moeder wordt betwist (rov. 2.2). Het hof komt tot de conclusie dat naar Pools recht de ‘Bestätigung’ door de moeder van de verklaring van de vader van zijn vaderschap niet via een juridische procedure ter discussie kan worden gesteld (rov. 2.4). Vervolgens heeft het hof in rov. 2.5-2.7 het volgende overwogen:
‘2.5 Dat betekent echter niet dat een vermoedelijke vader geen mogelijkheid zou hebben op andere wijze zijn wens tot het vestigen van een afstammingsrelatie via een gerechtelijke procedure te laten beoordelen. Naar Pools recht is dat mogelijk via een verzoek vaststelling vaderschap, artikel 84 van het Poolse Familie- en Voogdijwetboek.
Het Poolse recht opent weliswaar een andere juridische weg in de vorm van een procedure tot vaststelling vaderschap, maar op een dergelijk verzoek zou de Nederlandse rechter Nederlands recht toepassen. De vrouw en de man hebben immers respectievelijk de Poolse en de Nederlandse nationaliteit en bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit dient op grond van artikel 10:97 lid [1, A-G] jo lid 3 BW te worden aangeknoopt bij de gewone verblijfplaats van de man en de vrouw. Het Nederlands recht zou dan van toepassing zijn. Artikel 1:204 BW [lees: art. 1:207 BW, A-G] kent echter aan de vader geen ingang toe om zijn vaderschap gerechtelijk vast te laten stellen (alleen het kind en zijn of haar moeder kunnen een dergelijk verzoek indienen).
2.6
Naar het oordeel van het hof kan het niet zo zijn dat vanwege het niet op elkaar aansluiten van de verschillende rechtsstelsels en de toepasselijke verwijzingsregels, er uiteindelijk geen juridische toetsing zou kunnen plaatsvinden waarin de belangen van de moeder, het kind en de vermoedelijke vader afgewogen worden. Niet alleen artikel 8 EVRM is hierbij in het geding, maar ook de constatering dat zowel naar Pools recht als naar Nederlands recht een geschil over de afstamming van een kind in een juridische procedure getoetst kan worden. De verwijzingsregels leiden tot een resultaat waarin de vader geen rechtsingang zou hebben en waardoor de belangen van het kind, de moeder en de vader niet zouden kunnen worden onderzocht en worden afgewogen. Dit is in strijd met artikel 8 EVRM dat, vanuit het perspectief van de biologische vader, ‘family life’ raakt of in elk geval het recht op bescherming van zijn ‘private life’. Het hof is gezien deze inbreuk van oordeel dat het gevolg van strikte toepassing van het Poolse recht in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Het hof zal daarom op grond van artikel 10:6 BW het betreffende deel van het toepasselijke Poolse recht buiten toepassing laten en het verzoek beoordelen naar Nederlands recht.
Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat zowel de man, de vrouw als het kind in Nederland wonen en deze zaak dus een nauwe betrokkenheid heeft bij de Nederlandse rechtsorde.
2.7
Nu het Nederlandse recht geen mogelijkheid kent voor de vader om zijn vaderschap te laten vaststellen en een mogelijke juridische beslissing daarmee wellicht niet uitvoerbaar zal zijn voor de ambtenaar van de betreffende registers, zal het hof aansluiten bij het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van zijn vaderschap. (…).’
