Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.3.2:14.3.3.2 Meerdere inbrengers
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.3.2
14.3.3.2 Meerdere inbrengers
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232910:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 53.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De invloed van het concept van gemeenschappelijke “eigendom” van het APV-vermogen is uiteraard niet beperkt tot het moment van inbreng. Ook op het moment dat een uitkering gedaan wordt kan sprake zijn van een belaste “vervreemding” van vermogen. De heffing van inkomstenbelasting ter zake van een uitkering kan zich daarbij niet alleen voordoen in een geval met meerdere inbrengers, maar ook in de veel vaker voorkomende situatie waarin de inbrenger overleden is en het vermogen toegerekend wordt aan diens erfgenamen. Aan hen wordt eveneens toegerekend op basis van gemeenschappelijke “eigendom” van het APV-vermogen.1
Voorbeeld: uitkering uit het APV
C en D hebben vermogen ingebracht in een APV, zoals hiervoor in paragraaf 14.3.2.6 beschreven. Vervolgens besluit het bestuur van het APV 25% van de aandelen uit te keren en terug over te dragen aan C. De waarde van het volledige belang is op dit moment € 2.000.000. De vraag is dan hoe de uitkering toegerekend dient te worden aan de “aandelen” van C en D in het APV-vermogen. Een mogelijkheid is dat aangesloten wordt bij het uitgangspunt van uitkering uit het eigen “aandeel” van C, zodat hij geacht wordt zijn eigen aandelen te krijgen, zodat van de resterende 75% van de aandelen Y BV die het APV daarna houdt 25% geacht wordt “eigendom” van D te zijn, terwijl 50% “eigendom” is van C.
Dit laatste verhoudt zich echter slecht met een consequente toepassing van de gedachte van gezamenlijke “eigendom”, zodat het mij als juister voorkomt om slechts driekwart van de uitkering aan C te beschouwen als afkomstig uit het “aandeel” van C en het resterende kwart als afkomstig uit het “aandeel” van D. Deze interpretatie brengt met zich dat D geacht wordt een aandelenbelang van 6,25% in Y BV aan C te vervreemden. D is ter zake hiervan inkomstenbelasting verschuldigd over een vervreemdingsvoordeel van € 31.2502, overigens zonder dat hij middelen ontvangt om deze belasting mee te betalen. Het uitgangspunt van gezamenlijke “eigendom” brengt dus met zich dat niet alleen belasting verschuldigd kan zijn op het moment van de inbreng van het aanmerkelijk belang, maar ook weer op het moment dat aandelen uitgekeerd worden.
Mijns inziens is dit effect niet redelijk, omdat niet daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Bovendien is de vraag in hoeverre het concept van gemeenschappelijke “eigendom” past bij de achtergrond van de APV-regeling, waarbij geprobeerd wordt om zo veel mogelijk de situatie te benaderen waarbij geen inbreng heeft plaatsgevonden. Het past mijns inziens beter bij deze achtergrond om bij een inbreng door meerdere personen in één APV niet uit te gaan van gemeenschappelijke “eigendom”, maar aan iedere inbrenger zijn eigen inbreng toe te rekenen. Ten slotte staat dit concept op gespannen voet met een in de parlementaire geschiedenis genoemde mogelijkheid voor de inbrenger of diens erfgenamen om zonder heffing van schenkbelasting hun “aandeel” uit het APV te ontvangen (zie paragraaf 14.4.2.3.2). In paragraaf 15.5 onderzoek ik daarom de mogelijkheden om dit concept los te laten en te vervangen voor toerekening op basis van “aandelen”. Dit laatste is uiteraard alleen mogelijk indien het APV een gedegen administratie bijhoudt.