Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.5.2.3
7.5.2.3 Onderscheid verhuur en verhuur plus
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291220:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 98 jo. Bijlage III Btw-richtlijn.
HvJ EG 18 januari 2001, zaak C-150/99, V-N 2001/11.21, r.o. 26 (Stockholm Lindöpark).
HvJ EG 12 september 2000, zaak C-358/97, FED 2001//25, m.nt. Swinkels (Commissie/Ierland) en HvJ EG 12 september 2000, zaak C-359/97, BNB 2000/378, m.nt. Finkensieper (Commissie/Verenigd Koninkrijk).
HvJ EG 12 juni 2003, zaak C-275/01, V-N 2003/34.15 (Sinclair Collins).
HvJ EU 22 januari 2015, zaak C-55/14, V-N 2015/13.18 (Régie communale autonome du stade Luc Varenne).
HvJ EU 16 april 2015, zaak C-42/14, V-N 2015/22.19.9, r.o. 42 (Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie).
J.A.M. Leijten, ‘Verhuur-plus, één met btw-belaste dienst of toch niet?’, WFR 2013/868, p. 873.
R.J. van der Zwan, ‘Begrip verhuur van een onroerende zaak in de BTW: actief of passief?’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2005/3-4, p. 15.
HR 23 november 2012, nr. 11/03325, BNB 2013/43, m.nt. Zadelhoff, r.o. 3.4, HR 30 november 2012, nr. 11/02842, BNB 2013/45, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4 en HR 7 december 2012, nr. 10/02532, BNB 2013/46, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 5.2.3.
HR 7 december 2012, nr. 10/02532, BNB 2013/46, m.nt. Van Zadelhoff.
HR 6 december 2013, nr. 12/03383, BNB 2014/22, m.nt. Van Zadelhoff, HR 6 december 2013, nr. 12/04443, BNB 2014/23, m.nt. Van Zadelhoff en HR 6 december 2013, nr. 13/01408, BNB 2014/24, m.nt. Van Zadelhoff.
HR 6 december 2013, nr. 12/04443, BNB 2014/23, m.nt. Van Zadelhoff.
HR 6 december 2013, nr. 12/03383, BNB 2014/22, m.nt. Van Zadelhoff en HR 6 december 2013, nr. 13/01408, BNB 2014/24, m.nt. Van Zadelhoff.
Vanuit het oogpunt van transparantie merk ik op dat ik in HR 6 december 2013, nr. 13/01408, BNB 2014/24, m.nt. Van Zadelhoff als gemachtigde van de exploitant ben opgetreden.
Hof ’s Hertogenbosch 20 mei 2016, nr. 14/00625, V-N 2016/51.1.3. De Hoge Raad heeft dit oordeel in stand gelaten (HR 20 april 2018, nr. 16/03303, BNB 2018/127, m.nt. Van Zadelhoff). Uit dit arrest volgt niet dat de Hoge Raad het (feitelijke) oordeel van het hof onderschrijft (in soortgelijke zin: Van Zadelhoff, noot bij HR 20 april 2018, nr. 16/03303, BNB 2018/127; anders: Gomes Vale Viga, noot bij HR 20 april 2018, nr. 16/03303, FED 2018/130). De Hoge Raad heeft in dit arrest slechts duidelijk gemaakt dat het oordeel van Hof ‘s Hertogenbosch geen blijk geeft van een onjuiste maatstaf, de omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen relevant kunnen zijn en dat het hof geen omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten die wel relevant kunnen zijn (M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Deventer: Kluwer 2014, p. 440).
Hof ’s Hertogenbosch 28 juli 2011, nr. 08/00708, V-N 2011/52.1.4. Het cassatieberoep tegen deze uitspraak is door de Hoge Raad afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO (HR 30 november 2012, nr. 11/04064, ECLI:NL:HR:2012:BY4582). Uit dit arrest volgt niet dat de Hoge Raad het oordeel van het hof inhoudelijk onderschrijft (anders: P. Tielemans, ‘Vrijgestelde verhuur onroerende zaak of btw-belaste dienst?’, BtwBrief 2013/16, p. 11 en M.W.C. Soltysik, ‘Verhuur(+) en BTW: zit de Hoge Raad (nog) op de juiste lijn?’, WFR 2015/7103, p. 829). Ook de verwevenheid van het oordeel van Hof ’s Hertogenbosch met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst, kan immers de aanleiding zijn geweest voor de toepassing van art. 81 lid 1 RO in deze zaak.
