Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.4
8.4.4 Vaststelling verkrijgingsprijs bij beschikking
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS451751:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 73. Zie tevens het Besluit van 23 januari 1998, nr. DB97/4775, V-N 1998/8.23, waarin de staatssecretaris van Financiën aangeeft dat in alle gevallen, waarin door de inwerkingtreding van het nieuwe aanmerkelijkbelangregime (koopopties op) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen per 1 januari 1997 tot een aanmerkelijk belang zijn gaan behoren, de verkrijgingsprijs bij beschikking zal worden vastgesteld.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 24.
In zijn Besluit van 29 september 1997. nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag G.8) heeft de staatssecretaris van Financiën aangegeven welke gegevens door de belastingplichtige moeten worden verstrekt.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 73.
Besluit van 25 maart 1991, nr. DB89/735, BNB 1991/142. De Vakstudie meent in aantekening 21 op art. 20i Wet IB dat dit het geval is. Zie tevens mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang, Fiscaal Actueel, blz. 135-136, Kluwer, Deventer, 1998.
Aangezien de omvang van de (gemiddelde) verkrijgingsprijs eerst geruime tijd na de verkrijging van de tot een aanmerkelijk belang behorende (koopopties op) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen actueel kan worden door een (fictieve) vervreemding bepaalt art. 20i Wet IB dat de verkrijgingsprijs op enig moment, al dan niet op verzoek, door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking kan worden vastgesteld. Met deze bepaling die de rechtsbescherming van de belastingplichtige dient, wordt onzekerheid over de hoogte van de verkrijgingsprijs zoveel mogelijk vermeden.1 Bedacht dient te worden dat de beschikking slechts een momentopname geeft; latere rechtshandelingen kunnen de verkrijgingsprijs wijzigen, waarvoor dan weer een nieuwe beschikking kan worden afgegeven. Het initiatief tot een dergelijke beschikking kan zowel uitgaan van de belastingplichtige als van de inspecteur. Hoewel de wettelijke regeling geen termijn noemt, waarbinnen de inspecteur de beschikking afgeeft, is in de memorie van toelichting een streeftermijn van drie maanden vermeld; als uiterste termijn is een jaar genoemd.2 Deze termijn is langer dan de gebruikelijke termijn van acht weken van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een sanctie op overschrijding van deze termijn is echter niet gegeven; wellicht kan hierbij worden aangeknoopt bij hetgeen de Awb op dit punt regelt.3
Is de beschikking eenmaal onherroepelijk, d.w.z. eventueel na bezwaar en beroep, vastgesteld, dan kan op het latere tijdstip waarop de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen (fictief) worden vervreemd, de hoogte van de verkrijgingsprijs niet nogmaals ter discussie worden gesteld. Voor een herziening van de beschikking geeft art. 20i, tweede lid, Wet IB zelf het handvat. Ingevolge deze bepaling heeft de inspecteur de mogelijkheid de beschikking te herzien, mits aan de voor navordering geldende voorwaarden is voldaan, met dien verstande dat een afwijkende uiterlijke termijn is gesteld omdat bij het vaststellen van de beschikking nog geen sprake is van het ontstaan van een belastingschuld. De hoofdregel is dat de inspecteur de beschikking binnen vijf jaren kan herzien, mits sprake is van een nieuw feit en de belastingplichtige niet te kwader trouw is; dit is ontleend aan art. 16, eerste lid, AWR. Was de verkrijgingsprijs verschuldigd aan een natuurlijke persoon die niet in Nederland woont of een rechtspersoon die niet in Nederland is gevestigd, dan kan de beschikking binnen twaalf jaren worden herzien; deze afzonderlijke twaalfjaarstermijn is ontleend aan art. 16, vierde lid, AWR. Bij de herziening van de beschikking door de inspecteur kan blijkens de memorie van toelichting worden gedacht aan overeenkomsten waarbij een hogere koopprijs is vermeld dan met de werkelijkheid in overeenstemming is of een koopprijs die mede betrekking heeft op zaken die niet in de overeenkomst zijn vermeld.4 Is de belastingplichtige van mening dat de verkrijgingsprijs tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan kan hij - opnieuw - een verzoek doen tot vaststelling van de verkrijgingsprijs bij voor bezwaar vatbare beschikking. Onduidelijk is of de belastingplichtige hierbij is gebonden aan de voorwaarden voor toepassing van ambtshalve herziening.5