Zie HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8977, NJ 2009, 130, m.nt. Buruma en HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1708, NJ 2011/518, m.nt. Reijntjes. Zie eveneens HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5717, NJ 2007, 146.
HR, 10-03-2026, nr. 24/04422
ECLI:NL:HR:2026:376
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-03-2026
- Zaaknummer
24/04422
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:376, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:3749
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1391
ECLI:NL:PHR:2025:1391, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:376
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑05‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑05‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0073
Uitspraak 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Schriftelijke bedreiging onder voorwaarde van toenmalig minister via Instagram, art. 285.1, 285.2 en 285.5 Sr. Uitleg bestanddeel “onder bepaalde voorwaarde” a.b.i. art. 285.2 Sr. Kon hof toepassing geven aan strafverzwarende omstandigheid dat bedreiging “schriftelijk en onder bepaalde voorwaarde” is geschied? In het licht van ratio van art. 285.2 Sr, zoals deze volgt uit totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling, en gelet op plaatsing van bepaling in titel betreffende ‘misdrijven tegen persoonlijke vrijheid’, moet dit artikellid zo worden uitgelegd dat daarin bedoelde ‘voorwaarde’ ertoe moet kunnen leiden dat bedreigde (nader) wordt beperkt in zijn keuze- en handelingsvrijheid. Dit betekent dat aan bedreiging een zodanige voorwaarde wordt verbonden dat het in voldoende mate binnen invloedssfeer van geadresseerde ligt of die voorwaarde al dan niet wordt vervuld. Dit kan i.h.b. aan de orde zijn als strekking van voorwaarde is, dat geadresseerde een bepaalde gedraging moet verrichten of juist moet nalaten. Daarbij hoeft voorwaarde niet rechtstreeks betrekking te hebben op gedrag van geadresseerde. Van ‘voorwaarde’ a.b.i. art. 285.2 Sr kan ook sprake zijn als intreding van het door bedreiger beoogde resultaat niet alleen gedraging van geadresseerde vergt, maar mede afhankelijk is van gedrag van anderen. Als daarentegen aan bedreiging een voorwaarde wordt verbonden die geheel buiten invloedsfeer van geadresseerde ligt, dan is (gelet op wat is overwogen over ratio) in art. 285.2 Sr bedoelde strafverzwaringsgrond niet van toepassing. Hof heeft vastgesteld dat verdachte heeft gedreigd dat hij voormalig minister en diens dochter zou vermoorden als ooit zou uitkomen dat longkanker van tante van verdachte het gevolg is van vaccinatie. Op grond daarvan heeft hof geoordeeld dat bewezenverklaarde bedreiging is geschied “onder bepaalde voorwaarde” a.b.i. art. 285.2 Sr. Dit oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. Hof heeft dan ook ten onrechte deze strafverzwarende omstandigheid in kwalificatie opgenomen. Dit leidt bij gebrek aan belang niet tot cassatie. Daarbij is o.m. van belang dat juiste kwalificatie niet leidt tot lager maximum van de op het bewezenverklaarde gestelde straf omdat hof bij kwalificatie ook de in art. 285.5 Sr bedoelde strafverzwarende omstandigheid heeft toegepast (die ziet op bedreiging van ambt- en gezagsdragers). Verder blijkt niet uit motivering van opgelegde taakstraf van 60 uren dat hof strafverzwaringsgrond van art. 285.2 Sr in aanmerking heeft genomen bij strafoplegging. Gelet op dit alles volstaat HR met verbeterd lezen van kwalificatie van bewezenverklaarde. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04422
Datum 10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 november 2024, nummer 23-000590-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat I.J.G. van Raab van Canstein bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de strafverzwarende omstandigheid van artikel 285 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dat de bewezenverklaarde bedreiging ‘schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde’ is geschied.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 30 juli 2023 te [plaats] [voormalig minister] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [voormalig minister] dreigend de woorden toe te voegen: “Bij mijn tante is long k geconstateerd. Altijd gezond geweest maar volledig vaccinatie gehad. Komt het ooit uit dat het door de vaccinatie komt v.ermo.ord ik je @[voormalig minister] inclusief je dochter”.”
3.2.2
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt en terwijl deze wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister”.
3.2.3
Het hof heeft over de kwalificatie overwogen:
“Ook het verweer dat de bedreiging niet onder een voorwaarde zou zijn geschied, wordt verworpen. De eis dat de aangever met de voorwaarde onder druk moet worden gezet om iets te doen, niet te doen of te laten door de bedreiging, waar de verdediging van lijkt uit te gaan, wordt in het tweede lid van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) namelijk niet gesteld. Daarbij merkt het hof op dat een ander wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden onder bedreiging van geweld ook een ander strafbaar feit oplevert, te weten dwang, strafbaar gesteld in artikel 284 Sr. De verdachte heeft gedreigd dat hij de aangever, voormalig minister [...], en diens dochter zou vermoorden als ooit uit zou komen dat de ‘long k’ (het hof begrijpt: longkanker) van zijn tante het gevolg is van de vaccinatie. Hiermee is de bedreiging geschied onder een bepaalde voorwaarde zoals bedoeld in artikel 285, tweede lid, Sr.”
3.3.1
Artikel 285 lid 1, 2 en 5 (oud) Sr is geplaatst in Titel XVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht waarin strafbaar zijn gesteld ‘Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. Deze bepaling – die voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende tekst – luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:
“1. Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt, wordt ze gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
5. Indien het feit, omschreven in het eerste, tweede of derde lid wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister, Staatssecretaris, commissaris van de Koning, gedeputeerde, burgemeester, wethouder, lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, rechterlijk ambtenaar, advocaat, journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, ambtenaar van politie of buitengewoon opsporingsambtenaar wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.”
3.3.2
Tijdens de beraadslagingen van de Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt 1870/1876 (naar haar voorzitter ook Commissie De Wal geheten), die het oorspronkelijk regeringsontwerp van het Wetboek van Strafrecht heeft voorbereid, stelde het commissielid A.E.J. Modderman voor als “casus gravior” (strafverzwarende omstandigheid) te vermelden “de schriftelijke bedreiging met voorwaarde”. Ter ondersteuning van dit voorstel merkte een ander commissielid (A.A. de Pinto) op dat de meerdere “graviteit” (ernst) van zo’n bedreiging in het bijzonder hieruit bestaat dat door het gebruik van de voorwaarde “die zijde van het delict welke blijkens de plaatsing in dezen titel op den voorgrond treedt, namelijk de inbreuk op de persoonlijke vrijheid, (...) zeer wordt verergerd”. Vervolgens is bij meerderheidsbeslissing het voorstel aangenomen om de schriftelijke bedreiging onder voorwaarde als een strafverzwarende omstandigheid op te nemen. (Vgl. A.J.A. van Dorst e.a. (red.), Notulen Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafrecht, 1870/1876 (voorzitter J. de Wal), Deel II, Tilburg 1976, p. 416 tot en met 418.)
3.3.3
In het licht van de ratio van het tweede lid van artikel 285 Sr, zoals deze volgt uit de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis, en gelet op de plaatsing van de bepaling in de titel betreffende ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’, moet dit artikellid zo worden uitgelegd dat de daarin bedoelde ‘voorwaarde’ ertoe moet kunnen leiden dat de bedreigde (nader) wordt beperkt in zijn keuze- en handelingsvrijheid. Dit betekent dat aan de bedreiging een zodanige voorwaarde wordt verbonden dat het in voldoende mate binnen de invloedssfeer van de geadresseerde ligt of die voorwaarde al dan niet wordt vervuld. Dit kan in het bijzonder aan de orde zijn als de strekking van de voorwaarde is, dat de geadresseerde een bepaalde gedraging moet verrichten of juist moet nalaten. Daarbij hoeft de voorwaarde niet rechtstreeks betrekking te hebben op het gedrag van de geadresseerde. Van een ‘voorwaarde’ als bedoeld in artikel 285 lid 2 Sr kan ook sprake zijn als de intreding van het door de bedreiger beoogde resultaat niet alleen een gedraging van de geadresseerde vergt, maar mede afhankelijk is van het gedrag van anderen. Als daarentegen aan de bedreiging een voorwaarde wordt verbonden die geheel buiten de invloedsfeer van de geadresseerde ligt, dan is – gelet op wat hiervoor is overwogen over de ratio – de in het tweede lid van artikel 285 Sr bedoelde strafverzwaringsgrond niet van toepassing.
