Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.2.3:5.2.3 Wet op de vermogensbelasting 1964
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.2.3
5.2.3 Wet op de vermogensbelasting 1964
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS349185:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet op de vermogensbelasting 1964, Fiscale encyclopedie De Vakstudie, deel 3, bewerkt door C. Schaap, art. 9, aantekening 110, supplement 151 januari 1993.
A.H.M. Daniëls, De waardering van bedrijfsmiddelen op bedrijfswaarde, FED 1986/1225, blz. 4343.
Paragraaf 10, derde lid, Beschikking van 13 april 1965, nr. B5/5978, V-N 1965, blz. 329, Korte Toelichting VB.
MvT, blz. 10/ 11.
Ch.P.A. Geppaart, Vermogensbelasting, vierde, geheel herziene druk, blz. 172-174.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Wet op de Vermogensbelasting 1892 was van kracht tot 1 januari 1965 en werd toen vervangen door de Wet op de vermogensbelasting 1964. In hoofdzaak hield deze vervanging een continuering in van heffingsmaatstaven en waarderingsmethoden. De wellicht belangrijkste wijziging betrof het waardebegrip: de plaats van het subjectief gerichte begrip 'geldswaarde' werd ingenomen door het meer objectief gerichte begrip 'de waarde in het economische verkeer'.
Ook onder de huidige wet dienen de bedrijfsmiddelen te worden gewaardeerd in verband met de plaats die zij in de onderneming innemen, dat wil zeggen op de bedrijfswaarde. Volgens Schaap1 is dit tevens de waarde going concern; bij discontinuïteit van de onderneming is de waarderingsmaatstaf namelijk de verkoopwaarde.
Daniëls2 acht de inhoud van het begrip bedrijfswaarde voor de vermogensbelasting vergelijkbaar met dat voor de inkomstenbelasting en wijst erop dat ook bij een goede rentabiliteit van de onderneming (als geheel), het mogelijk is om een bepaald bedrijfsmiddel af te waarderen op lagere bedrijfswaarde. Dit laatste heeft uiteraard alles ermee te maken of de goodwill als een al dan niet zelfstandig bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt en de probleemstelling in welke mate bijvoorbeeld een onroerende zaak een bijdrage aan de winstgevendheid van een onderneming levert.
Blijkens de parlementaire behandeling van art. 9, tweede lid Wet VB 1964 (vanaf 1990 derde lid) ging de wetgever ervan uit dat het behoren tot een economische eenheid in de regel waardeverhogend werkt. Uitgangspunt is bijgevolg een bedrijfswaarde die hoger is dan de boekwaarde van de activa. Een kort citaat uit de korte Toelichting Vermogensbelasting alsmede de Memorie van Toelichting maakt een en ander nog duidelijker: 'Dit betekent dat de vrijwel altijd hogere waarde die in een economische eenheid ligt opgesloten bij de waardering van de afzonderlijke tot die eenheid behorende vermogensbestanddelen tot uitdrukking dient te komen.'3
`Zo zal de meerdere (cursivering GM) draagkracht welke het bestaan van een economische eenheid met zich brengt, in de waardering van de afzonderlijke tot die eenheid behorende vermogensbestanddelen tot uitdrukking dienen te komen. Deze gedachte welke een integrerend bestanddeel uitmaakt van het bovenomschreven criterium, is belichaamd in het tweede lid van de voorgestelde bepaling' 4
Meestal zijn de voorbeelden uit de fiscale wereld niet echt prozaïsch te noemen. Dat dit wel eens het geval kan zijn, bewijst Geppaart5 die in verband met het aspect van de waardeverhogende factor van de economische eenheid, het voorbeeld van de vierspan gebruikt. Samen representeren deze vier paarden (door hun functionele verband als collectief) een hogere waarde dan de optelsom van de vier afzonderlijk gewaardeerde paarden buiten hun functionele verband.