Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.4.4.2
II.4.4.2 Precedentenstelsel
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS585978:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.E.M. Polak 1987, p. 178-179. Brouwer & Schilder 2000, p. 186 voegen daar echter aan toe, dat die plicht gepaard gaat met ‘een inherente afwijkingsbevoegdheid en de mogelijkheid als gevolg van nieuwe inzichten of gewijzigde omstandigheden de koers te verleggen’.
Drion 1950, p. 26.
Dat neemt niet weg, dat er ook gevallen zijn, waarin de lagere rechter zich uitdrukkelijk mokkend bij het oordeel van de Hoge Raad neerlegt, zoals Kntr. Meppel 24 november 1970, NJ 1972, 18.
Kottenhagen 1986, p. 46-49. Empirisch onderzoek in België – waar eveneens geen precedentenstelsel geldt – wijst in dezelde richting (Adams 1997, p. 1357-1381).
Ook in zijn jaarverslag ontkent de Hoge Raad het bestaan van zo’n rechtsregel. Hij schrijft: ‘Strikt genomen kent het Nederlandse recht niet een precedentensysteem. Dat wil zeggen dat het de lagere gerechten – rechtbank en gerechtshof – in beginsel vrij staat om een rechtsvraag anders te beantwoorden dan de Hoge Raad dat reeds deed. [...] Het staat [...] ook de Hoge Raad vrij om af te wijken van zijn eigen jurisprudentie.’ (Hoge Raad 2007, p. 25).
HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360, m.nt. MS; AB 1984, 103, m.nt. FHvdB; SEW 1983, p. 723-733, m.nt. A.M. (LSV), r.o. 3.4.
HR 16 oktober 1992, AB 1993, 40, m.nt. FHvdB; NJ 1993, 638, m.nt. MS (Vulhop), r.o. 3.4.
Vgl. HR 4 december 1998, NJ 1999, 340 (Haargroeimiddel), r.o. 3.4: ‘Niet valt in te zien waarom het hof verplicht zou zijn geweest de door de Hoge Raad in een ander geding gegeven verwijzingsinstructies te volgen’.
In de literatuur wordt wel de opvatting gehuldigd, dat art. 12 Wet AB zich verzet tegen het aanvaarden van een precedentenstelsel. Zie Opzoomer 1884, p. 224; Van Rijn 1978, p. 95; Pitlo/Gerver e.a. 1995, p. 41; Van Maanen 2000a, p. 100; Adams 2006, p. 111-112; Bovend’Eert 2008, p. 248-249. Anderen betwisten dat. Zie Drion 1950, p. 24; Jesserun d’Oliveira 1973, p. 8-12; Kottenhagen 1986, p. 113-116. Weer anderen menen dat de bepaling verouderd is, zodat daaraan geen betekenis meer toekomt. Zie Vranken 1995, nr. 80.
Toetsingsuitspraken in twee-partijengeschillen binden alleen procespartijen. Hoewel dat ook geldt voor uitspraken in de hiervóór besproken collectieve en algemeen belang-acties, roept zo’n uitspraak ook gevolgen in het leven voor derden. Verschillende auteurs menen echter, dat een toetsingsuitspraak steeds rechtsgevolgen heeft voor meer personen dan alleen procespartijen. Zij menen, dat rechters gehouden zijn toetsingsoordelen van hogere rechters te volgen. Volgens hen geldt in Nederland een precedentenstelsel.1
Vaak wordt die opvatting ‘bewezen’ door te stellen, dat lagere rechters ‘hun’ hogere rechters steeds volgen. Te stellen, dat zij dat alleen doen, omdat zij die uitspraken ‘overtuigend’ vinden en niet, omdat zij daartoe verplicht zijn, is volgens die auteurs ‘irreële studeerkamerpraat’.2 Uit empirisch onderzoek van Kottenhage blijkt echter dat lagere rechters met enige regelmaat de Hoge Raad niet volgen,3 vaak zonder te motiveren waarom zij dat niet doen.4
Hoe dat ook zij, de bewering dat in Nederland een precedentenstelsel geldt, vindt geen steun in het positieve recht. In verschillende arresten heeft de Hoge Raad het bestaan van zo’n regel expliciet ontkend.5 Zo overwoog hij in LSV:
‘dat ook een algemeen geformuleerde uitspraak als in het onderhavige geval is gegeven, slechts rechten geeft aan de partijen die haar hebben verkregen, zij het dat derden kunnen profiteren van het praktische gevolg, gelegen in de verwachting dat die rechter in volgende soortgelijke zaken in dezelfde zin zal beslissen.’6
Vulhop bevat een soortgelijke overweging:
‘de bindende kracht van een [door de Hoge Raad uitgesproken onverbindendverklaring] is – daargelaten de overtuigende werking die daarvan in andere zaken mag worden verwacht – naar haar aard beperkt tot het in de betreffende [zaak] voorgelegde geschil.’7
Lagere rechters zijn aldus vrij om een wettelijk voorschrift als verbindend toe te passen, ook al heeft ‘hun’ hogere rechter het wettelijk voorschrift onverbindend verklaard.8,9