3.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft gedreigd dat hij voormalig minister [...] en diens dochter zou vermoorden als ooit zou uitkomen dat de longkanker van de tante van de verdachte het gevolg is van vaccinatie. Op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat de bewezenverklaarde bedreiging is geschied “onder een bepaalde voorwaarde” als bedoeld in artikel 285 lid 2 Sr. Dit oordeel getuigt, gelet op wat onder 3.3.3 is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft dan ook ten onrechte deze strafverzwarende omstandigheid in de kwalificatie opgenomen.
3.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld, maar leidt bij gebrek aan belang niet tot cassatie. Daarbij is onder meer van belang dat een juiste kwalificatie niet leidt tot een lager maximum van de op het bewezenverklaarde gestelde straf omdat het hof bij de kwalificatie, zoals weergegeven onder 3.2.2, ook de in het vijfde lid van artikel 285 Sr bedoelde strafverzwarende omstandigheid heeft toegepast (die ziet op de bedreiging van ambt- en gezagsdragers). Verder blijkt niet uit de motivering van de opgelegde taakstraf van zestig uren dat het hof de strafverzwaringsgrond van het tweede lid van artikel 285 Sr in aanmerking heeft genomen bij de strafoplegging. Gelet op dit alles volstaat de Hoge Raad met het verbeterd lezen van de kwalificatie van het bewezenverklaarde.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie PG. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt en terwijl deze wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister (art. 285 lid 1 i.s.m. art. 285 lid 2 en art. 285 lid 5 Sr). Klachten over afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het feit de verdachte wegens een psychische stoornis niet kan worden toegerekend (M1) en dat bij de aangever door de gedane uitlatingen geen redelijke vrees kon ontstaan (M2). Tevens (rechts)klacht over het oordeel van het hof dat de bedreiging is geschied onder een voorwaarde a.b.i. art. 285 lid 2 Sr (M3). M1 en M2 falen. M3: de PG is van oordeel dat een voorwaarde a.b.i. art. 285 lid 2 Sr geschikt dient te zijn de keuze- en handelingsvrijheid van de geadresseerde nader in te perken. M3 klaagt daarover op zichzelf terecht, maar het middel hoeft niet tot cassatie te leiden. De PG geeft de Hoge Raad in overweging te volstaan met een verbeterde lezing van de kwalificatie.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04422
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte
1
De verdachte is – met bevestiging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, behalve ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging – bij arrest van 25 november 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-000590-24) wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt en terwijl deze wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.
2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. I.J.G. van Raab van Canstein, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Op 20 mei 2025, binnen de termijn als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv, is door de raadsman nog een schriftuur ingediend, waarin een aanvullende toelichting op het tweede middel is opgenomen.
De zaak
3
Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 30 juli 2023 is een openbaar bericht geplaatst onder een door de (toenmalig) Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, [voormalig minister] , op zijn persoonlijke, werkgerelateerde Instagram-account geplaatste video. In dat openbaar bericht is het account van de (toenmalig) minister ‘getagd’. Dit openbaar bericht luidt als volgt: “Bij mijn tante is long k geconstateerd. Altijd gezond geweest maar volledig vaccinatie gehad. Komt het ooit uit dat het door de vaccinatie komt v.ermo.ord ik je@ [voormalig minister] inclusief je dochter”.
4
Het hof heeft in het bestreden arrest vastgesteld dat het desbetreffende openbare bericht afkomstig is van de verdachte. De verdachte heeft bekend dat hij op 30 juli 2023 [voormalig minister] schriftelijk heeft bedreigd (bewijsmiddel 2).
5
Namens de verdachte is in hoger beroep volgens het gerechtshof ‘primair’ bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan dit verweer is ten grondslag gelegd dat het feit volgens de verdediging niet aan de verdachte is toe te rekenen wegens een psychische stoornis. ‘Subsidiair’ is vrijspraak bepleit, omdat – zo luidt het verweer – bij de geadresseerde niet de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf dat in het vooruitzicht is gesteld. ‘Meer subsidiair’ is bepleit dat niet bewezen kan worden verklaard dat de bedreiging onder een voorwaarde is geschied. Daarmee wordt gedoeld op de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr.
6
De middelen houden in dat het hof zonder toereikende motivering is afgeweken van de hiervoor genoemde standpunten (middelen 1 en 2). Het derde middel bevat een klacht over het oordeel dat de bedreiging onder een voorwaarde is geschied als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr.
De bewezenverklaring, de bewijsvoering, de relevante overwegingen en de gevoerde verweren
7
Voordat ik de middelen bespreek geef ik, voor zover voor de bespreking van de middelen van belang, de tenlastelegging, de bewezenverklaring, de relevante overwegingen en de ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren weer.
8
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 30 juli 2023 te [plaats] , althans in Nederland, [voormalig minister] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [voormalig minister] dreigend de woorden toe te voegen: “Bij mijn tante is long k geconstateerd. Altijd gezond geweest maar volledig vaccinatie gehad. Komt het ooit uit dat het door de vaccinatie komt v.ermo.ord ik je @ [voormalig minister] inclusief je dochter”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
(art. 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)”
9
Ten laste van de verdachte is in eerste aanleg bewezen verklaard dat:
“hij op 30 juli 2023 te [plaats] [voormalig minister] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [voormalig minister] dreigend de woorden toe te voegen: "Bij mijn tante is long k geconstateerd. Altijd gezond geweest maar volledig vaccinatie gehad. Komt
het ooit uit dat het door de vaccinatie komt v.ermo.ord ik je @ [voormalig minister] inclusief je dochter”
10
Het gerechtshof heeft het vonnis in eerste aanleg in zoverre bevestigd.
11
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte van 24 augustus 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 16-23]
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 31 juli 2023 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [aangever] namens [voormalig minister] :
Ik ben gemachtigd tot het doen van aangifte van een bedreiging jegens [voormalig minister] , demissionair Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Het bedreigende bericht betrof een openbaar bericht geplaatst door de gebruiker van Instagram account [instagramaccount] , op zondag 30 juli 2023 te 02:50 uur. De inhoud van het bericht betreft:
"Bij mijn tante is long k geconstateerd. Altijd gezond geweest maar volledig vaccinatie gehad. Komt het ooit uit dat het door de vaccinatie komt v.ermo.ord ik je @ [voormalig minister] inclusief je dochter"
Het bedreigende bericht werd geplaatst in reactie op een op woensdag 12 juli 2023 te 22:16 uur door [voormalig minister] op zijn persoonlijke, werk gerelateerde Instagram account @ [voormalig minister] geplaatste video en bericht aangaande het woningtekort. In het bedreigende bericht wordt het persoonlijke, werk gerelateerde Instagram account van [voormalig minister] (@ [voormalig minister] ) getagd.
Van donderdag 26 oktober 2017 tot maandag 10 januari 2022 en derhalve ook gedurende de coronapandemie was [voormalig minister] Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport. Voornoemd bericht lijkt betrekking te hebben op deze ambtsperiode.
[voormalig minister] heeft hierdoor persoonlijk kennis genomen van het bericht. Hij voelt zich door de inhoud van het bericht ernstig bedreigd en wenst hiervan aangifte te doen. Het feit dat in dit bericht tevens gedreigd wordt met het om het leven brengen van de dochter van [voormalig minister] maakt de dreiging die vanuit dit bericht gaat, nog ernstiger voor hem. [voormalig minister] vreest dat de gebruiker van het Instagram account [instagramaccount] hem en/of zijn dochter om het leven zal brengen, dan wel hen zwaar lichamelijk letsel toe zal brengen.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 februari 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 30 juli 2023 te [plaats] [voormalig minister] schriftelijk heb bedreigd.”
12
Het gerechtshof heeft in zijn arrest, voor zover relevant, het volgende overwogen:
“Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de kwalificatie – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
- zal responderen op de in hoger beroep gevoerde verweren,
- de strafmotivering van de politierechter zal aanvullen;
- de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen zal aanvullen, indien cassatie wordt ingesteld.
Bespreking van de ter terechtzitting gevoerde verweren
De raadsman van de verdachte heeft aan de hand van zijn pleitnotities primair bepleit dat de verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging omdat hij ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het ten laste gelegde. De verdachte was namelijk overstuur en in de war door de vanwege de coronacrisis ingestelde maatregelen en hij legde verkeerde verbanden tussen corona en de gezondheid van zijn familieleden. Subsidiair dient de verdachte volgens de raadsman vrijgesproken te worden omdat door het bericht van de verdachte bij de aangever niet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de verdachte hem daadwerkelijk zou doden. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de bedreiging onder een voorwaarde is geschied.
