Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/4.4.2
4.4.2 Enkele uitgangspunten bij de taakuitoefening van OK-functionarissen
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652306:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Josephus Jitta 2018b, p. 404. Zo ook, specifiek ten aanzien van de OK-bestuurder, OK 5 december 2012 (r.o. 3.4), ARO 2013/2 (De Orthopedische Schoenmakerij); Makkink 2016, p. 256. Zie verder HR 11 juli 2014 (r.o. 3.3.3), NJ 2014/389, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2014/263 (Novero); OK 30 oktober 2014 (r.o. 3.4), JOR 2015/6, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Depron).
Zie ook Cornelissen 2010, p. 75.
OK 19 april 2007 (r.o. 3.2), JOR 2007/142, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Begemann); Croiset van Uchelen 2008, p. 218 (ten aanzien van de OK-bestuurder en OK-commissaris); Borrius 2015, p. 79 (ten aanzien van de OK-bestuurder); Makkink 2016, p. 256 (ten aanzien van de OK-bestuurder); Eikelboom 2017, p. 530 (ten aanzien van de OK-bestuurder). Zie ook par. 2.4.2.6.
Zo ook Josephus Jitta 2018b, p. 404; OK 23 juni 2021 (r.o. 3.5 e.v.), JOR 2021/271, m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté (Esperaza) (ten aanzien van de OK-bestuurder). Zie ook Eikelboom 2017, p. 530-531 (ten aanzien van de OK-bestuurder). Anders Croiset van Uchelen 2008, p. 218-219.
Zo ook Borrius 2015, p. 75 (ten aanzien van de OK-bestuurder); Eikelboom 2017, p. 616 (ten aanzien van de OK-beheerder); Van Emden & Wareman 2020, p. 21 en p. 36 (ten aanzien van de OK-beheerder); OK 23 juni 2021 (r.o. 3.5 e.v.), JOR 2021/271, m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté (Esperaza) (ten aanzien van de OK-bestuurder); Josephus Jitta 2022, p. 847-848.
Josephus Jitta 2018b, p. 405. Zie ook Josephus Jitta 2003, p. 465 (ten aanzien van de OK-bestuurder en OK-commissaris); Josephus Jitta 2016, p. 462 (ten aanzien van de OK-beheerder). Anders kennelijk Eikelboom 2017, p. 527.
Josephus Jitta (onder 3) in zijn annotatie bij OK 30 oktober 2014, JOR 2015/6 (Depron).
Josephus Jitta 2015, p. 256.
Eikelboom 2017, p. 530. Instemmend Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/195 sub e; Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 809-810. Zie ook Salemink 2018b, p. 442.
Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 3-4; OK 20 december 2012 (r.o. 3.12) ARO 2013/23 (Rosenberg Van der Does & Partners); OK 11 december 2013 (r.o. 3.6), JOR 2014/36, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Slotervaartziekenhuis).
Zo ook Josephus Jitta 2018b, p. 405.
OK 30 oktober 2013 (r.o. 3.27), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero); OK 28 mei 2020 (r.o. 3.7), ARO 2020/119 (Socius Wonen).
Zie ook Broekhuijsen-Molenaar & Van Wees 2015, p. 91 en p. 93.
Zie ook HR 4 april 2014 (r.o. 4.2.1), NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun).
Zie ook Cornelissen 2010, p. 75.
Salemink 2018b, p. 442. Zie ook Eikelboom 2017, p. 530; Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 809-810.
Zie ook Broekhuijsen-Molenaar & Van Wees 2015, p. 91 en p. 93.
Praktijktips, bepaling 1.2.1.
Zo ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/372; Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 809.
Zie ook Uniken Venema & Eisma 1990, p. 215-216; Van Wijk 1996, p. 365; Geerts 2004, p. 310; OK 8 september 2008 (r.o. 3.10), JOR 2009/127, m.nt. M.W. Josephus Jitta (e-Traction); Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/808; Bloemink & Kemp 2020, p. 234. Anders nog OK 24 oktober 2013 (r.o. 3.12), ARO 2013/162 (Staat Creative Agency).
