Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.4.2.2
14.4.2.2 Vervreemdingsvoordelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS454153:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 februari 1960, BNB 1960/123, HR 10 september 1980, BNB 1980/294, HR 28 juni 1989, BNB 1990/147 en HR 9 februari 1994, BNB 1994/231.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 40 en 41 alsmede de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 60-61.
Toelichting (eerste) nota van wijziging Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 8, blz. 13, Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 september 1997. nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag C.5) alsmede de brieven van de Belastingdienst Directie Ondernemingen Zuid van 21 april 1998, nr. 214 DGM 8 en 4 mei 1998, nr. 924 DGM 8, V-N 1998, blz. 2272 e.v.
Zie tevens mijn: Het vervreemdingsbegrip in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling, Tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht april 1998, nr. 36, blz. 71 e.v.
De categorie vervreemdingsvoordelen van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' zit wetstechnisch goed in elkaar en sluit naar mijn mening goed aan bij het meer subjectieve karakter van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling. Belast wordt het verschil tussen de overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs, waarbij steeds de subjectieve tegenprestatie bij de overdracht resp. de verkrijging in aanmerking wordt genomen. Tegen deze achtergrond is het mijns inziens dan ook onbegrijpelijk waarom het vervreemdingsbegrip onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling objectief moet worden geïnterpreteerd, terwijl de Hoge Raad onder de oude aanmerkelijkbelangregeling in uitgebreide jurisprudentie zorgvuldig een subjectief vervreemdingsbegrip tot stand heeft gebracht (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.2).1 Dit subjectieve vervreemdingsbegrip past naadloos in het nieuwe gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregime. Gelet op het feit dat de Hoge Raad dit subjectief getinte vervreemdingsbegrip reeds had ontwikkeld onder het oude objectieve aanmerkelijkbelangregime, zou mijns inziens niets eraan in de weg staan om de aldus door de Hoge Raad ingezette subjectieve leer te vervolmaken. Ook de uitlatingen tijdens de parlementaire geschiedenis, inhoudend dat het nieuwe aanmerkelijkbelangregime in zoverre geen wij- ziging brengt ten opzichte van het oude regime, wijzen in deze richting.2 Desalniettemin stelt de staatssecretaris van Financiën en de Belastingdienst Directie Ondernemingen Zuid zich op het standpunt dat de vraag of sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling niet moet worden beoordeeld vanuit de subjectieve positie van de aandeelhouder, maar vanuit de objectieve positie van de aandelen en winstbewijzen.3 Dit betekent dat naar het oordeel van de staatssecretaris van Financiën en de Belastingdienst ook sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als binnen het vermogen van één en dezelfde aandeelhouder (winst)rechten verschuiven van het ene aandeel of winstbewijs naar het andere aandeel of winstbewijs (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.5.2). Van een subjectieve verrijking is dan echter geen sprake, zodat naar mijn oordeel ook (nog) geen sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling. Ik meen dat ook de jurisprudentie van de Hoge Raad in deze richting wijst. Mijns inziens dient dit standpunt zo spoedig mogelijk te worden verlaten en de jurisprudentie van de Hoge Raad tot richtsnoer te worden genomen.
Met het voorgaande hangt samen dat in een subjectieve belastingheffing art. 20c, vierde lid, tweede volzin, Wet IB een onnodige verzwarende bepaling is. In een subjectief regime past geen belastingheffing als de aanmerkelijkbelanghouder bij een vervreemding in subjectieve zin niet verarmt. Dit is het geval als bij een vervreemding het belang in de vennootschap wordt behouden. Desalniettemin bepaalt de tweede volzin van art. 20c, vierde lid, Wet IB dat de correctieregeling van art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB ook van toepassing is als bij een vervreemding het belang in de vennootschap wordt behouden. Hoewel deze bepaling uitdrukkelijk is opgenomen om de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit vlak, met name HR 21 september 1988, BNB 1988/308, te corrigeren (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.6), past een dergelijke bepaling niet in een subjectieve aanmerkelijkbelangheffing en naar mijn oordeel zo spoedig mogelijk dient te vervallen.
Wat hiervan ook zij, in elk geval kan worden geconcludeerd dat het laatste gedeelte van art. 20c, vierde lid, tweede volzin, Wet IB - 'behoudens in geval van uitgifte van aandelen' - mijns inziens zinledig is. Zoals ik in hoofdstuk 8, onderdeel 8.6 reeds aangaf, wordt pas aan art. 20c Wet IB toegekomen als sprake is van een vervreemding in de zin van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, of zesde lid, Wet IB. Dit laatste gedeelte van art. 20c, vierde lid, Wet IB gaat immers uit van het onjuiste uitgangspunt dat een uitgifte van aandelen, waarbij het belang in de vennootschap wordt behouden, als een vervreemding in de zin van art. 20a(, eerste of zesde lid,) Wet IB moet worden beschouwd. Gelet op onder meer HR 21 september 1988, BNB 1988/308 en HR 9 februari 1994, BNB 1994/231 is dit echter niet het geval. Het laatste gedeelte van art. 20c, vierde lid, tweede volzin, Wet IB vervult mijns inziens dan ook geen functie en kan daarom beter vervallen.4