Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.3.2
III.6.3.2 Uiterste wilsbeschikkingen onder voorwaarde
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624626:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Perrick 2013 (4), nr. 193.
Vgl. hiermee een ‘tijdsbepaling’, waarbij het om een zekere toekomstige gebeurtenis gaat. Zie over de erfstelling en het legaat onder tijdsbepaling Asser/Perrick 2013 (4), nr. 207-209. Zie over makingen onder voorwaarde en makingen onder tijdsbepaling ook Verstappen, Handboek Erfrecht 2011, p. 257 e.v.
De vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht (art. 3:38 lid 2 BW).
Asser/Perrick 2013 (4), nr. 193.
Zie hierover F. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 118; Verstappen, Handboek Erfrecht 2011, p. 276.
HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112 en HR 5 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:BI5838, BNB 1998/8.
Hierover werd voorheen nog weleens anders gedacht. Ik verwijs voor een uitgebreid overzicht van de opvattingen in de literatuur die vinden dat een voorwaardelijke ouderlijke boedelverdeling in het geheel ongeldig is en de opvattingen die vinden dat enkel de voorwaarde ongeldig is, maar de ouderlijke boedelverdeling niet (zonder meer) naar de conclusie van A-G Moltmaker bij HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112, onder punt 2.2 en punt 2.4.
Paragraaf 1.3.3.2 ‘De goede zeden of de openbare orde’ onder ‘C’.
Dikke van Dale 2005 omschrijft ‘gebeurtenis’ als ‘iets dat gebeurt of geschiedt, voorval van enig belang’.
Een uiterste wilsbeschikking is een rechtshandeling (art. 4:42 lid 1 BW) en rechtshandelingen kunnen, zoals ik hiervoor reeds opmerkte, in beginsel onder voorwaarde worden verricht (art. 3:38 BW).
Een uiterste wilsbeschikking is voorwaardelijk indien haar werking afhangt van een toekomstige onzekere gebeurtenis (vgl. art. 6:21 BW). Of de gebeurtenis toekomstig en onzeker is, zal moeten worden beoordeeld naar het ogenblik van erflaters overlijden.1 Een ‘voorwaarde’ is anders gezegd een, naar het ogenblik van erflaters overlijden te beoordelen, toekomstige onzekere gebeurtenis.2 Deze toekomstige onzekere gebeurtenis kan door erflater opschortend (bijvoorbeeld ‘indien’) of ontbindend (bijvoorbeeld ‘tenzij’) zijn verwoord en kan tevens aan een tijdstip, zoals het moment van erflaters overlijden, gebonden zijn. Bijvoorbeeld: ‘X krijgt mijn Volvo gelegateerd, indien X op het moment van mijn overlijden een rijbewijs heeft.’ Is dit het geval op het moment van erflaters overlijden dan is de beschikking onvoorwaardelijk. De opschortende voorwaarde is dan immers vervuld.3 Is dit evenwel niet het geval op het moment van erflaters overlijden, dan heeft de beschikking geen effect en zal zij vervallen.4
Op grond van art. 3:38 lid 1 BW dient de wet of de aard van de uiterste wilsbeschikking zich evenwel niet tegen een voorwaardelijk karakter te verzetten. Dat is bijvoorbeeld wel het geval indien men aan de wettelijke verdeling een voorwaarde wil verbinden. Uit het systeem van de wet volgt dat de wettelijke verdeling niet voorwaardelijk kan worden gemaakt.5 Dit gold voor de ouderlijke boedelverdeling evenwel niet. Sinds de arresten HR 17 januari 1996, BNB 1996/112 en HR 5 november 1997, BNB 1998/86 staat buiten kijf dat een voorwaardelijke ouderlijke boedelverdeling geoorloofd is en niet in strijd is met de aard van de beschikking.7 Ik kom op deze voorwaardelijke ouderlijke boedelverdeling in de volgende paragraaf terug.
Verzet de aard van de uiterste wilsbeschikking zich overigens niet tegen een voorwaardelijk karakter, dan kan op grond van art. 4:45 BW de voorwaarde desalniettemin voor niet geschreven worden gehouden, indien haar vervulling onmogelijk is, zij in strijd is met de goede zeden, openbare orde of een dwingende wetsbepaling. Of indien zij de strekking heeft om de bevoegdheid tot vervreemding of bezwaring van goederen uit te sluiten. Ik wees hierop reeds in paragraaf 1.3.3.2, in het kader van de grenzen van de testeervrijheid.8 Is aan een making een voorwaarde toegevoegd die dertig jaren na het overlijden van erflater nog niet is vervuld, dan vervalt de beschikking wanneer het een opschortende voorwaarde is. Is het een ontbindende voorwaarde dan vervalt de voorwaarde (art. 4:140 BW), behoudens het bepaalde in art. 4:141 BW. Ik kom op art. 4:141 BW kort terug in paragraaf 6.5.3.1. Het bepaalde in art. 4:140 lid 1 BW geldt overigens ook voor de voorwaardelijke last als bedoeld in art. 4:133 BW (art. 4:133 lid 3 BW). Op de voorwaardelijke last ga ik nader in, in paragraaf 6.5.5.
Andere beperkingen ten aanzien van de voorwaarde stelt de wet in het erfrecht niet. Binnen de grenzen van de testeervrijheid en met inachtneming van de aard van de uiterste wilsbeschikking is het dus mogelijk om voorwaarden aan uiterste wilsbeschikkingen te verbinden (vgl. ook afdeling 4.5.5 BW). En hiermee kan vervolgens de werking van een uiterste wilsbeschikking worden beïnvloed.
De inhoud van een voorwaarde (de toekomstige onzekere gebeurtenis) kan erflater, gelet op zijn testeervrijheid, naar eigen inzicht bepalen. Vanuit dit oogpunt bekeken, zou het voor erflater dan ook mogelijk moeten zijn om de werking van een beschikking af te laten hangen van andermans wil. De vraag kan evenwel worden gesteld of de clausule waarin de beschikking afhankelijk wordt gemaakt van andermans wil, kan worden aangemerkt als een (toekomstige en onzekere) gebeurtenis. Betoogd kan enerzijds worden dat een (toekomstige en onzekere) ‘gebeurtenis’ niet hetzelfde is als een (toekomstige en onzekere) ‘wil’.9 Doch anderzijds kan worden betoogd dat ook in het geval de beschikking afhankelijk wordt gemaakt van andermans wil, er impliciet sprake is van een gebeurtenis. De wil zal immers kenbaar gemaakt moeten worden wanneer degene die van de (‘tenzij’- of ‘indien’-) clausule gebruik kan maken dit wil. In het verklaren van de wil (waarvoor erflater overigens in zijn uiterste wil nog een vorm kan voorschrijven) ligt met andere woorden het plaatsvinden van een gebeurtenis besloten en in zoverre kan er, ook indien een beschikking afhankelijk is gemaakt van andermans wil, mijns inziens dan ook worden gesproken van een onzekere toekomstige gebeurtenis. Ofwel van een voorwaarde, zij het een voorwaarde met een wilsafhankelijk element. Hoe gaat men om met dergelijke voorwaarden in het algemene vermogensrecht? En wat kan hieruit worden afgeleid voor het erfrecht? Alvorens ik op deze vraag inga, geef ik alvast een voorbeeld van een belangrijke wilsafhankelijke voorwaarde die werd toegestaan in het oude erfrecht: de voorwaardelijke ouderlijke boedelverdeling.