1.10
De vrouw heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof. De man heeft verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Onderdeel 1 valt uiteen in vier subonderdelen (1A t/m 1D) en is gericht tegen rov. 2.6 en 2.7 van de bestreden beschikking. Onderdeel 1A betoogt dat het hof art. 10:95 lid 3 BW heeft miskend en het Poolse recht niet buiten toepassing kon verklaren wegens strijd met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Volgens onderdeel 1B is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 10:6 BW niet van toepassing is. Het onderdeel betoogt dat het probleem is gelegen in de Nederlandse verwijzingsregels en de Nederlandse procedure inzake gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Op grond van art. 10:97 lid 3 BW zou op de gerechtelijke vaststelling van vaderschap het Nederlandse recht van toepassing zijn, terwijl art. 1:207 BW2.aan de vader geen rechtsingang toekent om vaderschap gerechtelijk te laten vaststellen. Onderdeel 1C klaagt dat het hof art. 10:6 BW onvoldoende terughoudend heeft toegepast en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de toepassing van Pools recht in strijd is met de openbare orde. Onderdeel 1D bouwt op het voorgaande subonderdeel voort met het betoog dat het hof Pools recht had moeten toepassen en de Nederlandse verwijzingsregels had moeten negeren dan wel de Nederlandse procedure voor gerechtelijke vaststelling van vaderschap had moeten volgen, omdat die procedure het meest in lijn is met het Poolse recht.
2.2
De klachten van het onderdeel kunnen gezamenlijk worden besproken. Zoals het hof in rov. 2.6 terecht heeft overwogen, sluiten in deze zaak de verschillende rechtsstelsels en de toepasselijke verwijzingsregels niet op elkaar aan, waardoor geen juridische toetsing kan plaatsvinden waarin de belangen van de moeder, het kind en de vermoedelijke vader kunnen worden onderzocht en afgewogen. In het Nederlandse internationaal privaatrecht is de erkenning van vaderschap geregeld in art. 10:95 BW, dat als volgt luidt:
1. Of erkenning door een persoon familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wordt, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit de persoon, genoemd in de eerste volzin, de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Is zij ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Bezit het kind de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Is zij ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de persoon, genoemd in de eerste volzin.
2. De akte van erkenning en de latere vermelding van de erkenning vermelden het recht dat ingevolge lid 1 is toegepast.
3. Ongeacht het ingevolge lid 1 toepasselijke recht, is op de toestemming van de moeder, onderscheidenlijk het kind, tot de erkenning toepasselijk het recht van de staat waarvan de moeder, onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit bezit. Bezit de moeder, onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit van meer dan een staat, dan is toepasselijk het nationale recht volgens hetwelk toestemming is vereist. Bezit de moeder, onderscheidenlijk het kind, de Nederlandse nationaliteit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, zulks ongeacht of de moeder, onderscheidenlijk het kind naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit. Indien het toepasselijke recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de moeder, onderscheidenlijk het kind. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.
4. Voor de toepassing van de voorgaande leden is bepalend het tijdstip van de erkenning en de toestemming.
2.3
De verwijzingsregel voor de gerechtelijke vaststelling van ouderschap is opgenomen in art. 10:97 BW, dat als volgt luidt:
1. Of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
2. Wanneer de persoon, genoemd in lid 1, en de moeder een nationaliteit gemeenschappelijk hebben, geldt voor de toepassing van lid 1 als hun gemeenschappelijke nationale recht het recht van die nationaliteit, ongeacht of zij beiden of een hunner nog een andere nationaliteit bezitten. Bezitten zij meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten.
3. Voor de toepassing van lid 1 is bepalend het tijdstip van de indiening van het verzoek. Is de persoon, genoemd in lid 1, of de moeder op dat tijdstip overleden, dan is, bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit op het tijdstip van zijn overlijden, toepasselijk het recht van de staat waar die persoon en de moeder op dat tijdstip elk hun gewone verblijfplaats hadden of, indien ook dat ontbreekt, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip van de indiening van het verzoek.
2.4
In het Nederlandse materiële recht is de gerechtelijke vaststelling van ouderschap geregeld in art. 1:207 BW, waarin – kort gezegd – is bepaald dat het ouderschap van een persoon door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van de moeder (tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt) of van het kind. Een persoon die stelt de verwekker van het kind te zijn of de levensgezel van de moeder die stelt ingestemd te hebben met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, heeft naar Nederlands recht niet de mogelijkheid gerechtelijke vaststelling van ouderschap te verzoeken.