Het hof overweegt als volgt.
Het in hoger beroep door de raadsman opnieuw gevoerde verweer dat bij de aangever niet
in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de verdachte hem daadwerkelijk zou doden vindt zijn weerlegging in de bewijsoverweging van de politierechter, paragraaf 3.2.
Ook het verweer dat de bedreiging niet onder een voorwaarde zou zijn geschied, wordt verworpen. De eis dat de aangever met de voorwaarde onder druk moet worden gezet om iets te doen, niet te doen of te laten door de bedreiging, waar de verdediging van lijkt uit te gaan, wordt in het tweede lid van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) namelijk niet gesteld. Daarbij merkt het hof op dat een ander wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden onder bedreiging van geweld ook een ander strafbaar feit oplevert, te weten dwang, strafbaar gesteld in artikel 284 Sr. De verdachte heeft gedreigd dat hij de aangever, voormalig [voormalig minister] , en diens dochter zou vermoorden als ooit uit zou komen dat de ‘long k’ (het hof begrijpt: longkanker) van zijn tante het gevolg is van de vaccinatie. Hiermee is de bedreiging geschied onder een bepaalde voorwaarde zoals bedoeld in artikel 285, tweede lid, Sr.
De stelling van de verdediging dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar zou zijn geweest ten tijde van het feit is onvoldoende onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk geworden. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd biedt geen enkel handvat om te concluderen dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar was. Het verweer wordt verworpen.”
13
De aantekening van het mondeling vonnis in eerste aanleg als bedoeld in art. 378 lid 2 Sv bevat onder 3.2 de volgende overwegingen:
“Ten aanzien van het bewijs overweegt de politierechter nog het volgende.
De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [voormalig minister] , destijds minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De politierechter is van oordeel dat de uitlatingen van dien aard zijn geweest en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij [voormalig minister] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Hiertoe overweegt de politierechter het volgende.
Ondanks dat de verdachte de uitlatingen, zoals hij zelf heeft verklaard, uit wanhoop heeft gedaan, is de politierechter van oordeel dat door die uitlatingen wel degelijk bij [voormalig minister] de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte daadwerkelijk tot dergelijk handelen zou overgaan. [voormalig minister] kende de verdachte niet en juist met betrekking tot wanhopige mensen is het lastig om te beoordelen waartoe zij in staat zijn. De politierechter
deelt niet de opvatting van de verdediging dat de uitlating van de verdachte een overduidelijke opwelling zonder enige concrete intentie betrof, waardoor er geen sprake kan zijn geweest van een reëel gevaar voor uitvoering. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.”
14
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman het woord heeft gevoerd overeenkomstig de aan het hof overgelegde schriftelijke pleitnota. De pleitnota houdt het volgende in:
“(…)
4. Appellant meent in eerste aanleg ten onrechte veroordeeld te zijn voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.
5. Van een dergelijke bedrieging is alleen dan sprake, wanneer bij de bedreigde ook de daadwerkelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat de bedreiging ook ten uitvoer zou worden gelegd.
6. Niet elke verwensing betreft dus meteen ook een bedreiging tegen het misdrijf gericht als bedoeld in de zin van art. 285 Sr. Een uitdrukking als 'val dood' is bijvoorbeeld geen bedreiging. Iedereen weet dat een dergelijke uitdrukking geen 'letterlijke' bedoeling heeft.
7. In dit kader zijn ook de woorden van appellant te zwaar gewogen.
(…)
9. De bedreiging moet van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden verricht dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd [HR 17 januari 1984, NJ 1084/479 nog herhaald in ECLI:NL:HR:2005:AT3659]
10. Het bericht betreft de woorden: 'Bij mijn tante is long k geconstateerd. Altijd gezond geweest maar volledige vaccinatie gehad. Komt het ooit uit dat het door de vaccinatie komt v.ermo.ord ik je’.
11. Het bericht is overduidelijk afkomstig van een verwarde persoon. Appellant erkent het bericht te hebben geplaatst, en is hier niet trots op, maar het bericht valt niet te kwalificeren als een bedreiging in de zin van art. 285 Sr.
12. Waarom hoefde [voormalig minister] (…) zich niet bevreesd te voelen door dit bericht en is enige vrees van zijn kant, op basis van de uiting die is gedaan onterecht?
13. Hiertoe voert appellant het volgende aan:
• Tijdens corona-tijd waren er veel personen ontevreden met het beleid, maar dit heeft in geen enkel geval geleid tot geweld tegen politici. Wél was er een toename in huiselijk geweld, waren er corona-protesten en rellen rondom de avondklok. Enig concreet geweld van de aard zoals in deze zaak heeft dus nooit plaatsgevonden.
• Het is begrijpelijk dat mensen frustratie opbouwden van al het thuiszitten en ook verder sociaal geïsoleerd raakten. Deze frustratie had af en toe een 'uitlaatklep' nodig;
• Het is duidelijk dat deze persoon in de war is en een link legt tussen een diagnose die bij zijn tante is gelegd en het corona-beleid. [voormalig minister] had dit meteen aan de hand van de aard van het bericht kunnen begrijpen.
• Niet elke uiting van wanhoop is meteen een serieuze bedreiging waarbij ook daadwerkelijke vrees bij de ontvangen moet ontstaan.
14. Of bij de betrokkene een redelijke vrees kon ontstaan moet beoordeeld worden aan het geheel van omstandigheden tezamen.
15. De enkele uiting, zonder enige concrete aanwijzingen dat het misdrijf ook daadwerkelijk tenuitvoer zou [kunnen] worden gelegd is onvoldoende om te spreken van een strafbare bedreiging in de zin van art. 285 Sr.
16. De uiting valt simpelweg te kwalificeren als een uiting van frustratie.
17. Een uiting als 'ik kom je nog wel tegen op straat’, zonder nader te motiveren op grond van welke omstandigheden diegene de vrees zou kunnen hebben dat die bij een volgende ontmoeting zwaar lichamelijk letsel zou oplopen is onvoldoende [ECLI:NL:HR:2023:BY5695].
18. Maar ook een uitlating dat de aangever 'vogelvrij is’, dat verdachte 'hem en zijn vrouw en kinderen weet te vinden' levert geen bedreiging op [HR 15 maart 2011, NJ 2011/227].
19. Kortom een bedreiging moet voldoende concreet zijn, en 'serieuze handen en voeten' hebben om bij de aangever de redelijke vrees te doen ontstaan.
20. De bedreiging is in deze onvoldoende concreet om een dergelijke redelijke vrees te bewerkstelligen op grond waarvan appellant moet worden vrijgesproken.
Schriftelijk; onder bepaalde voorwaarden
21. Appellant is daarnaast veroordeeld voor de strafverzwarende component, namelijk dat de bedreiging schriftelijk moet zijn gedaan, onder bepaalde voorwaarden
22. Aan de strafverzwarende component is tevens niet voldaan. Het vereiste 'onder bepaalde voorwaarden' houdt dat de aangever onder druk wordt gezet iets te doen, niet-te doen of te laten.
23. De bedreiging heeft derhalve een bepaald 'doel'. Bijvoorbeeld: 'ik schiet u dood als u niet doet wat is zeg' [Gerechtshof Arnhem d.d. 22 augustus 2011; ECLI:GHARN:2011:BR5508].
24. In deze is van dergelijke voorwaarden geen sprake zodat appellant van deze strafverzwarende component dient te worden vrijgesproken.
25. Vrijspraak van de strafverzwarende component dient te leiden tot een matiging in de strafmaat.
Toerekenbaarheid
26. Verder stelt appellant ten tijde van de uiting niet [volledig] toerekenbaar te zijn geweest.
27. Appellant leefde geïsoleerd en was erg overstuur door het overlijden van zijn tante. Appellant leeft ook nog in de nasleep van de corona-crisis, die ook een grote impact op appellant heeft gehad. Appellant leefde sowieso wel enigszins geïsoleerd, maar de corona-crisis heeft dit verergerd.
28. Hierdoor heeft appellant mogelijke verbanden gelegd die er niet zijn, zoals het verband tussen het overlijden van zijn tante en vaccinaties. Het gaat nu beter met appellant en hij ziet dat deze verbanden er niet zijn.
