Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.4.2
4.2 De wijziging van de structuurregeling
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS387680:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
M. Brink, ‘De structuurregeling ter discussie’, in Brink e.a. 1998, p. 123. Hij verwijst naar P.C. van den Hoek, ‘De toekomst van de structuurregeling’, TVVS 92/11, p. 275.
De Nijs Bik 2004, p. 6.
SER-advies over het functioneren en de toekomst van de structuurregeling, uitgave van de Sociaal-Economische Raad 19 januari 2001, nr. 2 (‘SER-advies Structuurregeling’).
SER-advies Structuurregeling, p. 41.
SER-advies Structuurregeling, p. 52.
Kamerstukken II 2001-2002, 28 179, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken II 2001-2002, 28 179, nr. 3, p. 16. Zie Bannier 2003 en Witteveen 2003.
Aan het einde van de twintigste eeuw is het functioneren van de structuurregeling onder druk komen te staan. De regeling was ontstaan als gevolg van juridische en maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder de discussie over corporate governance in Nederland, beschermingsconstructies en de dertiende EG-richtlijn over het openbaar bod.1 Meer in het algemeen werd de roep om een sterkere invloed van aandeelhouders luider.2 In 2001 adviseerde de SER over het functioneren van de structuurregeling en meende hij dat er aanleiding bestond om de benoemingsregeling van de raad van commissarissen te herzien.3
Onder de noemer “onderwerpen die voor de raad niet ter discussie staan” formuleerde de SER een belangrijk uitgangspunt bij het advies. Hij memoreerde dat de centrale doelstelling van de structuurregeling was om de zeggenschap van werknemers te verankeren in de structuur van de grote onderneming door hun invloed toe te kennen op de samenstelling van de raad van commissarissen. De SER vervolgde: “De raad onderschrijft ook vandaag deze destijds aan de structuurregeling ten grondslag gelegde doelstelling. De medezeggenschap van de werknemers bij de samenstelling van de RvC van de structuurvennootschap is, naar de raad meent, een maatschappelijke verworvenheid die moet worden behouden. Ook in de huidige situatie, waarin de druk tot versterking van de positie van kapitaalverschaffers is toegenomen, dienen werknemers betrokken te zijn bij de samenstelling van het toezichthoudend orgaan van de grote onderneming.”4 Er werd gezocht naar een nieuw evenwicht in de invloed van de algemene vergadering en de ondernemingsraad op de benoeming van de raad van commissarissen. Dit zou kunnen worden gevonden door het beginsel van coöptatie te verlaten en de bevoegdheid tot benoeming van commissarissen weer in handen van de algemene vergadering te brengen. Dat benoemingsrecht van de algemene vergadering ging gepaard met het recht van versterkte aanbeveling van eenderde van de raad van commissarissen door de ondernemingsraad, waartegen de raad van commissarissen bezwaar zou kunnen maken.5
Dit SER-advies vormde de basis voor de structuurwet zoals deze thans geldt. De wetgever onderschreef de visie van de SER dat ook in de huidige tijd de verplicht voorgeschreven vennootschappelijke structuur met een bestuursorgaan en een afzonderlijk toezichthoudend orgaan de beste waarborg vormde voor een goed functionerende bestuurlijke inrichting van grote ondernemingen. Daarnaast sloot de wetgever zich aan bij de visie van de SER dat de structuurregeling, naast de invloed van kapitaalverschaffers, ook de zeggenschap van werknemers moest (blijven) verankeren. De structuurregeling zoals die thans luidt is enerzijds bedoeld om een grotere rol te creëren voor de algemene vergadering van aandeelhouders en de ondernemingsraad bij de benoeming van de leden van de raad van commissarissen, maar anderzijds om de versterking van de positie van kapitaalverschaffers in het algemeen te bewerkstelligen. Uit empirisch onderzoek concludeerde de wetgever dat het ook in 2004 aannemelijk kon worden geacht dat de structuurregeling door internationale ondernemingen niet zo negatief werd beoordeeld als wel was verondersteld.6 Zo koos de wetgever, dertig jaar na de invoering van de structuurregeling, nadrukkelijk voor handhaving van de kernbepalingen van deze vorm van medezeggenschap.7