Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.2.3.3
12.2.3.3 Aansprakelijkheid eisende partij en executant
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 april 1933, NJ 1933, 1038 en HR 19 mei 2000, NJ 2000, 603 m.nt. Snijders.
HR 6 april 2012, NJ 2012/233 (Grand Café/Achmea).
Idem.
HR 19 februari 1999, NJ 1999, 367, HR 8 februari 2008, NJ 2008/92 (Bruns c.s./Golden Anchor Club c.s.) met verwijzigingen naar verdere rechtspraak. Zie echter ook HR 19 februari 2016, NJ 2016, 343 m.nt. Verkade.
HR 19 mei 2000, NJ 2000, 603 m.nt. Snijders.
HR 15 april 1965, NJ 1965, 331.
Zie par. 12.2.2.3.
HR 19 februari 1999, NJ 1999/367 en HR 1 april 2016, NJ 2016, 189.
HR 1 april 2016, NJ 2016, 189.
De partij die een civielrechtelijke uitspraak heeft uitgelokt die vervolgens wordt vernietigd, heeft niet onrechtmatig gehandeld.1 Het recht om een civielrechtelijke procedure te entameren, kan weliswaar worden misbruikt en ook op onrechtmatige wijze worden gebruikt, maar daarvan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.2 Bij het beoordelen daarvan past voorts terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.3
In andere gevallen is pas sprake van onrechtmatig handelen, indien het vonnis ten uitvoer wordt gelegd4 of daarmee wordt gedreigd.5 De executant kan zich in dat kader niet verschuilen achter het argument dat, ten tijde van de executie of dreiging daarmee, de desbetreffende rechterlijke uitspraak nog niet vernietigd was en hij ervan mocht uitgaan dat de lagere rechter zijn werk goed had gedaan.
In die zin is er dus een verschil tussen de executant en derden die vertrouwen op een rechterlijke uitspraak die later vernietigd wordt (zoals de derde die een zaak geleverd krijgt tussen het moment dat een beslag op die zaak is opgeheven en de vernietiging van de uitspraak waarin die opheffing was uitgesproken; of de derde die zaken doet met een curator vóórdat de faillietverklaring wordt vernietigd, verwezen zij naar par. 12.2.2.2 en 12.2.2.3). Een overeenkomst is dan weer dat zowel de executant als de derde zich niet de vraag hoeven te stellen hoe groot de slagingskansen van een rechtsmiddel zijn. Ongeacht de slagingskansen is de executant aansprakelijk, terwijl de derde beschermd wordt.
Dat het tenuitvoerleggen van een civielrechtelijke uitspraak een onrechtmatige daad oplevert, indien de desbetreffende uitspraak later vernietigd wordt, is veelal ook logisch. Het ten uitvoerleggen van een civielrechtelijke uitspraak gaat immers veelal gepaard met inbreuken op rechten. Door middel van een executoriaal beslag wordt bijvoorbeeld inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht, omdat het beslag de beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar aantast en door een executoriale verkoop het eigendomsrecht teniet gaat.6 De rechtsgrond van dergelijke inbreuken op rechten komt te vervallen door de vernietiging van het vonnis en wel met terugwerkende kracht.7 Daardoor voldoet de tenuitvoerlegging van de uitspraak door middel van beslaglegging aan de definitie van onrechtmatige daad uit het tweede lid van art. 6:162 BW.
Indien alleen gedreigd wordt met executie, is eveneens sprake van een onrechtmatige daad.8 Ook als het gaat om een veroordeling tot een doen, of nalaten (op straffe van een dwangsom). Het is mij niet bekend of de onrechtmatigheid schuilt in een dreiging met inbreuk op een recht (namelijk door middel executie van dwangsommen), of dat het enkele verlangen van de naleving van een (later vernietigde) veroordeling tot een doen of nalaten reeds onrechtmatig is vanwege strijd met hetgeen men betaamt volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer. De grens tussen dreiging met executie en het verlangen van nakoming van het vonnis is overigens dun. Het door middel van betekening te kennen geven dat nakoming van het vonnis wordt verlangd, kwalificeert als onrechtmatige dreiging met executie.9
Een verdere vraag is of deze onrechtmatige daad aan de executant kan worden toegerekend in de zin van het derde lid van art. 6:162 BW. Kan de executant zich bijvoorbeeld verschuilen achter het argument dat zijn handelen werd gerechtvaardigd door het achteraf vernietigde vonnis. Hiervoor kwam reeds ter sprake dat dit niet het geval is. Het gaat hier om een risicoaansprakelijkheid.