29. Mocht er al sprake zijn van enige stafbare uiting [quod non] dan valt deze appellant niet toe te rekenen.
30. Appellant was in de war en heeft verkeerde verbanden gelegd.
(…)
DERHALVE
Verzoek ik U.E.G.A.,
A) In deze zaak cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging;
B) Appellant vrij te spreken van de strafverwarende component, hetgeen dient te leiden tot een matiging van de strafmaat;
(…)”
De middelen
Het eerste middel
15
Het eerste middel behelst de klacht dat het gerechtshof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat het feit de verdachte wegens een psychische stoornis niet kan worden toegerekend en dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.
16
Het hof heeft het beroep dat de verdediging heeft gedaan op ontoerekenbaarheid klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een verweer als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv, in het bijzonder als een beroep op de schulduitsluitingsgrond als bedoeld in art. 39 Sr. De in het middel vervatte klacht is geplaatst in de sleutel van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Ten aanzien van de verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond geldt echter het motiveringsvoorschrift van art. 358 lid 3 Sv in verbinding met art. 359 lid 2, eerste volzin, Sv. Daarop stuit de klacht af.1.
17
Overigens acht ik het oordeel van het hof dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen enkel handvat biedt om te concluderen dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar was niet onbegrijpelijk. Ook in het licht van art. 359 lid 2, eerste volzin, Sv, in verbinding met art. 358 lid 3 Sv, behoefde de verwerping van het beroep op art. 39 Sr geen nadere motivering.
18
Voor zover het standpunt ter terechtzitting is geweest dat het feit de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, geldt het volgende. De raadsman van de verdachte heeft het hof gevraagd rekening te houden met ‘de ontoerekeningsvatbaarheid van appellant op dat moment en de strafmaat op die grond verder te matigen’. In cassatie wordt echter niet geklaagd over de afwijking van het standpunt van de verdediging dat de straf moet worden gematigd op grond van (verminderde) toerekenbaarheid. Daarmee valt ook in dit verband het doek.
19
Het middel faalt.
Het tweede middel
20
Het tweede middel behelst de klacht dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de zijde van de verdediging, inhoudende dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat bij de aangever door de gedane uitlatingen geen redelijke vrees kon ontstaan, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
21
In de toelichting op het middel in de schriftuur van 19 mei 2025 wordt opgemerkt dat het hof in zijn motivering verwijst naar een bewijsoverweging van de politierechter, terwijl het procesdossier enkel een mondeling vonnis bevat. Die stelling mist feitelijke grondslag. Ik concentreer mij daarom op de aanvullende toelichting, waarin tot uitdrukking is gebracht dat de bewijsoverweging van de politierechter, die is vervat in de aantekening van het mondeling vonnis, een ontoereikende respons vormt op het ter terechtzitting ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
22
Ik stel voorop dat de responsieplicht van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv2.geen wijziging brengt in onder meer de vrijheid van de feitenrechter bij de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal. De responsieplicht brengt wel mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal moeten motiveren. De mate waarin een niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet worden gemotiveerd, is afhankelijk van onder meer de inhoud en de indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.3.
23
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht onder meer vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de geadresseerde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen.4.Niet is vereist dat is komen vast te staan dat de geadresseerde daadwerkelijk heeft gevreesd voor aantasting van zijn persoonlijke vrijheid.5.Enig realiteitsgehalte moet de uiting wel hebben. Het gaat erom dat de gedraging in het algemeen geschikt kan worden geacht om de vrees voor het in art. 285 lid 1 Sr bedoelde misdrijf aan te jagen. Deze toets moet aan de hand van de omstandigheden van het geval worden verricht.
Als de geuite woorden als zodanig een bedreiging tegen het leven inhouden, mag in de regel worden aangenomen dat door die woorden bij degene tot wie zij waren gericht in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij of zij van het leven zou worden beroofd.6.Indien de bewoordingen aan de hand van de algemene strekking onvoldoende duidelijk zijn, kan betekenis toekomen aan de omstandigheden waaronder de uiting is geschied.7.
24
Het gerechtshof heeft het aangevoerde ter terechtzitting in hoger beroep kennelijk opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In de bewijsoverweging van de politierechter, waarnaar het hof verwijst ter afwijking van dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, is in de kern bezien het volgende overwogen. De uitlatingen zijn van dien aard geweest en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de geadresseerde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De geadresseerde kende de verdachte niet. Dat de verdachte de uitlatingen heeft gedaan uit wanhoop, zoals hij zelf heeft verklaard, doet niet af aan het oordeel dat door de gebezigde bewoordingen in redelijkheid vrees kon ontstaan bij de geadresseerde. Ook is het zo dat juist met betrekking tot wanhopige mensen lastig is te beoordelen is waartoe zij in staat zijn.
25
Tegen de achtergrond van de ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde argumenten, heeft het hof in voldoende mate de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Daarbij merk ik op dat de uitlating naar haar bewoordingen is gericht op levensberoving van [voormalig minister] en zijn dochter. Onder deze omstandigheden had het hof, anders dan de steller van het middel betoogt, niet nader hoeven in te gaan op de context waarin de uitlatingen zijn gedaan. Daar komt nog bij dat het hof door het overnemen van de bewijsoverweging uit het vonnis in eerste aanleg heeft gerespondeerd op de uitlatingen van de verdediging dat sprake zou zijn van een uiting van wanhoop van een verwarde persoon. Niet onbegrijpelijk heeft het in dat verband overwogen dat de minister de verdachte niet kende en dat juist ten aanzien van wanhopige mensen het lastig is te beoordelen waartoe zij in staat zijn. Die onvoorspelbaarheid zal ook gelden ten aanzien van de beoordeling onder welke omstandigheden volgens de verdachte het uitkomt ‘dat het door de vaccinatie komt’. Daarmee is het in het arrest besloten liggende oordeel dat de uitlatingen van de verdachte in het algemeen geschikt kunnen worden geacht om de vrees voor het leven van de aangever aan te jagen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
26
Het middel faalt.
Het derde middel
27
Het derde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de bedreiging is geschied onder een voorwaarde als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr. In de korte omschrijving van het middel in de inleiding van de schriftuur wordt een rechtsklacht geformuleerd, terwijl in de omschrijving van het derde middel als zodanig slechts een motiveringsklacht is te lezen. Ik zal beide omschrijvingen in hun onderlinge samenhang bezien en ervan uitgaan dat de steller van het middel beoogt zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht aan de Hoge Raad voor te leggen.
28
Aan de verdachte is bedreiging als bedoeld in art. 285 lid 1 Sr ten laste gelegd. De politierechter heeft in eerste aanleg het bewezen verklaarde gekwalificeerd als ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt’. Deze kwalificatie stoelt op art. 285 lid 1 in verbinding met art. 285 lid 2 Sr. In hoger beroep heeft de verdediging betoogd dat de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr niet van toepassing is, omdat geen sprake is van een voorwaarde die inhoudt dat de aangever onder druk wordt gezet iets te doen of na te laten. Dit verweer, dat in wezen ziet op de kwalificatie, mondt uit in de conclusie ‘dat appellant van deze strafverzwarende component dient te worden vrijgesproken’.
Het gerechtshof, dat ten aanzien van de kwalificatie het vonnis van de politierechter heeft vernietigd, heeft het bewezen verklaarde opnieuw gekwalificeerd als ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt’ als bedoeld in art. 285 lid 1 in verbinding met art. 285 lid 2 Sr. Daarnaast heeft het hof in de kwalificatie betrokken dat sprake is van een bedreiging die is gepleegd ‘tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister’ als bedoeld art. 285 lid 5 Sr. In cassatie is geen klacht geformuleerd over de toegevoegde strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 285 lid 5 Sr bij de kwalificatie van het bewezen verklaarde. Ik concentreer mij daarom op de toepassing van art. 285 lid 2 Sr.
De woorden ‘onder een bepaalde voorwaarde’ komen als zodanig niet in de tenlastelegging voor. In het bestreden arrest ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de desbetreffende strafverzwarende omstandigheid door de zinsnede ‘Komt het ooit uit dat het door de vaccinatie komt’ genoegzaam is omschreven in de tenlastelegging. Aldus ligt in het arrest als het oordeel van het hof besloten dat de kwalificatie haar grondslag vindt in het bewezen verklaarde.8.Over dat oordeel wordt in cassatie niet geklaagd.