2.5
In de zaak die in cassatie aan de orde is, is niet in geschil dat op grond van art. 10:95 lid 1 BW op het verzoek van de man tot erkenning Nederlands recht van toepassing is, omdat dit het recht is van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit. Evenmin is in geschil dat op grond van art. 10:95 lid 3 BW op de toestemming van de vrouw (de moeder van het kind), het Poolse recht van toepassing is als het recht van de staat waarvan zij de nationaliteit bezit. Volgens de slotzin van art. 10:95 lid 3 BW bepaalt het op de toestemming toepasselijke recht tevens of bij gebreke van toestemming, die toestemming kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. Uit de in cassatie bestreden beschikking blijkt dat het Poolse recht niet de mogelijkheid kent de toestemming van de moeder te vervangen door toestemming van de rechter, maar dat het vaderschap in een gerechtelijke procedure kan worden vastgesteld. Naar Nederlands internationaal privaatrecht is op de gerechtelijke vaststelling van vaderschap op grond van art. 10:97 lid 1 BW in dit geval Nederlands recht van toepassing als het recht van de staat van de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de man en de vrouw. De man kan echter in Nederland geen gerechtelijke vaststelling van ouderschap verzoeken, omdat art. 1:207 BW hem die mogelijkheid niet biedt. Zo zit de man dus klem tussen aan de ene kant het Poolse recht dat op de toestemming van de vrouw van toepassing is en dat geen vervangende rechterlijke toestemming kent, en het Nederlandse recht dat hem niet de mogelijkheid geeft in Nederland gerechtelijke vaststelling van vaderschap te verzoeken.
2.6
In deze zaak ontstaat door de toepassing van de verschillende conflictregels en het krachtens die regels toepasselijke Poolse en Nederlandse recht een resultaat dat haaks staat op de bedoeling van zowel het Poolse als het Nederlandse recht. Beide rechtsstelsels zorgen immers in een zuiver intern geval voor een rechtsingang waarin de belangen van de moeder, het kind en de vermoedelijke vader worden afgewogen, maar door de internationaliteit van het geval en de werking van de (Nederlandse) conflictregels wordt een tegenovergesteld resultaat bereikt.3.Een dergelijk probleem kan in het internationaal privaatrecht worden opgelost door middel van het (ongeschreven) leerstuk van de aanpassing.4.De aanpassing kan erin bestaan dat op de beide samenhangende rechtsverhoudingen, te weten op de erkenning zoals bedoeld in art. 10:95 lid 1 BW en op de vervangende toestemming zoals bedoeld in art. 10:95 lid 3 BW, één en dezelfde conflictregel wordt toegepast waarmee een resultaat wordt bereikt dat overeenstemt met de bedoeling van de betrokken rechtsstelsels. In dit geval heeft het hof Nederlands recht toegepast op de vervangende toestemming van de moeder tot erkenning. Toepassing van Nederlands recht valt bovendien te rechtvaardigen, omdat zowel de man als de vrouw met het kind hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en, zoals het hof in rov. 2.6 heeft overwogen, de zaak een nauwe betrokkenheid heeft bij de Nederlandse rechtsorde.
2.7
Het hof heeft Nederlands recht toegepast op grond van de exceptie van de openbare orde van art. 10:6 BW, waarin is bepaald dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. De openbare orde wordt ingezet, wanneer het resultaat van de toepassing van buitenlands recht in strijd is met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde.5.Het hof heeft overwogen dat de Nederlandse conflictregels leiden tot een resultaat waardoor de man geen rechtsingang heeft en de belangen van de moeder, het kind en de man niet zouden kunnen worden onderzocht en worden afgewogen. Het hof heeft – onbestreden in cassatie – geoordeeld dat dit resultaat in strijd is met art. 8 EVRM, omdat inbreuk wordt gemaakt op het recht van de biologische vader op respect voor zijn ‘family life’ dan wel zijn ‘private life’. Zie ik het goed, dan is de openbare orde door het hof ingezet tegen de toepassing van Pools recht op de toestemming van de moeder en is vervolgens op deze kwestie Nederlands recht toegepast.6.Aan het middel kan worden toegegeven dat de inzet van de openbare orde in deze zaak niet echt strookt met de terughoudendheid waarmee deze exceptie moet worden toegepast.7.Op zichzelf beschouwd is het Poolse recht niet in strijd met de Nederlandse fundamentele waarden en rechtsbeginselen. Het middel gaat er echter aan voorbij dat de uitkomst van de toepassing van de Nederlandse verwijzingsregels leidt tot strijd met art. 8 EVRM, zoals het hof ook heeft overwogen, en daarom niet kan worden aanvaard.