Broere 2019b, p. 690; Van Wees, GS Rechtspersonen, art. 2:351 BW, aant. 2.2.3 (2020); Soerjatin 2022, p. 966-967. De Ondernemingskamer houdt de beslissing tot het gelasten van een onderzoek, althans de aanwijzing van een onderzoeker ook wel aan, opdat kan worden bezien of door een OK-functionaris een oplossing van het geschil kan worden bereikt, zie bijv. OK 8 februari 2021 (r.o. 3.5; 3.7), JOR 2021/179, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Gebr. Meeusen); OK 8 februari 2021 (r.o. 3.6), JOR 2021/293, m.nt. T. Salemink (OMC International). Volgens Van Emden & Wareman 2020, p. 19 en p. 28 is een OK-beheerder meer dan een OK-bestuurder de geschikte persoon om schikkingspogingen te ondernemen, nu de OK-beheerder meer dan de OK-bestuurder de taak heeft de belangen van de aandeelhouders te behartigen. Instemmend Rutten 2021, p. 168.
OK 19 april 2007 (r.o. 3.1), JOR 2007/142, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Begemann); HR 19 februari 2010 (r.o. 3.5.2), NJ 2010/296, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2010/92, m.nt. E. Schmieman (Fuldauer); OK 20 december 2012 (r.o. 3.12) ARO 2013/23 (Rosenberg Van der Does & Partners); OK 30 oktober 2013 (r.o. 3.27), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero).
OK 19 april 2007 (r.o. 3.1), JOR 2007/142, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Begemann).
Zo ook Makkink 2016, p. 255. Zie ook OK 30 oktober 2013 (r.o. 3.27), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero); OK 30 april 2019 (r.o. 3.9), JOR 2019/187, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Bloembollenbedrijf Brouwer), bevestigd in OK 4 juni 2019 (r.o. 3.11), JOR 2020/29, m.nt. R.G.J. de Haan (Gierkink Beheer); OK 8 juli 2019 (r.o. 3.17), JOR 2019/279, m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté (DEM) (ten aanzien van de OK-beheerder), waarover par. 5.2.7.11.
OK 30 oktober 2013 (r.o. 3.27), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero). Zie ook OK 28 mei 2020 (r.o. 3.7), ARO 2020/119 (Socius Wonen).
HR 19 februari 2010 (r.o. 3.6.1), NJ 2010/296, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2010/92, m.nt. E. Schmieman (Fuldauer).
HR 19 februari 2010 (r.o. 3.5.1), NJ 2010/296, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2010/92, m.nt. E. Schmieman (Fuldauer).
Zo ook Sinninghe Damsté 2014, p. 38-39; Te Winkel & Van de Graaff 2015, p. 236-237; Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 812 (ten aanzien van de OK-commissaris).
Zie hierover ook Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 810 e.v., met verwijzingen.
HR 19 februari 2010 (r.o. 3.6.2), NJ 2010/296, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2010/92, m.nt. E. Schmieman (Fuldauer).
Eikelboom 2017, p. 526 (ten aanzien van de OK-bestuurder).
HR 11 juli 2014 (r.o. 3.3.3), NJ 2014/389, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2014/263 (Novero). Zie ten aanzien van de OK-bestuurder ook OK 14 juni 2013 (r.o. 2.5), ARO 2013/104 (Auragenix); OK 30 oktober 2013 (r.o. 3.8), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero); OK 13 juli 2015 (r.o. 3.7), ARO 2015/184 (Nieuwendijk Monumenten); Praktijktips, bepaling 1.5.1.
Zie ook OK 30 oktober 2013 (r.o. 3.26), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero).
De taak van de OK-bestuurder, OK-commissaris en OK-beheerder verschilt, maar ieder van hen heeft bij de taakuitoefening enkele gelijke uitgangspunten in acht te nemen. Hun taak is vooral als tijdelijk functionaris van de rechtspersoon op basis van hun (voorlopige) waardering van de stand van zaken binnen de rechtspersoon, besluiten te nemen en maatregelen te treffen gericht op het belang van de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming.1 In die zin werken OK-functionarissen aan het bereiken van hetzelfde doel.2 OK-functionarissen hebben niet tot taak het doen van uitvoerig onderzoek naar de feiten en omstandigheden die de Ondernemingskamer in haar beschikking heeft aangemerkt als gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid van de rechtspersoon.3 Wel zullen OK-functionarissen overigens tot een zakelijke waardering van de stand van zaken dienen te komen. Daarbij kan het oordeel van de Ondernemingskamer van invloed zijn, maar OK-functionarissen komt de vrijheid toe tot een ander oordeel dan de Ondernemingskamer te komen.4
OK-functionarissen hebben mijns inziens de grenzen van art. 2:8 BW in acht te nemen.5 Niet gebonden zijn zij mijns inziens aan de doeleinden van het enquêterecht of de beperkingen die de Ondernemingskamer bij het treffen van voorzieningen in acht moet nemen.6 Josephus Jitta heeft ook bepleit dat OK-functionarissen zich dienen te laten leiden door de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.7 OK-functionarissen worden dan als het ware door de Ondernemingskamer gedelegeerd in haar rechtsprekende taak om geschillen over het beleid en de gang van zaken te beslechten, met toepassing van hetzelfde normenkader als de Ondernemingskamer.8 Eikelboom voert hier mijns inziens terecht tegen aan dat de OK-bestuurder is belast met het besturen van de rechtspersoon, wat iets anders is dan het op basis van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit beslechten van geschillen tussen de stakeholders van de rechtspersoon. De OK-bestuurder is ook geen verlengstuk van de Ondernemingskamer, maar opereert zelfstandig.9 Dit is niet anders voor de OK-commissaris en OK-beheerder.