29
De steller van het middel legt de woorden ‘onder een bepaalde voorwaarde’ als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr zo uit, dat het daarbij moet gaan om een voorwaarde met het oog op het onder druk zetten van de geadresseerde. Het hof zou een onjuiste uitleg aan art. 258 lid 2 Sr hebben gegeven, althans zijn oordeel dat sprake is van een voorwaarde als bedoeld in de bepaling niet begrijpelijk hebben gemotiveerd.
30
Ik heb geen rechtspraak van de Hoge Raad aangetroffen waarin uitleg wordt gegeven aan het desbetreffende bestanddeel.9.
31
Ook de Kamerstukken zwijgen over de uitleg van de woorden ‘onder een bepaalde voorwaarde’ als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr. Uit de notulen van de Staatscommissie Strafwetgeving blijkt evenwel dat het bepaalde in art. 285 lid 2 Sr in de Staatscommissie aan de orde is gekomen. Modderman stelde voor ‘afzonderlijk als casus gravior te vermelden de schriftelijke bedreiging met voorwaarde’. De Pinto merkte vervolgens in aansluiting op dit voorstel op dat in de voorwaarde als bedoeld in (thans) art. 285 lid 2 Sr de ‘meerdere ernst’ schuilgaat. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt door de voorwaarde zeer verergerd, aldus De Pinto. Vervolgens is bij meerderheidsbeslissing het voorstel aangenomen om de schriftelijke bedreiging onder voorwaarde als een strafverzwarende omstandigheid op te nemen.10.
32
Ook in de literatuur zijn weinig woorden gewijd aan de uitleg van de woorden ‘onder een bepaalde voorwaarde’ als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr. Wel wordt onderkend dat een bedreiging ’voorwaardelijk’ dan wel ‘onvoorwaardelijk’ kan worden geformuleerd.11.Lindenberg schrijft dat bij een onvoorwaardelijke bedreiging een nadeel wordt aangekondigd zonder dat het intreden van dat nadeel aan een voorwaarde wordt verbonden, terwijl bij de voorwaardelijke bedreiging het intreden van het nadeel afhankelijk wordt gemaakt van de vervulling van een voorwaarde. Een belangrijk verschil tussen deze vormen van bedreiging is volgens hem dat de voorwaardelijke bedreiging beter geschikt is om een ander te dwingen tot een door de bedreiger gewenste gedraging. Het verschil tussen deze twee vormen van bedreiging is wat hem betreft niet altijd zonder materieelrechtelijke betekenis bij art. 285 Sr. Daartoe wijst hij op het bepaalde in art. 285 lid 2 Sr.12.Een vergelijkbaar standpunt wordt gehuldigd door Janssens en Nieuwenhuis. Zij schrijven dat de strafbaarstelling van bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr vooral de keuze- en handelingsvrijheid beschermt. Dit komt wat de auteurs betreft duidelijk aan de orde indien de bedreiging onder bepaalde voorwaarden geschiedt. Het slachtoffer wordt tot een keuze gedwongen waartoe hij in vrijheid niet zou zijn gekomen.13.Machielse schrijft dat het karakter van bedreiging als misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid het meest tot uitdrukking komt bij de bedreiging onder een bepaalde voorwaarde, ‘omdat daarbij de vervulling van de voorwaarde aan de bedreigde wordt opgedrongen, en deze door de bedreiging derhalve in zijn vrijheid van handelen wordt belemmerd’.14.Van Laanen noemt de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU6094) als een voorbeeld van een bedreiging die schriftelijk en onder voorwaarde plaatsvindt, in de zin van: ‘als u er niet voor zorgt dat…,dan…’.15.
33
De benadering in de literatuur sluit aan bij de discussie die is vastgelegd in de notulen van de Staatscommissie Strafwetgeving. In deze benadering wordt ervan uitgegaan dat de voorwaarde geschikt is om de vrijheid van handelen van de geadresseerde te beperken. Voor deze benadering zijn ook andere, wetssystematische argumenten aan te voeren.
Het bepaalde in art. 285 Sr is gerubriceerd in Titel XVIII van het Tweede Boek van het WvSr (met het opschrift ‘[m]isdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’). De strafbaarstellingen in deze titel houden verband met handelingen die de persoon belemmeren in zijn vrijheid van beweging, van doen en laten.16.In art. 285 lid 1 Sr is de bedreiging met een aantal in dat artikellid opgesomde misdrijven strafbaar gesteld. De bedreiging als bedoeld in art. 285 lid 1 Sr moet een min of meer ernstige inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van de geadresseerde.17.Dit komt erop neer dat door een bedreiging in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de geadresseerde (voor zover in dit geval relevant) van het leven wordt beroofd. Deze redelijke vrees heeft tot gevolg dat dit een zekere invloed heeft op de persoonlijke vrijheid van de geadresseerde.18.
34
In het licht van het aan de strafbaarstelling ten grondslag liggende rechtsgoed dient de voorwaarde geschikt te zijn de keuze- en handelingsvrijheid van de geadresseerde nader in te perken. Doorgaans zal de voorwaarde rechtstreeks betrekking hebben op het gedrag van de geadresseerde. Van een middellijke, ten minste deels het gedrag van de geadresseerde betreffende voorwaarde is sprake als in de gegeven omstandigheden de voorwaarde een bepaald gedrag van de geadresseerde impliceert. Te denken valt aan de voorwaarde dat de vader van de geadresseerde ‘aan zijn verplichtingen moet voldoen’. In een dergelijke voorwaarde kan besloten liggen dat de geadresseerde het door de bedreiger beoogde resultaat (mede) dient te bevorderen of te bewerkstelligen. Dat de voorwaarde aldus mede afhankelijk is van het gedrag van anderen, hoeft niet af te doen aan de conclusie dat sprake is van een voorwaarde als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr.
Door het stellen van een voorwaarde wordt de inbreuk op de persoonlijke vrijheid nader gesubstantieerd, in die zin dat door het verlangen van bepaald gedrag de invloed van de bedreiging op de persoonlijke vrijheid concreter wordt dan het geval is bij een bedreiging die niet gepaard gaat met een voorwaarde.19.In de woorden van De Pinto: de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer – of de persoonlijke vrijheid – wordt door de voorwaarde ‘zeer verergerd’.
35
De ratio van de strafverzwarende omstandigheid dat de bedreiging (schriftelijk en) onder een bepaalde voorwaarde geschiedt, kan daarmee niet los worden gezien van de extra inperking van de vrijheid die deze meebrengt. Die ratio is niet van toepassing indien aan een bedreiging een voorwaarde wordt verbonden waarvan de naleving per definitie buiten de invloedssfeer van de geadresseerde ligt, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de voorwaarde ‘als morgen de zon niet schijnt’.
36
Ik keer terug naar de zaak. Het gerechtshof heeft de bewezen verklaarde zinsnede ‘komt het ooit uit dat het door de vaccinatie komt’ aangemerkt als voorwaarde als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr. Uit de vaststellingen kan niet worden afgeleid dat dit een voorwaarde is die geschikt is de keuze- en handelingsvrijheid van de geadresseerde op enigerlei wijze in te perken.
37
Het hof legt twee argumenten ten grondslag aan zijn uitleg dat onder ‘een bepaalde voorwaarde’ als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr niet slechts is te verstaan een voorwaarde die ertoe strekt de geadresseerde onder druk te zetten om iets te doen of te laten. Het eerste argument is dat de tekst van de bepaling deze beperking niet kent. Dit argument is valide, maar acht ik in het licht van de strekking van dit strafverzwarende onderdeel, zoals hiervoor weergegeven, niet doorslaggevend. De andere grond waarop het oordeel van het hof stoelt, is dat een ander wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden onder bedreiging van geweld ‘ook’ een ander strafbaar feit oplevert, namelijk dwang als bedoeld in art. 284 Sr. Dit argument overtuigt mij niet. Ik merk daartoe het volgende op.
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat de opvatting dat art. 284 Sr een bijzondere strafbepaling is ten opzichte van art. 285 Sr geen steun vindt in het recht.20.Bovendien komt het vaker voor dat een feitencomplex onder meerdere delictsomschrijvingen valt.21.Ook in de rechtspraak van de Hoge Raad komt tot uitdrukking dat voorkomende begrippen moeten worden gebruikt ‘in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling’.22.Deze overweging getuigt van een benadering van de bestanddelen van de delictsomschrijving met oog voor de eigenheid van de desbetreffende strafbepaling. De mogelijke overlap met andere strafbepalingen is daarbij geen dragend argument.