2.8
Uit het voorgaande volgt dat het hof naar mijn mening terecht Nederlands recht heeft toegepast op de vervangende toestemming als bedoeld in de slotzin van art. 10:95 lid 3 BW. De klachten van onderdeel 1 falen dan ook bij gebrek aan belang en behoeven geen verdere bespreking.
2.9
Onderdeel 2 klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door buiten de rechtsstrijd te treden. Het onderdeel betoogt dat in hoger beroep de toepassing van het Poolse recht niet in geschil was, maar alleen de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan het Poolse recht. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat Pools recht van toepassing is en partijen daartegen niet hebben gegriefd, was het hof gebonden aan het oordeel van de rechtbank. Dit is alleen anders indien regels van openbare orde zijn geschonden, maar conflictregels zijn processueel niet van openbare orde, aldus het onderdeel.
2.10
Het onderdeel bouwt voort op het voorgaande onderdeel en deelt het lot daarvan.
2.11
Onderdeel 3 betreft eveneens een voortbouwende klacht en mist zelfstandige betekenis. De klacht behoeft geen behandeling.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑03‑2023
Zie de tussenbeschikkingen van het hof Amsterdam van 12 oktober 2021, rov. 2 en 3, en van 23 november 2021, rov. 1, en de bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 5 juli 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1974, rov. 1.
Het onderdeel vermeldt, evenals rov. 2.5 van de bestreden beschikking, abusievelijk art. 1:204 BW, terwijl art. 1:207 BW is bedoeld.
Zie reeds over dit probleem onder de voorganger van art. 10:95 BW, art. 4 Wet conflictenrecht afstamming (oud): K.J. Saarloos, European private international law on legal parentage, diss. Maastricht 2010, p. 140. Zie ook A.E. Oderkerk, Vereenvoudig artikel 10:95 lid 3 BW, FJR 2022/67 (Oderkerk was overigens één van de raadsheren die de bestreden beschikking heeft gewezen).
Zie over aanpassing: L. Strikwerda & S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019, nr. 119-123; Th.M. de Boer/L. Strikwerda, in: F. Ibili (red.), Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P nr. PFR3) 2022/4.5; Asser/Vonken 10-I 2018/417-420; P. Vlas, IPR en BW (Mon. BW nr. A27) 2015/26.
Zie o.a. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, RvdW 2021/1126, rov. 3.2.
Rb. Gelderland 27 juli 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:4060, heeft in een vergelijkbare zaak – in navolging van het hof Amsterdam in de bestreden beschikking – eveneens de openbare orde ingezet.
Zie ook Asser/Vonken 10-I 2018/420, die onder meer opmerkt dat ‘de openbare orde-exceptie alleen [mag] worden ingezet indien dat toepasselijk buitenlandse recht op essentiële punten afwijkt van fundamentele waarden en normen van het eigen forum, en niet indien slechts sprake is van een onredelijk, tweeslachtig verwijzingsresultaat.’
Beroepschrift 19‑09‑2022
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKPROCEDURE
Geeft eerbiedig te kennen:
Mevrouw [de vrouw], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente] (hierna te noemen: ‘de vrouw’), te dezer zake woonplaats kiezende aan de Rijnsburgerweg nr. 141, 2334 BM Leiden (postadres: Postbus 788 2300 AT Leiden) ten kantore van Groenendijk & Kloppenburg Advocaten van wie de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. N.C. van Steijn haar ten deze vertegenwoordigt en deze procesinleiding ondertekent.
