Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.9.3:12.9.3 ‘Fiscale eenheid’ van lichamen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.9.3
12.9.3 ‘Fiscale eenheid’ van lichamen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605419:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik ben voorstander van een materieel-economische benadering van het verbondenheidsbegrip in de regeling van de fiscale eenheid. Omdat het begrip ‘fiscale eenheid’ in mijn visie is voorbehouden voor een faciliteit, geef ik omwille van efficiency de voorkeur aan een scherpere norm. Evenals in IAS 27 met betrekking tot consolidatie onder IFRS, zou ik willen uitgaan van een aandelenparticipatie die het wettelijke vermoeden oplevert dat sprake is van een concern. Dit vermoeden zou kunnen worden weerlegd indien in feite geen sprake is van financiële, organisatorische en economische verbondenheid. Tevens zou moeten kunnen worden aangetoond dat er feitelijk wel sprake is van verbondenheid, ondanks dat niet aan het formele bezitsvereiste wordt voldaan. In feite komt dit neer op het hanteren van een eenvoudig kapitaalscriterium met de mogelijkheid van tegenbewijs voor zowel de fiscus als de belastingplichtige.
Voor de hoogte van de minimaal vereiste aandelenparticipatie sluit ik aan bij de huidige grens van 95%. Hiermee komt tot uitdrukking dat in beginsel sprake dient te zijn van een volledige eenheid. Overigens is de hoogte van de bezitseis minder belangrijk, nu in mijn voorstel wordt uitgegaan van een materieel-economische benadering waarin deze eis slechts dient als weerlegbaar vermoeden van verbondenheid.
Op basis van het vorenstaande zou ik de contouren van de regeling van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting als volgt willen schetsen:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van 95% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 95%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van 95% van de stemrechten.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat er ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 95%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
Dit begrip ‘fiscale eenheid’ kan worden gehanteerd voor de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting. Voorts kan het dienen bij de introductie van een fiscale eenheid voor de loonbelasting en ter vervanging van het concernbegrip in de internere-organisatievrijstelling voor de overdrachtsbelasting. In enigszins aangepaste vorm, namelijk met een bezitscriterium van 100% in plaats van 95%, kan het begrip ook worden gebruikt voor de belastingplicht van ‘indirecte’ overheidsbedrijven in art. 2 lid 7 Wet VPB 1969.