Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.8.3
8.3.8.3 De bescherming van een vuistpandhouder tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS413475:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1198 lid 5 OBW. Vgl. Salomons 1997, p. 337.
Hof ’s-Gravenhage 16 februari 1989, SES 1990,19 (Boekhout/Vaheco).
Van Hoof 2013.
Vgl. A-G Wuisman in zijn conclusie bij het arrest HR 22 februari 2008, JOR 2008/ 118 (Meibergen/Bouma q.q. en ABN Amro). In deze zaak concludeerde de A-G dat de vuistpandhouder niet te goeder trouw was, omdat de vuistpandhouder het eigendomsvoorbehoud kende. Zo ook: Haentjens 2008, p. 132.
HR 6 januari 1961, NJ 1962/19 (Seneca/Forumbank) m.nt. L.E.H. R.
HR 6 januari 1961, NJ 1962/19 (Seneca/Forumbank) m.nt. L.E.H. R.
In 1936 kwam daar door de wettelijke regeling van de huurkoop nog een stil zekerheidsrecht bij. Huurkoop was reeds eerder erkend in de jurisprudentie. Zie: Jansen 1999, p. 10 e.v.
Heeft de invulling van de goede trouw ook voor de latere vuistpandhouder de rol van het specialiteitsbeginsel overgenomen? Net als een verkrijger moest een latere vuistpandhouder te goeder trouw zijn voor de bescherming tegen een eerdere zekerheidsoverdracht.1 Hij was niet te goeder trouw als hij de beschikkingsonbevoegdheid kende of behoorde te kennen. Evenals een verkrijger kon een vuistpandhouder onder bepaalde omstandigheden vermoeden dat de wederpartij haar zaken aan een andere schuldeiser tot zekerheid had verbonden. Net als voor de verkrijger heeft de rechter geoordeeld dat een vuistpandhouder die kan vermoeden dat zijn wederpartij slechts eigendom onder opschortende voorwaarde heeft, toch te goeder trouw kon zijn.
In de Boekhout/Vaheco-zaak vervoerde Boekhout zaken die X onder eigendomsvoorbehoud had geleverd aan de opdrachtgever tot vervoer, Vink. In zijn algemene voorwaarden had Boekhout bepaald dat hij een vuistpandrecht zou hebben op alle zaken die hij ter vervoer onder zich zou hebben.2 Vink ging failliet en diens borg, Vaheco, betwistte het vuistpandrecht van Boekhout. Vaheco stelde zich op het standpunt dat Boekhout niet te goeder trouw was en dus niet werd beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid die het gevolg was van het eigendomsvoorbehoud van X. Het Hof ’s-Gravenhage oordeelde:
‘Deze goede trouw is ook dan bij Boekhout aanwezig, indien Boekhout het bestaan van een eigendomsvoorbehoud kon vermoeden, maar geen reden had eraan te twijfelen of het tot een normale afwikkeling zou komen van de transacties tussen Vink en de Duitse leveranciers. Tussen pp. staat onweersproken vast dat Boekhout eerdere soortgelijke transporten voor Vink had verzorgd, waarbij zich nooit problemen hadden voorgedaan. Slechts indien Boekhout kon vermoeden en te weten kon komen, dat Vink deze keer aan zijn betalingsverplichtingen jegens zijn leveranciers niet zou (kunnen) voldoen dient goede trouw bij Boekhout afwezig te worden geoordeeld.‘
Eerder3 schreef ik dat een vuistpandhouder te goeder trouw was als hij weliswaar kon vermoeden dat de pandgever beschikkingsonbevoegd was ten gevolge van een eigendomsvoorbehoud, maar hij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de verkoper onder eigendomsvoorbehoud het zekerheidsrecht niet zou uitoefenen.4 Hij was bijvoorbeeld niet te goeder trouw als hij kon vermoeden dat de schuldenaar tekort zou schieten jegens de verkoper onder eigendomsvoorbehoud. Deze maatstaf was vergelijkbaar met de bescherming van een vuistpandhouder tegen de uitoefening van het recht van reclame door een schuldeiser van zijn wederpartij. In het arrest Seneca/Forumbank uit 1961 had Seneca verschillende pelterijen (bontjassen) verkocht en geleverd aan Van Loon & Co.5 Deze had de pelterijen in vuistpand gegeven aan zijn schuldeiser, de Forumbank. De koopprijs bleef echter onbetaald. Seneca heeft ontbinding van de koopovereenkomst gevorderd en de zaken bij de bank gereclameerd. Forumbank meende echter tegen het recht van reclame te zijn beschermd, omdat hij te goeder trouw was. Seneca betwistte de goede trouw en de Hoge Raad oordeelde dat ‘goede trouw mag worden aangenomen, niet alleen wanneer deze (Forumbank, VvH) niet heeft geweten – en niet heeft behoeven te weten – dat de koopovereenkomst op grond waarvan zijn verkoper of pandgever die goederen verkreeg van diens zijde nog niet was afgewikkeld, maar ook, indien hem dit wel bekend was, doch voor hem geen redenen bestonden om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van die koopovereenkomst noch om bedacht te zijn op de mogelijkheid van wanprestatie en ontbinding.’6
Op basis van deze twee uitspraken is het onwaarschijnlijk dat een vuistpandhouder die het bestaan van een eerdere eigendomsoverdracht kon vermoeden, te goeder trouw was als hij bekend was met de financiële problemen van zijn schuldenaar. Hij mocht er in dat geval niet van uit gaan dat de zekerheidseigenaar het stille zekerheidsrecht niet zou uitoefenen. Een verkrijger daarentegen mocht aannemen dat een schuldeiser met zekerheidseigendom de betalingsmoeilijkheden van de vervreemder ook kende en onbezwaarde vervreemding toestond, zolang hij zijn stille zekerheidsrecht niet omzette in zekerheidseigendom met macht over de zaak. Een vuistpandhouder kon niet redelijkerwijs vermoeden dat een zekerheidseigenaar toestemming aan de schuldenaar had gegeven om de zaken onbezwaard te verpanden. Er waren bijzondere omstandigheden nodig die de verwachting rechtvaardigden dat een eventueel aanwezige zekerheidseigenaar zijn stille zekerheidsrecht niet zou uitoefenen.
De invulling van de goede trouw heeft voor een latere vuistpandhouder de rol van het specialiteitsbeginsel niet volledig overgenomen. Het specialiteitsbeginsel bood een vuistpandhouder namelijk de zekerheid dat de zaak die hij onder zich kreeg in ieder geval niet aan een andere schuldeiser was verpand. In het Rooms-Hollandse recht werd dit doel bereikt door de regel ‘roerend goed heeft geen gevolg.’ De erkenning van de zekerheidsoverdracht met levering constituto possessorio had tot gevolg dat een latere vuistpandhouder kon worden geconfronteerd met een eerdere zekerheidsoverdracht. Hij verloor met andere woorden de zekerheid dat hij niet geconfronteerd kon worden met een eerder gevestigd stil zekerheidsrecht.7 De vuistpandhouder werd niet beschermd, indien hij het zekerheidsrecht kende of behoorde te kennen. Indien hij een eerdere zekerheidsoverdracht vermoedde, was hij slechts te goeder trouw indien hij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de zekerheidseigenaar het zekerheidsrecht niet zou uitoefenen. Een verkrijger om baat mocht dit snel, maar een vuistpandhouder niet. Dit resultaat toont aan dat de rechter het doel dat de wetgever met het specialiteitsbeginsel wilde bereiken, uit het oog was verloren. De beperkte bescherming van een vuistpandhouder werkte oververzekering van een eerste schuldeiser in de hand.