Verweerder in cassatie is:
De heer [de man] wonende te ([postcode]) [woonplaats], gemeente [gemeente] aan [adres] (hierna te noemen: ‘de man’), in laatste instantie woonplaats gekozen hebben bij zijn advocaat mr. P.K. de Blieck-Willemsen, thans kantoorhoudende aan de Dorpsstraat 60 A 8171 BS te Vaassen.
Belanghebbende is:
- —
mr. S. Rozemeijer in hoedanigheid als bijzonder curator van de minderjarige [het kind], kantoorhoudende aan de Zeilmakerstraat 20 1991 JC Velserbroek
In zijn adviserende taak is in deze procedure door het hof gekend:
- —
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Haarlem (mede) gevestigd te (2011 KL) Haarlem aan de Jansweg 15
Inleiding
1.
Deze zaak ziet toe op de beschikking van het Hof Amsterdam van 5 juli 2022 met zaaknummer: 200.289.130/01. De vrouw kan zich niet verenigen met deze beschikking.
2.
Deze zaak gaat over de vraag of vervangende toestemming van de moeder voor erkenning van een kind mogelijk is nu vast staat dat Pools recht daarop van toepassing is. Het Hof heeft op basis van artikel 10:6 BW het betreffende deel van het toepasselijke Poolse recht buiten toepassing gelaten en het verzoek beoordeeld naar Nederlands recht. Hiertegen richt zich het cassatiemiddel.
Middel van cassatie
3.
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof in zijn ten deze bestreden beschikking op de daarin vermelde gronden recht heeft gedaan als in die beschikking is aangegeven, zulks om de navolgende — mede in onderling verband te beschouwen — redenen.
Onderdeel 1
4.
Het Hof concludeert in r.o. 2.4 dat naar Pools recht de weigering door de moeder om de verklaring van de man tot vaderschapserkenning te bevestigen (de ‘bestätigung’) niet via een juridische procedure ter discussie gesteld kan worden.1. Het Hof gaat echter uit van een onjuiste rechtsopvatting door in r.o. 2.6 en 2.7 te oordelen dat het gevolg van strikte toepassing van het Poolse recht in strijd is met de Nederlandse openbare orde en dat het Hof daarom op grond van art. 10:6 BW het betreffende deel van het toepasselijke Poolse recht buiten toepassing zal laten en het verzoek zal beoordelen naar Nederlands recht.
Subonderdeel 1A
5.
Allereerst is dit oordeel onjuist omdat het Hof art. 10:95 lid 3 BW miskent waarin (in de laatste zin) is bepaald dat het op de toestemming toepasselijke recht tevens bepaalt of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.2. Nu het Nederlandse recht in de onderhavige zaak uitdrukkelijk verwijst naar het Poolse recht en — naar het Hof vaststelt — het Poolse recht de mogelijkheid van vervangende toestemming niet kent3., kon het Hof niet met een beroep op art. 10:6 BW het Poolse recht buiten toepassing verklaren en het verzoek om vervangende toestemming naar Nederlands recht beoordelen. De wetgever heeft de vraag of de toestemming kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing immers bewust neergelegd bij het buitenlandse recht zodat niet kan worden geconcludeerd dat toepassing van dat recht kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
6.
Bovendien miskent het hof dat art. 10:95 lid 3 BW niet uitsluit dat bij gebreke van toestemming het Poolse recht inzake gerechtelijke vaststelling vaderschap van toepassing is, nu dit in essentie ook neerkomt op een rechterlijke beslissing, althans heeft het hof de toepassing daarvan in de onderhavige procedure ten onrechte niet nader onderzocht.4.
Subonderdeel 1B
7.