Uit de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie volgt dat de OK-bestuurder het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming voorop heeft te stellen, en de belangen van alle daarbij betrokkenen bij zijn besluitvorming in aanmerking moet nemen.10 Dit geldt mijns inziens eveneens voor de OK-commissaris en OK-beheerder.11 De OK-beheerder zal in het bijzonder ook de geobjectiveerde aandeelhoudersbelangen voor ogen dienen te houden.12
In de Praktijktips is in bepaling 1.4.1 als uitgangspunt voor de taakuitoefening van de OK-bestuurder ook opgenomen:
‘Uitgangspunt voor het werk van de bestuurder is het dienen van het belang van de vennootschap, de daaraan verbonden onderneming en alle betrokken stakeholders (zoals werknemers, klanten, leveranciers en ook, maar zeker niet alleen, aandeelhouders). Dit belang is over het algemeen gediend met continuïteit van de onderneming en daarop dient de bestuurder zijn beslissing in de eerste plaats te richten. De bestuurder dient er verder naar te streven zijn benoeming zo kort mogelijk te laten duren; de vennootschap moet snel weer op eigen benen kunnen staan en daarom moeten de activiteiten van de bestuurder er ook op gericht zijn een spoedige oplossing van het onderliggende geschil, vaak een aandeelhoudersgeschil tot stand te brengen.’13
De OK-bestuurder dient zich volgens de Praktijktips dus kortweg te richten naar het belang van de rechtspersoon, de daaraan verbonden onderneming14 en conflictoplossing,15 en daarbij adequaat te handelen. Kritisch hierover is Salemink, die meent dat het streven naar een snelle oplossing niet tot de primaire taakuitoefening van een OK-bestuurder behoort. De OK-bestuurder dient in de eerste plaats te besturen; daaronder valt niet per definitie het najagen van een oplossing voor het onderliggende geschil.16 Goed voorstelbaar is evenwel dat het bereiken van een (snelle) oplossing van het aan de enquêteprocedure onderliggende conflict mede in het belang van de rechtspersoon is.17
Hoewel de Praktijktips primair gelden voor OK-bestuurders, zijn deze (deels) ook bruikbaar voor OK-commissarissen en OK-beheerders.18 Zo geldt voornoemd uitgangspunt bij de taakuitoefening van OK-bestuurders mijns inziens evengoed voor OK-commissarissen19 en OK-beheerders.20
In de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures is in bepaling 3.6 verder opgenomen:
‘De praktijk wijst uit dat in veel gevallen, in het bijzonder in besloten verhoudingen, tussen partijen een schikking wordt bereikt nadat een onderzoek is bevolen. In gevallen waarin de Ondernemingskamer tevens, bij wijze van onmiddellijke voorziening, een tijdelijk bestuurder, commissaris en/of beheerder van aandelen heeft benoemd, kunnen deze OK-functionarissen het in beginsel mede tot hun taak rekenen een schikking te beproeven. In dat kader kan overleg plaatsvinden tussen OK-functionarissen en de onderzoeker over de voortgang van het onderzoek.’