38
Gelet op het voorgaande, heeft het hof bij zijn uitleg van de woorden ‘onder een bepaalde voorwaarde’ als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De kwalificatie vindt ten aanzien van de in art. 285 lid 2 Sr neergelegde strafverzwarende omstandigheid geen grondslag in de bewezenverklaring.
39
Het middel klaagt daarover op zichzelf terecht.
40
Vervolgens rijst de vraag of het bovenstaande tot cassatie moet leiden. In bijzonder rijst de vraag of de verdachte voldoende belang heeft bij cassatie.
41
Het gerechtshof heeft in de onderhavige zaak een taakstraf opgelegd voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarmee is het hof zeer ver onder het op het bewezen verklaarde feit gestelde strafmaximum, met inachtneming van de strafverzwarende omstandigheid van art. 285 lid 5 Sr, gebleven. Uit de overwegingen ten aanzien van de strafoplegging blijkt niet dat het gerechtshof bij het bepalen van de straf de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr in strafverzwarende zin in aanmerking heeft genomen. In de strafmotivering wordt in dit verband alleen verwezen naar de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 285 lid 5 Sr. Ook in de overwegingen die het hof heeft overgenomen van het vonnis in eerste aanleg komt de strafverzwarende omstandigheid van art. 285 lid 2 Sv niet voor. Een toelichting van de steller van het middel met betrekking tot een mogelijk belang bij cassatie heb ik niet aangetroffen. De enkele opmerking dat een juiste uitleg van art. 285 lid 2 Sr van belang is, is daartoe ontoereikend. In het licht van het voorgaande, kan de Hoge Raad volstaan met een verbeterde lezing van de kwalificatie. Dat betekent dat het middel niet tot cassatie hoeft te leiden.23.
Conclusie
42
Het eerste middel en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende formulering. Het derde middel hoeft niet tot cassatie te leiden.
43
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
44
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2025
Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma. Zie (recenter) HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413, NJ 2025/123, m.nt. Ten Voorde, rov. 2.3.
Zie bijvoorbeeld HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659. Zie ook o.m. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:84.
Zie HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309, rov. 3.4.2.
Slechts in het kader van volledigheid merk ik op dat de toets weliswaar in belangrijke mate is geobjectiveerd, maar niet geheel. Vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91, NJ 2023/89, m.nt. Machielse.
Zie voor een overzicht van grensgevallen de conclusie van AG Harteveld voorafgaand aan HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, NJ 2018/118.
Zie HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:381, NJ 2018/170.
In het kader van volledigheid merk ik op dat de Hoge Raad zich wel eerder heeft uitgelaten over de wettelijke term ‘schriftelijk’ als bedoeld in art. 285 lid 2 Sr. Zie HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3598. NJ 2007, 360.
Zie A.J.A. van Dorst e.a. (red.), Notulen Staatscommissie voor de Zamenstelling van een Wetboek van Strafrecht, 1870/1876 (voorzitter J. de Wal), Deel II, Tilburg: Katholieke Hogeschool 1976, p. 417-418.
Vgl. W.J.M. de Haan & J.A. Nijboer, ‘Toename van bedreiging met geweld? Aard en achtergronden van de stijging in aangiftes ter zake van artikel 285 Sr’, DD 2007/2.
Zie K. Lindenberg, Strafbare dwang (diss. Groningen), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2007, p. 229-230.
Zie A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten (Studiepockets Strafrecht nr. 36), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 330-331.
Zie F. van Laanen, ‘Dreigementen en plomp gedrag. Recente rechtspraak over artikel 285 Sr’, DD 2012/33.
Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1887), Deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 427.
Vgl. HR 19 februari 1934, ECLI:NL:HR:1934:69, NJ 1934, 980, m.nt. Pompe.
Vgl. Kamerstukken II 2019/20, 35 564, nr. 3 (Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit), p. 3. Bij deze wet is het strafmaximum van art. 285 lid 1 Sr verhoogd. Zie Stb. 2021, 554 i.v.m. Stb. 2021, 638. In de MvT wordt opgemerkt dat bedreiging een maatschappelijk probleem is en dat vanuit het criminele circuit burgemeesters worden bedreigd als ‘bijvoorbeeld een besluit van de gemeente moet worden beïnvloed’.
Vgl. K. Lindenberg, Strafbare Dwang (diss. Groningen), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2007, p. 229-230 over het onderscheid tussen onvoorwaardelijke en voorwaardelijke bedreigingen. Zie ook voetnoot 679 op pagina 230.
Zie bv. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252, rov. 7.2, NJ 1984, 479.
Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 119 (en i.h.b. voetnoot 293) en weliswaar in een andere context p. 563-564.
Zie bv. HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:124, rov. 2.3.1; HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:643, rov. 3.3.1 & HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:172, rov. 2.3.1.
Vgl. HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:112, NJ 2018/280, m.nt. Reijntjes en HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1446, in samenhang met de conclusie van AG Harteveld. Zie ook HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:486 en, in verband met art. 80a RO, HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, NJ 2019/116, m.nt. PMe.
Beroepschrift 20‑05‑2025
CASSATIESCHRIFTUUR
AANVULLING
Aan de Hoge Raad
der
Nederlanden
Griffienummer: 24/04422
Betekening aanzegging: 25/03/25
Inzake:
[verdachte]
Adreshoudend aan de [adres]
[[postcode]] te [woonplaats]
Advocaat: mr. I.J.G. van Raab van Canstein
Per e-mail: digitaal ingezonden via portaal
Edelhoogachtbare vrouwen en heren:
Ondergetekende, als daartoe door de verdachte bijzondere gevolmachtigd, mr. I.J.G. van Raab van Canstein, heeft hierbij de eer aan U Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een aanvullende schriftuur van cassatie ten gevolge van het door [verdachte] [hierna te noemen: verzoeker] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te s'Gravenhage d.d. 25 november 2024, en alle beslissingen die door het Hof ter terechtzitting zijn genomen.
Het betreft in deze een aanvulling op MIDDEL 2.
Aanvullende toelichting
Inmiddels heeft verzoeker de bewijsoverwegingen in het kader van punt 3.2 van het PV TTZ in eerste aanleg doorgenomen.
Hieruit blijkt dat het Hof overweegt dat [in lijn met de politierechter] — hoewel verzoeker zijn bericht ‘uit wanhoop’ zou hebben verzonden, toch juist niet in te schatten zou zijn in hoeverre verzoeker zijn dreigement ten uitvoer zou brengen. Dat er sprake zou zijn van een opwelling waar geen enkele concrete intentie achter zou zitten, zodat er geen gevaar voor uitvoering zou zijn, wordt door het Hof [in navolging van de politierechter] niet gedeeld.
Toelichting verdediging
In dit licht dient1. in het licht van de omstandigheden waaronder de uitlating is gedaan te worden beoordeeld of er bij de aangever ‘daadwerkelijke vrees kon ontstaan voor tenuitvoerlegging van het dreigement’.
In dit licht is — zoals reeds aangeven — het e.e.a. naar voren gebracht onder punt 5 tot en met 20 van de pleitnota.
Verzoeker is van oordeel dat de laagdrempeligheid van het medium van social media, de overduidelijke verwardheid van verzoeker, en het ontbreken van aanknopingspunten voor concrete dreiging door het Hof onvoldoende zijn meegewogen, waarmee het arrest onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd.
Verzoeker wijst in dit kader ook naar een arrest van de Hoge Raad van 12 juni 20182.. De verzoeker zou in die zaak in een telefoongesprek met de aangever de woorden hebben toegevoegd:
‘Je hebt thuis vier hele goede redenen om wél een gesprek met mij te hebben. Het zou zonde zijn als je mij niet het respect geeft dat ik jou de afgelopen tijd heb gegeven. Het respect dat ik je niet heb opgezocht en ‘lam heb geslagen’, zoals iedere man zou doen’.
De Hoge Raad oordeel dat het oordeel van het Hof in die zaak dat verzoeker aangever daadwerkelijk zou mishandelen niet toereikend was gemotiveerd.