Daarnaast is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat art. 10:6 BW niet van toepassing is. De toepassing van het Poolse recht is immers niet in strijd met de openbare orde. Zoals het Hof vaststelt in r.o. 2.2 en 2.6 kent het Poolse recht een rechtsingang, namelijk: gerechtelijke vaststelling vaderschap. Het door het Hof vastgestelde probleem is gelegen in de Nederlandse verwijzingsregels en de Nederlandse procedure gerechtelijke vaststelling vaderschap. In de redenering van het Hof in r.o. 2.5 zou immers op een verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap op grond van art. 10:97 lid 3 BW het Nederlands recht van toepassing zijn, maar kent art. 1:204 BW aan de vader geen ingang om zijn vaderschap gerechtelijk vast te laten stellen. Dit zou dan volgens het Hof leiden tot een resultaat waarin de vader geen rechtsingang zou hebben en waarbij de belangen van het kind, uit de moeder en de vader niet zouden kunnen worden onderzocht en afgewogen. Het Hof miskent hiermee dat art 10:6 BW alleen van toepassing is indien het Nederlandse conflictenrecht het recht van een andere staat aanwijst.5. In de onderhavige zaak wijst echter het Nederlandse conflictenrecht Nederlands recht aan.
Subonderdeel 1C
8.
Verder heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in r.o. 2.6 en 2..7 art. 10:6 BW onvoldoende terughoudend toe te passen, danwel heeft het Hof onvoldoende onderzocht of gemotiveerd waarom toepassing van het Poolse recht kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in verband met het ontbreken van een rechtsingang bij de vader.
8.1
Allereerst heeft de vader een rechtsingang naar Pools recht6. en onderzoekt het hof niet of de vader geen daadwerkelijke mogelijkheid heeft om in Polen een procedure gerechtelijke vaststelling vaderschap te starten.7.
8.2
Het hof miskent — mede in r.o. 2.5 en 2.7 waar het Hof oordeelt dat het Nederlandse recht geen mogelijkheid kent voor de vader om zijn vaderschap te laten vaststellen — of onderzoekt ten onrechte niet de mogelijkheid dat de vader in Nederland een procedure gerechtelijke vaststelling vaderschap kan starten onder aanvoering dat het Nederlands recht in de onderhavige omstandigheden onverenigbaar is met art. 8 EVRM.8.
8.3
Het Hof miskent dat of onderzoekt ten onrechte niet de mogelijkheid of in de onderhavige procedure de Nederlandse verwijzingsregel van art. 10:97 BW om die reden buiten toepassing kan worden gelaten en het Poolse recht inzake gerechtelijke vaststelling vaderschap kan worden toegepast.
8.4
Bovendien kunnen zowel het kind (op latere leeftijd) als de bijzondere curator namens het kind een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap kunnen indienen zodat niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, kan worden gezegd dat sprake is van strijd met artikel 8 EVRM, althans het geheel ontbreken van een rechtsingang nu in een dergelijke procedure ook de belangen van moeder, vader en kind kunnen worden onderzocht en afgewogen. Daarbij speelt dat de bijzondere curator in de onderhavige procedure het verzoek van de vader steunt.9.
8.5
De overweging in r.o. 2.7. dat een mogelijke juridische beslissing ‘wellicht niet’ uitvoerbaar zal zijn voor de ambtenaar van de desbetreffende registers is onvoldoende dragend voor het eindoordeel van het hof. Art. 10:6 BW is niet bedoeld om in moeilijke IPR-kwesties de weg van de minste weerstand te kiezen.10. Nu art. 1:20 lid 1 sub a jo. art 1:20e BW een plicht tot inschrijving oplegt bij de desbetreffende ambtenaar gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting. Mocht dat niet zo zijn dan heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom een gerechtelijke vaststelling vaderschap niet uitvoerbaar is voor de desbetreffende ambtenaar, althans of deze de bevoegdheid heeft om een dergelijke uitspraak niet in te schrijven en zo ja, of een dergelijke weigering juridisch aanvechtbaar is.
Subonderdeel 1D
9.
