Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.4.8:4.4.8 Conclusie
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.4.8
4.4.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS497569:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf (4.3) is geconcludeerd dat het wenselijk is om artikel 6:212 te beperken tot vermogensverschuivingen. Een dergelijke beperking is alleen mogelijk door een bepaalde invulling te geven aan de woorden ‘verrijking’ en ‘ten koste van een ander’ in artikel 6:212 en aan het vereiste van een voldoende verband tussen de verrijking en de verarming. In deze paragraaf is daarom onderzocht welke uitleg van deze vereisten wenselijk is.
Als eerste is het verrijkingsvereiste onderzocht. In de literatuur en rechtspraak wordt vaak aangenomen dat iemand is verrijkt als zijn vermogen is toegenomen. In de parlementaire geschiedenis, literatuur en rechtspraak wordt opgemerkt dat een vermogen kan toenemen door een toename van het actief, het afwenden van schade, een afname van het passief (schulden) en door het gebruik van goederen van een ander of de daarmee verband houdende besparingen van uitgaven. Het is echter gebleken dat deze vormen van het genieten van voordeel tegelijkertijd kunnen voorkomen, terwijl zij niet even groot hoeven te zijn. Wat dan precies kan worden gevorderd door de verarmde is dan niet duidelijk.
Een alternatieve benadering is daarom wenselijk. Deze kan worden ontwikkeld door voorop te stellen dat ‘verrijking’ een causaal begrip is. Er moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie waarin zich een verrijkingsfeit – een feit/gebeurtenis dat de verrijking heeft veroorzaakt – heeft voorgedaan en de denkbeeldige situatie waarin dit verrijkingsfeit zich niet heeft voorgedaan. In de alternatieve benadering is het dan ook noodzakelijk om verrijkingsfeiten in kaart te brengen.
Voor een inventarisatie van mogelijke verrijkingsfeiten bleek het nodig om het verarmingsvereiste te onderzoeken, welk vereiste ligt besloten in de woorden ‘schade’ en ‘ten koste van’ in artikel 6:212. Een verrijking – die wordt veroorzaakt door een verrijkingsfeit – moet immers voortvloeien uit het vermogen van de schuldeiser. Ik heb onderzocht of het verarmingsvereiste inhoudt dat de schuldeiser concrete schade dient te hebben geleden. Ik meen dat een dergelijke uitleg niet wenselijk is. Zij zou tot gevolg hebben dat een verbintenis tot afdracht van een verrijking niet ontstaat in gevallen waarin de verrijkte heeft geprofiteerd van een inbreuk op een exclusieve rechtspositie (zoals het eigendomsrecht), terwijl de rechthebbende tot die rechtspositie geen concrete schade heeft geleden. In dergelijke gevallen is het echter wel wenselijk dat een verbintenis tot afdracht van een verrijking ontstaat. Met het oog daarop ben ik tot de conclusie gekomen dat het verarmingsvereiste niet de omvang van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking behoort in te perken, maar dat het enkel en alleen dient om de partij aan te kunnen wijzen die de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan instellen. Naar mijn mening is een dergelijke, nieuwe uitleg van de woorden ‘schade’ en ‘ten koste van’ in artikel 6:212 mogelijk zonder ingrijpen van de wetgever.
Vervolgens is onderzocht welke feiten waarbij de verrijking voortvloeit uit het vermogen van de verrijkingsschuldeiser, een verrijking veroorzaken. Geïnspireerd door het Duitse recht heb ik twee categorieën feiten onderscheiden: prestaties en inbreuken op exclusieve rechtsposities. Andere feiten bleken niet als verrijkingsfeiten te kunnen worden aangemerkt.
Ten slotte is geconcludeerd dat deze categorisering een systematische inperking van artikel 6:212 mogelijk maakt. Als wordt aanvaard dat (alle soorten) prestaties onder het bereik van artikel 6:203 vallen, kan artikel 6:212 worden beperkt tot rechtsinbreuken.