Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/43
43 Nogmaals: terughoudendheid
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505225:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Zwolle-Lelystad (vzr.) 3 april 2009, NJF 2009/268.
Rechtbank Zwolle-Lelystad 3 april 2009, NJF 2009/268, r.o. 4.3.
Rechtbank Zwolle-Lelystad 3 april 2009, NJF 2009/268, r.o. 6.3-6.4.
Rechtbank Zwolle-Lelystad 3 april 2009, NJF 2009/268, r.o. 7.2.
Rechtbank Zwolle-Lelystad (vzr.) 3 april 2009, NJF 2009/268, r.o. 7.3-7.6. Het argument dat procederen in het buitenland hoge kosten oplevert wordt regelmatig aangevoerd ter rechtvaardiging van een Nederlands forum. Dit argument wordt echter – terecht – zelden of nooit gehonoreerd. Zie voor een voorbeeld waarin de hoge proceskosten in Jersey geen ‘forum necessitatis’ ex art. 9 sub c Rv in Nederland kunnen rechtvaardigen: Rechtbank Zutphen (vzr.) 16 januari 2008, NJF 2008/76.
Misbruik van procesrecht en daarmee een verbod tot het instellen van een bepaalde – welomschreven – vordering, blijft de uitzondering. Een uitspraak in kort gedingwaarin een verbod werd gevraagd om rechtsvorderingen in het buitenland (Canada) in te stellen, onderstreept de vereiste terughoudendheid nog maar eens.1 In genoemde zaak is sprake van een door de Nederlandse vennootschap Polmar Engineer B.V. (verder: Polmar) in opdracht gerepareerde zuigerkop voor de motor van een vrachtschip. Na de reparatie is de zuigerkop doorverkocht in een keten van kopers en verkopers. Het vrachtschip waarin de zuigerkop uiteindelijk terecht komt loopt vast in Canadese wateren en Polmar wordt in vrijwaring opgeroepen voor de Canadese rechter. Vervolgens wendt Polmar zich tot de Nederlandse rechter en stelt dat de verschillende betrokken Nederlandse en Canadese partijen misbruik van procesrecht maken door tegen haar (verder) te procederen voor de Canadese rechter. Hieraan legt Polmar een belangenafweging ten grondslag. Het belang van Polmar om niet in Canada in rechte betrokken te worden weegt volgens haar zwaarder dan de belangen die de overige partijen hebben om Polmar voor de Canadese rechter op te roepen. In dat verband stelt Polmar onder meer dat procederen in Canada duur is, dat technische deskundigenrapportages zullen moeten worden vertaald en dat overigens Nederlands recht op de vordering van toepassing is. Bovendien is de afstand voor Polmar een probleem en is zij niet bekend met Canadees procesrecht. Over de vorderingen stelt Polmar dat deze ‘in wezen non-existent, althans hoogst onaannemelijk’ zijn.2 Nadat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat een verbod in beginsel kan worden gegeven indien de gedaagden onrechtmatig zouden handelen door Polmar voor de Canadese rechter te dagen, komt de belangenafweging aan de orde:
‘(…) Door Polmar is aan de onrechtmatigheid ten grondslag gelegd dat gedaagden Polmar in redelijkheid niet in een procedure voor de Canadese rechter kunnen oproepen, gelet op de onevenredigheid tussen hun belang bij de rechtsvordering en de oproeping in Canada en het belang van Polmar om niet in rechte in een procedure voor een Canadese rechter te worden betrokken.(…) Daarmee hanteert Polmar niet geheel de juiste maatstaf. Om een mogelijke onevenredigheid tussen de wederzijdse belangen in aanmerking te nemen, is het nodig die belangen te wegen, maar niet om ze af te wegen in die zin dat het zwaarste belang wint. Het staat een partij vrij voor haar eigen belangen op te komen en, wanneer zij aan dat belang meer prioriteit toekent dan aan dat van anderen, levert dat op zichzelf nog geen misbruik op. Waar het om gaat is of dat eigen belang niet zo futiel is en de aan anderen toegebrachte schade daartoe zozeer in een wanverhouding staat dat elk weldenkend mens daarin aanleiding zou vinden om ten nadele van het eigen belang af te zien van het gebruik van zijn bevoegdheden.’3
Deze precisering van de belangenafweging is geheel in overeenstemming met art. 3:13 lid 2 BW. Vervolgens gaat de voorzieningenrechter in op de stelling van Polmar dat de tegen haar gepretendeerde vorderingen ‘in wezen non-existent, althans hoogst onaannemelijk zijn’:
‘(…) Zij (Polmar, JV) is niet zo ver gegaan de vorderingen ‘kansloos’ te noemen en er daarom de conclusie uit te trekken dat gedaagden kennelijk een ander doel nastreven dan dat waartoe hun de bevoegdheid tot procederen verleend is.(…)’4
Tot slot wordt overwogen dat, kort gezegd, hogere kosten en praktische obstakels nimmer een reden kunnen zijn een partij te verbieden in het buitenland te procederen. De belangen van Polmar zijn niet zodanig dat van een onevenredigheid in de zin van art. 3:13 BWmoet worden gesproken.5 Slechts indien de vordering die tegen Polmar is ingesteld als op voorhand volstrekt kansloos moet worden aangemerkt, heeft zij een kans bij deze verbodsvordering.