Voorzover art. 10:6 BW echter wel van toepassing zou zijn, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in r.o. 2.6 en 2.7 het verzoek van de man om vervangende toestemming naar Nederlands recht te beoordelen. Het hof heeft miskend dat art. 10:6 BW geen integrale afwijzing van het vreemde recht beoogt, maar alleen die onderdelen van het vreemde recht treft die kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.11. Hoewel, zoals hiervoor is aangevoerd het Poolse recht geen onderdelen bevat die kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde omdat het probleem in het Nederlandse recht is gelegen, miskent voornoemd oordeel van het Hof het ultimum remedium-karakter van de openbare orde-functie.12. In het onderhavige geval had dit er toe moeten leiden dat het hof Pools recht had moeten toepassen en de Nederlandse verwijzingsregels had moeten negeren danwel de Nederlandse procedure gerechtelijke vaststelling vaderschap had moeten volgen aangezien die procedure het meest in lijn is met Pools recht.13. Zoals hiervoor al aangevoerd is de overweging van het hof in r.o. 2.7 dat een mogelijke juridische beslissing in het kader van gerechtelijke vaststelling vaderschap wellicht niet uitvoerbaar zal zijn voor de ambtenaar van de desbetreffende registers, geen (voldoende dragende) reden voor toepassing van art. 10:6 BW of voor het oordeel dat de vader geen rechtsingang zou hebben in Nederland.
Onderdeel 2
10.
Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door buiten de rechtsstrijd te treden. Zoals vastgesteld in r.o. 5.2 van de tussenbeschikking en 2.1 van de eindbeschikking van het Hof was in hoger beroep de toepassing van het Poolse recht niet in geschil maar alleen de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan het Poolse recht. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat Poolse recht van toepassing is en partijen daar niet tegen gegriefd hebben, was het hof gebonden aan dat oordeel van de rechtbank. Dit is alleen anders indien regels van openbare orde zijn geschonden. Conflictregels zijn echter processueel niet van openbare orde.14.
Onderdeel 3
11.
Bij het slagen van één of meer klachten uit de voorgaande onderdelen kunnen ook de daarmee samenhangende of daarop voortbouwende overwegingen niet in stand blijven. Dit betreft onder meer de door het Hof in r.o. 2.8 t/m 2.9 toegepaste belangenafweging en de beslissing in r.o. 2 en 3.
Weshalve
De vrouw zich wendt tot de Hoge Raad met het eerbiedige verzoek de bestreden beschikking te vernietigen met zodanige verdere beschikking als uw Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Leiden, 19 september 2022
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑09‑2022
maar wel de mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling vaderschap zie r.o. 2.5
de rechtbank had in r.o. 6.4 de beschikking van 8 april 2020 vastgesteld dat lid 3 van toepassing is op de toestemming van de moeder tot erkenning; dit was in hoger beroep niet in geschil
zowel het Nederlandse recht als het Poolse recht zien toe op bescherming van de belangen van de moeder (zie voor Nederlands recht: Asser/ Vonken & Ibili 10–11 2021, nr. 422 en voor Pools recht: het citaat in r.o. 2.3)
in r.o. 2.5 gaat het Hof alleen op een hypothetisch verzoek van de man om gerechtelijke vaststelling vaderschap en niet op de vraag of binnen de onderhavige procedure of binnen de verwijzingsregels of n.a.v. de openbare orde exceptie het Poolse recht kan worden toegepast
HR 19-11-2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, r.o. 3.4.1
zie r.o. 2.5
dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft wil nog niet zeggen dat de Poolse rechter dat niet heeft
zie r.o. 2.8, de vader heeft op deze manier een indirecte rechtsingang, zie ook r.o. 5.4 van de tussenbeschikking van het hof van 26 oktober 2021 (verwijzend naar de brief van 29 april 2022 van de bijzondere curator aan het Hof)
Asser/ Vonken 10-1 2018, nr. 499
HR 19-11-2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, r.o. 3.8
Asser/ Vonken 10-1 2018, nrs. 498 en 523
conclusie A-G Vlas bij HR 11 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2015:2412, par. 2.3