Dit arrest is ook onverkort van toepassing op de onderhavige zaak van verzoeker. In dit arrest van 12 juni 2018 geeft de verzoeker immers aan dat hij juist heeft besloten aangever niet op te zoeken, om hem moverende redenen. Ook de overige omstandigheden geven onvoldoende aanleiding om van redelijke vrees op een daadwerkelijke mishandeling te kunnen spreken.
In deze zaak is cliënt first offender, met een zeer summier strafblad, en nooit eerder veroordeeld voor een bedreiging. In punt 12 van de pleitnota wordt wederom gesproken over ‘de context waarin de uitlating is gedaan’.
In deze zaak van verzoeker heeft het Hof onvoldoende acht geslagen op het summiere strafblad van cliënt, de voorwaardelijkheid van de uitlating [een voorwaarde van verband tussen longkanker en covid dat nooit in zal gaan], en de overige omstandigheden [social media, duidelijk verward persoon]. Verzoeker heeft
Om van een daadwerkelijke bedreiging te spreken dient er sprake te zijn van concrete aanknopingspunten waaruit kan blijken dat verzoeker de uitlating daadwekelijk ‘ten uitvoer zou kunnen brengen’. Hiervan is in deze zaak geen enkele sprake.
Verzoeker stelt dat — ook van het Ministerie — kan worden verwacht enig onderzoek te doen naar de aard en achtergrond van een uitlating [en de persoon die de uitlating heeft gedaan]. Indien ‘uit voorzorg’ bij iedere uitlating aangifte wordt gedaan van bedreiging, dient in het juridische proces achteraf extra zorgvuldig te worden onderzocht of van een daadwerkelijke bedreiging sprake is geweest.
In deze zaak zijn — zoals bij pleitnota aangevoerd en verwijzende naar ‘de context’ geen enkele aanknopingspunten dat cliënt ‘de daad bij het woord zou kunnen voegen’.
Conclusie
Het arrest van het Hof is — ook wat betreft middel 2 — onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Ik vertrouw erop u hierbij naar behoren te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
I.J.G. van Raab van Canstein
Amsterdam, 20 mei 2025
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑05‑2025
ECLI:NL:HR:2004:AT3659
Beroepschrift 19‑05‑2025
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad
der
Nederlanden
Griffienummer: 24/04422
Betekening aanzegging: 25/03/25
Inzake:
[verdachte]
Adreshoudend aan de [adres]
[[postcode]] te [woonplaats]
Advocaat: mr. I.J.G. van Raab van Canstein
Per e-mail: digitaal ingezonden via portaal
Edelhoogachtbare vrouwen en heren:
Ondergetekende, als daartoe door de verdachte bijzondere gevolmachtigd, mr. I.J.G. van Raab van Canstein, heeft hierbij de eer aan U Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten gevolge van het door [verdachte] [hierna te noemen: verzoeker] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te s'Gravenhage d.d. 25 november 2024, en alle beslissingen die door het Hof ter terechtzitting zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het Hof de verzoeker ter zake van bedreiging veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie heeft ondergetekende de eer drie middelen aan te dragen.
Deze middelen houden kortgezegd in:
- 1)
het ter zitting uitdrukkelijke onderbouwde standpunt dat het feit cliënt niet kan worden toegerekend nu er sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogen is onvoldoende gemotiveerd verworpen
- 2)
het ter zitting uitdrukkelijke onderbouwde standpunt dat er bij aangever geen redelijke vrees kon ontstaan door de uitlating is onvoldoende gemotiveerd verworpen
- 3)
het recht is geschonden doordat door het Hof is geconcludeerd dat de bedreiging onder voorwaarden zou zijn gedaan.
Hieronder geef ik kort de maatschappelijke relevantie van de respectievelijke middelen aan. Uiteraard is dit de visie van de (verdediging van) verzoeker, terwijl het uiteindelijke oordeel hierover bij Uw Edelhoogachtbaar College ligt.
Maatschappelijke relevatie
1)
Ook in zaken waarin de ontoerekeningsvatbaarheid niet door een gedragsdeskundige is vastgesteld dient een [uitdrukkelijk onderbouwd] beroep hierop vanuit de verdediging voldoende gemotiveerd te worden verworpen. In ‘eenvoudige zaken’ is het opstellen van een Pro Justitia-rapportage vaak niet opportuun, terwijl ontoerekeningsvatbaarheid vanwege een ziekelijke stoornis van de geestesvermogen wel degelijk in veelvoorkomende gevallen een (grote) rol kan spelen. Daarom dient een beslissing over de ontoerekeningsvatbaarheid in dit kader — indien er sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging — voldoende worden gemotiveerd.
2)
Het is van belang een uitlating te beoordelen ‘in haar context’. De omstandigheid waaronder de uiting is gedaan dient van dien aard te zijn dat er daadwerkelijke vrees kon ontstaan bij de ontvanger dat de bedreiging ten uitvoer zou worden gebracht.
3)
Een juiste uitleg van art. 285 lid 2 is van belang.
Middel 1; het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verzoeker ontoerekeningsvatbaar was t.t.v. het tenlastegelegde onvoldoende gemotiveerd verworpen
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanig nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder geldt dit voor de — onvoldoende gemotiveerde — verwerping van het — uitdrukkelijke onderbouwde — standpunt van de verdediging dat verzoeker ten tijde van het tenlastegelegde ontoerekeningsvatbaar was en dat het feit hem om die reden niet kan worden toegerekend. Ten onrechte concludeert het Hof in haar arrest dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ‘ geen enkel handvat zou bieden om te concluderen dat verzoeker t.t.v. het tenlastegelegde niet toerekeningsvatbaar was’ en ‘dat dit anderszins ook niet aannemelijk is geworden’.
Toelichting:
Bewijsoverwegingen van het Hof; jurisprudentie van de Hoge Raad
Het Hof stelt in haar arrest dat de stelling van de verdediging dat verzoeker ontoerekeningsvatbaar zou zijn ten tijde van het tenlastegelegde onvoldoende is onderbouwd. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd zou hiertoe ‘geen enkel handvat bieden’.
In vaste jurisprudentie van de Hoge Raad1. is — betrekkelijk recent — een toetsingskader gegeven voor de vraag of bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit een psychische stoornis bestond. In RO 5.4.1 wordt in het verwezen adres overwogen:
‘Het is aan de feitenrechter om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit een psychische stoornis als bedoeld in art. 37a Sr en art. 39 Sr. bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door de deskundigen uitgebrachte adviezen. De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke stoornis is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.’
Of deze stoornis wel of niet in de DSM kan worden aangeduid is niet beslissend.2. Er is sprake van ontoerekeningsvatbaarheid indien bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een stoornis en de verdachte door die stoornis a.g.v.niet kon begrijpen dat het feit wederrechtelijk was óf niet in staat was te handelen overeenkomstig zijn begrip van wederrechtelijkheid van dat feit.
Door de verdediging is vanaf punt 27 in de pleitnota bij het Hof aangevoerd dat cliënt geïsoleerd leefde en erg overstuur was vanwege de gezondheidssituatie van zijn tante. Hierdoor heeft verzoeker ‘verbanden gelegd’ waarvan ‘hij nu ziet’ dat ‘deze er niet zijn’, aldus de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep. Derhalve is door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd dat verzoeker zijn grip op de realiteit begon te verliezen en als gevolg hiervan het tenlastegelegde bericht had verzonden. Op grond waarvan is verzocht verzoeker te ontslaan van alle rechtsvervolging nu er hem van het feit geen verwijt kan worden gemaakt ex. art. 39 Sr., aldus de verdediging in hoger beroep.
Verzoeker geeft ter terechtzitting in hoger beroep [zie PV TTZ in hoger beroep] aan:
‘[…] Ik zat met mezelf in de knoop. […]. Mijn tante was ziek en ik kon niet meer rationeel denken. Ik dacht dat ze ziek was geworden door de Covid-vaccinatie. Ik dacht dat het door [voormalig minister] kwam. Ik gaf hem de schuld. Een vriend van mij noemde hem een vuile viezerik met gladde schoentjes en ik bleef erover malen. Later keek ik er anders tegenaan en ben ik weer mezelf geworden.’
Uit het PV TTZ bij Hof blijkt ook dat de raadsman dan opmerkt:
‘Verdachte legde verbanden die er niet waren als gevolg van zijn psychische klachten. Die verbanden ziet hij nu niet meer’.
Hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, in combinatie met de verklaring van verzoeker TTZ in hoger beroep toont geeft voldoende handvaten om te kunnen concluderen dat verzoeker het feit heeft gepleegd onder invloed van een ziekelijke stoornis, op grond waarvan hem van dit feit geen verwijt kan worden gemaakt.
De overweging van het Hof dat ‘er geen enkel handvat is geboden’ om te concluderen dat cliënt ontoerekeningsvatbaar zou zijn is zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd ex. art. 359 lid 2 Sv.
Overwegingen met betrekking tot het middel
Door de Hoge Raad is glashelder aangegeven — zoals verzoeker dit althans heeft begrepen — dat deskundigenrapportages bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een stoornis [in de zin van art. 39 Sr.] ‘niet leidend’ zijn en ook geen ‘conditio sine qua non’. De feitenrechter heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid. Uiteraard kan de [feiten]rechter zich op dit punt laten adviseren door deskundigen, bijvoorbeeld middels een Pro-Justitiarapportage. Verzoeker begrijpt het zo dat een deskundigenrapportage dus geen noodzakelijkheid is voor het Hof om zich uit te laten over de ontoerekeningsvatbaarheid.
De feitenrechter kan zich — naar het oordeel van de verdediging — dan ook niet ontslaan van haar rechterlijke verantwoordelijkheid zich uit te laten over de toepasselijkheid van art. 39 Sr., indien hier een [uitdrukkelijk onderbouwd] beroep op wordt gedaan, met de reden dat er geen deskundigenrapportages aanwezig zijn.
Middel 2; uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat er bij aangever ‘geen redelijke vrees’ kon ontstaan onvoldoende gemotiveerd verworpen
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder geldt dit voor de motiveringsplicht ex. art. 359 lid 2 Sv. van de vraag of er bij de aangever een redelijke vrees kon ontstaan. Er wordt in dit kader verwezen naar een bewijsoverweging van de politierechter in paragraaf 3.2. Het procesdossier van verzoeker bevat in dit kader echter alleen een mondeling vonnis. Reeds in dit kader is er sprake van onvoldoende onderbouwing. Daarnaast is de context waaronder de uitlating is geschied onvoldoende meegewogen bij het beoordelen van het al dan niet (daadwerkelijk) bedreigende karakter van de uitlating.
Toelichting:
Het tweede middel klaagt dat het Hof voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat bij de aangever geen ‘redelijke vrees’ kon ontstaan onvoldoende gemotiveerd is verworpen.
Overwegingen van het Hof
Het Hof verwijst in dit kader in haar arrest naar de overwegingen van de politierechter. Tevens wordt verwezen naar bewijsmiddel 1, inhoudende een citaat van het bericht:
‘Bij mijn tante is long k geconstateerd. Altijd gezond geweest en volledige vaccinatie gehad. Kom het ooit uit dat het door de vaccinatie komt v.ermo.ord ik je@[voormalig minister], inclusief je dochter’.
Tevens is als bewijsmiddel 2 als voldoende ondersteunend aan de bewezenverklaring meegewogen dat cliënt ter zitting heeft erkend dit bericht te hebben gezonden.
Door verzoeker wordt — zoals bij pleidooi in tweede aanleg aangevoerd — dan ook niet ontkend dat het bericht (door hem) is verzonden.
Door de verdediging is onder punt 4 tot en met punt 20 van de pleitnota echter (uitgebreid) aangevoerd dat door dit bericht niet de redelijke vrees kon ontstaan dat verzoeker zijn dreigement ook daadwerkelijk ten uitvoer zou brengen.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad3. dient de uitlating — om tot een bewezenverklaring te kunnen komen — van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat […] (cliënt de dochter van [voormalig minister] daadwerkelijk zou vermoorden).
Door het enkel aanhalen van de inhoud van het bericht — alsmede de bekentenis van verzoeker is het verweer van de raadsman onvoldoende gemotiveerd verworpen. De ‘context’ waarin de uitlating is gedaan [sociale media] alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan [een uiting van wanhoop van een (op dat moment) verwarde persoon] zijn hierin onvoldoende meegewogen.
Het is bekend dat op ‘sociale media’ ‘allerlei berichten’ van ‘allerlei aard’, spontaan en zonder 'nadere doordenking’ worden geplaatst. Sociale media is zeer toegankelijk en hierop kan door iedereen van alles worden geplaatst. Het is onwenselijk elke meer of minder doordachte uiting meteen als een bedreiging in de zin van art. 285 Sr. te kwalificeren. Al deze uitingen dienen te worden getoetst aan de vraag of deze een ‘daadwerkelijk bedreigend karakter’ in het ‘concrete geval’ kunnen hebben gehad.
Daarnaast bevat het bericht een genoemde voorwaarde die zich nooit zal vervullen namelijk:
‘Komt het ooit uit dat het (‘toevoeging ondergetekende: de longkanker) door de vaccinatie komt dan (…).’
Het is echter een feit van algemene bekendheid dat het coronavirus en longkanker geen enkel verband met elkaar houden. Hiermee is ook de voorwaarde voor het tenuitvoerleggen van de bedreiging van ‘geen enkele inhoud’ en een volledig ‘losse flodder’. Dit is onderbouwd onder punt 11 van de pleitnota waar wordt aangegeven dat het bericht ‘overduidelijk van een verwarde persoon is’.
Het Hof is aan de context van de uitlating en de omstandigheden waaronder deze is gedaan, voorbij gegaan, waardoor de uitspraak niet naar behoren te gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is.
Middel 3; onvoldoende gemotiveerd, althans niet begrijpelijk is het oordeel van het Hof dat de bedreiging onder voorwaarden is gedaan
Het Hof overweegt verder dat het verweer (punt 21 tot en met 25 van de pleitnota) dat de bedreiging niet onder voorwaarde zou zijn geschied wordt verworpen op de grond dat het Hof stelt dat art. 285 lid 2 Sr. niet vereist ‘dat de aangever onder druk moet worden gezet om iets te doen, niet te doen of te laten’.
Daarnaast zou — zo blijkt uit de motivering van het Hof — de aparte strafbepaling van art. 284 Sr. (‘dwang’) de gedraging dat iemand wordt gedwongen om iets te doen, niet te doen of te laten reeds strafbaar stellen.
Het arrest van het Hof is ook op dit punt onbegrijpelijk althans niet naar behoren gemotiveerd.
Op het betwiste punt geeft Tekst en Commentaar weinig helderheid, aangezien de toelichting bij dit artikel zeer summier is. De toelichting verhelderd — naar oordeel van verzoeker — onvoldoende wat er wordt bedoeld ‘bedreiging onder voorwaarden’.
Echter een grammaticale uitleg van art. 285 lid 2 Sr. impliceert dat sprake dient te zijn van een bedreiging waaraan een bepaalde voorwaarde wordt gekoppeld teneinde het gestelde slachtoffer ‘onder druk te zetten’. Indien de wetgever bedoeld zou hebben dat het misdrijf waarmee gedreigd werd zou ingaan op het moment dat een bepaalde voorwaarde zou zijn vervuld zou er grammaticaal gekozen zijn voor een ‘voorwaardelijke bedreiging’.
Het ligt ook niet in de logica van de bedoeling van de wetgever om een voorwaardelijke bedreiging (een bedreiging met een misdrijf indien een bepaald gevolg zou ingaan) als strafverzwarende component te laten meewegen.
Dat een bedreiging met een misdrijf enkel onder bepaald extern gevolg zou geschieden maakt de kans op het intreden van het gevolg immers aanzienlijk kleiner en zou dus niet als strafverzwarend moeten gelden.
Conclusie
Het [uitdrukkelijk onderbouwde] standpunt van de verdediging dat verzoeker ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het tenlastegelegde feit is onvoldoende gemotiveerd verworpen. Ook het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij aangever geen redelijke vrees kon ontstaan is onvoldoende gemotiveerd verworpen. Daarnaast is de uitleg van het Hof van art. 285 lid 2 onbegrijpelijk.
Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd op grond waarvan wordt verzocht tot vernietiging van het arrest van het Hof onder de aangevoerde gronden.
Ik vertrouw erop u hierbij naar behoren te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
I.J.G. van Raab van Canstein
Amsterdam, 19 mei 2025
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑05‑2025
HR 17 oktober 2023 [ECLI:NL:HR:2023:1295]
HR:2012:BY5355 [wordt naar verwezen in bovengenoemd arrest]
ECLI:NL:HR:2004:AT3659