Waar de AAS de onderzoeker in bepaling 3.11 nog veel vrijheid lieten zich in te laten met schikkingspogingen door te bepalen dat het de onderzoeker vrijstaat in voorkomende gevallen te bezien of een minnelijke regeling kan worden bereikt, lijkt de Ondernemingskamer in de Leidraad tot uitdrukking te hebben gebracht dat het primair aan een aangestelde OK-functionaris is een schikking te beproeven.21 Ook als een OK-functionaris is benoemd die het tot zijn taak mag rekenen een minnelijke regeling te beproeven, maakt dit echter nog niet dat de onderzoeker zich steeds dient te onthouden van het beproeven van een schikking (par. 2.3.3).
Een OK-bestuurder komen alle door de wet en statuten aan een gewone bestuurder toegekende bevoegdheden toe, zo volgt uit jurisprudentie van de Ondernemingskamer en Hoge Raad.22 Datzelfde geldt mutatis mutandis voor de OK-commissaris23 en OK-beheerder, die alle aan de aandelen verbonden vennootschapsrechtelijke bevoegdheden toekomt.24 Hiernaast kan de Ondernemingskamer de taken van OK-functionarissen uitbreiden, waarover ook par. 4.4.3, par. 4.4.4 en par. 4.4.5.
OK-functionarissen dienen bij de uitoefening van hun taak en het in verband daarmee gebruikmaken – of niet gebruikmaken – van hun bevoegdheden alle relevante omstandigheden en belangen in aanmerking te nemen, zo overwoog de Ondernemingskamer in Novero ten aanzien van een OK-bestuurder en OK-beheerder. Evengoed geldt dat mijns inziens voor een OK-commissaris. Tot die omstandigheden en belangen behoren volgens de Ondernemingskamer onder meer de omstandigheden dat het gaat om een tijdelijke benoeming respectievelijk het belang van betrokkenen, in het bijzonder van diegenen wier rechten of bevoegdheden door de getroffen onmiddellijke voorzieningen rechtstreeks zijn geraakt. De OK-beheerder heeft daarbij te waken voor de belangen van de houders van de door hem beheerde aandelen, gemeten naar objectieve maatstaven.25
In Fuldauer oordeelde de Hoge Raad dat het de op de voet van art. 2:298 lid 2 BW benoemde bestuurder past ‘van zijn bevoegdheden in zoverre een terughoudend gebruik te maken dat hij in beginsel niet meer doet dan past bij de hem als tijdelijke bestuurder opgedragen taak en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is voor een behoorlijk bestuur van de stichting.’26 De op grond van art. 2:298 lid 2 BW benoemde bestuurder vertoont overeenkomsten met de OK-bestuurder, en het oordeel van de Hoge Raad lijkt dan ook voor de OK-bestuurder te gelden. De Hoge Raad zoekt in zijn beschikking ook uitdrukkelijk aansluiting bij de positie van de OK-bestuurder.27 Evengoed geldt het voorgaande mijns inziens voor de OK-commissaris en OK-beheerder.28
Bij hun taakuitoefening zullen OK-functionarissen dus mede in aanmerking moeten nemen dat zij tijdelijk zijn aangesteld.29 De in acht te nemen tijdelijkheid is overigens geen wettelijk vereiste dat op straffe van nietigheid dient te worden nageleefd bij besluitvorming door OK-functionarissen. De Hoge Raad overwoog in Fuldauer: ‘Als een tijdelijke bestuurder besluiten heeft genomen waartoe hij weliswaar bevoegd is, doch die verder gaan dan past bij de rol van tijdelijke bestuurder als hiervoor bedoeld, zijn deze besluiten niet op de voet van art. 2:14 BW nietig.’30 Aan de omstandigheid dat een OK-functionaris tijdelijk is aangesteld kan wel betekenis toekomen bij de vernietigbaarheid van besluiten bij de totstandkoming waarvan OK-functionarissen zijn betrokken, wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:15 lid 1 sub b BW.31
Tot slot geldt voor iedere OK-functionaris dat hij zijn taak in beginsel zelfstandig verricht. Wel kan behoefte bestaan aan de inschakeling van derden, waarover par. 4.5.3.4. De Hoge Raad oordeelde in Novero ook dat het niet aan de Ondernemingskamer, maar aan de (bij onmiddellijke voorziening benoemde) OK-bestuurder of OK-commissaris is om binnen de grenzen van zijn taken en bevoegdheden te beoordelen of bepaalde maatregelen binnen of door de rechtspersoon moeten worden getroffen en, zo ja, die te treffen.32 Dat geldt evengoed voor de OK-beheerder;33 logischerwijs geldt dit naar mijn mening ook voor bij eindvoorziening benoemde OK-functionarissen.