Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/7.2.2
7.2.2 Overgangsmaatregelen
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS418622:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Kappelle 2000, p. 68.
Van Leijenhorst 1999, p. 410.
Zo ook Popelier 1999a, p. 195 en Notitie SV, p. 22. Zie par. 7.2.1.2.
Popelier duidt dit aspect aan als technische handhaafbaarheid. Het Bundesverfassungsgericht spreekt over ‘Praktikabilität’ of van administratieve economie, zie Popelier 1997, p. 346.
Zie bijv. hfdst. 2 art. I onderdeel Db Inv.w. Wet IB 2001 waarin wordt verwezen naar artikelen die nimmer tot wet zijn verheven.
Kappelle 1999, p. 1566 doet een suggestie tot aanpassing van hfdst. 2 art. I onderdeel AN Inv.w. Wet IB 2001, omdat onduidelijk is wat onder een ‘bestaande verzekering’ moet worden verstaan; in HR 4 maart 2005, nr. 39 358, BNB 2005/206 (concl. A-G Overgaauw; m.nt. Freudenthal) was aan de orde wat onder ‘overeengekomen’ moet worden verstaan.
Besluit Staatssecretaris van Financiën 31 maart 2004, nr. CPP2004/130M, BNB 2004/224; ook HvJ EG 14 juli 1983, nr. 224/82 (Meiko), ECR 1983, p. 2539.
Een overgangsmaatregel die aan alle beginselen van behoorlijk overgangsbeleid voldoet, doch voor de overheid of de belastingplichtige moeilijk uitvoerbaar is, is geen goede overgangsmaatregel. Indien naast de gederfde belastingopbrengsten rekening wordt gehouden met de aan een overgangsmaatregel verbonden uitvoeringskosten, kan een moeilijk uitvoerbare begunstigende overgangsmaatregel uit financieel oogpunt wellicht beter worden vervangen door een eenvoudiger, maar voor de belastingplichtige nóg gunstiger overgangsmaatregel. In het onderzoek van Kappelle heeft één van de respondenten aangegeven dat moeilijk uitvoerbare wetgeving leidt tot ongelijkheden die het vertrouwen ondermijnen.1
Bij de belastingherziening 2001 heeft het vereiste van uitvoerbaarheid geleid tot een relatief gunstige overgangsmaatregel met betrekking tot de verrekening van oude verliezen:2
‘Naast het hiervoor genoemde uitgangspunt is een ander uitgangspunt dat de overgangsregeling eenvoudig uitvoerbaar moet zijn. Dit tweede uitgangspunt weegt hier zwaarder. De verrekening van oude verliezen is daarom beperkt tot box I, zodat de regeling eenvoudig uitvoerbaar is. Bij verrekening van oude verliezen met inkomen uit box III zou die mogelijkheid speciaal gecreëerd moeten worden, waar thans het forfaitair rendement geen regeling kent voor verliesverrekening (...).’
Als punten ter beoordeling van de uitvoerbaarheid van een overgangsmaatregel noemt Van Leijenhorst: 3
de duur van een overgangsmaatregel;4
de mate waarin de fiscus in de toekomst over informatie beschikt om de toepassing van de overgangsmaatregel te controleren (handhaafbaarheid);5 en
de mate waarin een overgangsmaatregel tot ‘extra productieslagen’ in de aanslagregeling leidt.
Andere punten die de uitvoerbaarheid kunnen beïnvloeden zijn mijns inziens:
de voorwaarden waaraan moet worden voldaan;
verwijzingen naar nimmer tot wet verheven wetteksten;6
het aantal open normen;
het aantal vage termen; en7
de complexiteit van een regel.
Indien een overgangsmaatregel voorwaarden stelt waaraan niet kan worden voldaan omdat zij redelijkerwijs niet haalbaar zijn, of aan de voorwaarden moest worden voldaan op een moment dat zij nog niet bekend waren, is een overgangsmaatregel niet goed uitvoerbaar. Zo is bijvoorbeeld met betrekking tot hfdst. 2 art. I onderdeel AM Inv.w. Wet IB 2001 laatstelijk op 31 maart 2004 een besluit afgegeven op grond waarvan een kapitaalverzekering naar box 3 kon worden overgebracht, mits het verzoek tot aanpassing van de polis aan de verzekeraar uiterlijk is gedaan op 31 december 2003 en de polis op die datum is aangepast.8 De voorwaarden kunnen bovendien zodanig zijn dat zij leiden tot een toename van de administratieve lasten. Uit het oogpunt van administratieve lastenverlichting is een dergelijk overgangsregime niet gewenst. Voor een overgangsregime waaraan veel administratieve lasten zijn verbonden of voor een regime dat zodanig complex is dat een adviseur moet worden geraadpleegd, zal bovendien minder draagvlak zijn (par. 8.2.1.3).
Bij een ex post beoordeling van getroffen overgangsmaatregelen kan voorts het aantal beleidsbesluiten dat naar aanleiding van een overgangsmaatregel is afgegeven, een maatstaf vormen voor de beoordeling of een overgangsmaatregel duidelijk is geweest.