Het onderscheid tussen verhuur van onroerend en verhuur plus is op grond van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn van belang. Is een dienst geen verhuur, dan blijft de poort tot de vrijstelling van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn gesloten. Daarnaast kan de verhuur van onroerend goed in beginsel alleen belast zijn indien gekozen is voor belaste verhuur, terwijl verhuur plus van rechtswege belast is. Omdat bij verhuur plus geen sprake is van een keuze voor btw-heffing gelden er voor deze dienst ook geen (beperkende) keuzevoorwaarden. Hoewel in beginsel zowel bij een optie voor belaste verhuur van onroerend goed als verhuur plus het algemene btw-tarief van toepassing is, hoeft dit niet altijd zo te zijn. Bij een keuze voor belaste verhuur van onroerend geldt nimmer het verlaagde btw-tarief1, terwijl dit bij verhuur plus niet uitgesloten is. Het recht gebruik te maken van sportaccommodaties mag immers belast worden tegen het verlaagde btw-tarief.2
Uit het onderscheid dat het Hof van Justitie maakt tussen de verhuur van onroerend goed enerzijds en verhuur plus anderzijds, blijkt dat het bij laatstgenoemde diensten altijd gaat om een activiteit als ondernemer (lees: een activiteit als producent, handelaar of dienstverrichter) én een activiteit betreft die beter wordt gekarakteriseerd door een andere prestatie dan de enkele terbeschikkingstelling van een onroerend goed. Met andere woorden: het gaat de afnemer niet (primair) om de enkele terbeschikkingstelling van het onroerend goed, maar om iets anders. Dit ‘iets anders’ kan erin bestaan dat de overeengekomen tijdsduur in het geheel geen rol speelt (bijv. het recht om een tolweg te gebruiken) of dat de overeengekomen tijdsduur wel van belang is, maar het de afnemer primair te doen is om een mééromvattende prestatie dan de enkele terbeschikkingstelling van een onroerend goed, een ‘all-in-terbeschikkingstelling’ van het onroerend goed. Blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad kan bij verhuur plus gedacht kan worden aan: het recht om een golfterrein te gebruiken3, het recht een brug of weg te gebruiken tegen betaling van tol4, het recht om een sigarettenautomaat te plaatsen in een bedrijfsruimte5, het recht om een voetbalstadion te gebruiken voor voetbalwedstrijden6, de ‘verhuur’ van (werkruimte in) sleutelklare kantoren7 (de zogenoemde ‘full service huurconcepten’8 of ‘all-inverhuur’9), de kortdurende terbeschikkingstelling van een ingerichte werkkamer (en een vitrine) aan een prostituee in combinatie met de daarmee gepaard gaande beheerdiensten door de exploitant van het raamprostitutiebedrijf10 en de kortdurende terbeschikkingstelling van een theaterzaal in combinatie met het gebruik van de foyer en de kleedkamers alsmede het ter beschikking stellen van theatertechnici en van personeel dat het bezoekend publiek begeleidt11.
De terbeschikkingstelling van een ingerichte werkkamer (en een vitrine) aan een prostituee door de exploitant van een raamprostitutiebedrijf kwalificeert niet altijd als verhuur plus. Omdat een exploitant van een raamprostitutiebedrijf op grond van de exploitatievergunning normaliter gehouden is om (beheer)diensten verrichten, zoals het houden van toezicht en het waarborgen van de veiligheid van de prostituees en de klanten, de terbeschikkingstelling van douche- en toiletvoorzieningen en de schoonmaak, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze beheerdiensten, behoudens tegenbewijs, geacht worden onderdeel uit te maken van de dienst(en) die de exploitant van het raamprostitutiebedrijf jegens de prostituee verricht.12 De dienst van een exploitant van een raamprostitutiebedrijf kwalificeert daarom in beginsel als verhuur plus. Staat vast dat de beheerdiensten die op grond van de exploitatievergunning moeten worden verricht niet daadwerkelijk zijn verricht, dan is de enkele verplichting om deze diensten te verrichten onvoldoende om verhuur plus aan te nemen en is sprake van de (in beginsel vrijgestelde) verhuur van onroerend goed.13 Worden de beheerdiensten door een derde beheerder verricht, dan kunnen deze diensten naar het oordeel van de Hoge Raad niet aan de exploitant worden toegerekend indien de beheerder deze werkzaamheden uitsluitend op grond van een met de prostituee gesloten overeenkomst voor eigen rekening en risico verricht.14 Ik acht dit oordeel richtlijnconform, omdat de vergunninghouder in dat geval geen andere prestatie verricht dan de terbeschikkingstelling van de ruimten.15 Ook de terbeschikkingstelling van (onroerende) opslagruimte tegen vergoeding in combinatie met aanvullend dienstbetoon, zoals de bewaking, de terbeschikkingstelling van transportwagentjes en/of het ‘gratis’ gebruik van een aanhanger of bestelbus, kan aan te merken zijn als de (in beginsel vrijgestelde) verhuur van onroerend goed.16 Dit is het geval indien het aanvullend dienstbetoon voor de modale huurder bijkomstig is. Of dit het geval is, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden. Ook bij de terbeschikkingstelling van een ingerichte vergader- of samenkomstzaal in een multifunctioneel gebouw in combinatie met aanvullend dienstbetoon, zoals de catering, de terbeschikkingstelling van benodigd materiaal (schrijfmateriaal, beamer, geluidsintallatie, flip-over en/of personeel), schoonmaak, bewaking en toezicht, zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden of sprake is van één dienst en, zo ja, of het aanvullend dienstbetoon vanuit de modale huurder bezien een doel op zich is (zie paragraaf 4.4.4). Alleen als dit het geval is, zal de terbeschikkingstelling van een ingerichte vergader- of samenkomstzaal als verhuur plus kwalificeren.17