De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.4.2
4.4.2 Splitsing in appartementsrechten naar NBW
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS387281:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/374. De kritiek die er ook was bij invoering van art. 875a lid 6 OBW is echter niet verstomd. Venemans 1997, p. 45-46 vraagt zich af welk rechtmatig belang de erfpachtgemeenten hebben om zich langs privaatrechtelijke weg tegen een splitsing te verzetten en pleit voor afschaffing van art. 5:106 lid 7 BW.
HR 23 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5850,NJ 1977/409, m.nt. W.M. Kleijn (Reggezuid).
Vonck 2013, p. 106-107, onder verwijzing naar HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8946,NJ 2006/445, m.nt. M.R. Mok (Doetinchem).
HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7845,NJ 2009/255, AB 2009/327, m.nt. G.A. van der Veen (Amsterdam/Geschiere). De Hoge Raad formuleert de maatstaf in r.o. 3.4.1: “Nu de Gemeente aan Geschiere een publiekrechtelijke vergunning heeft verleend tot het innemen van een staanplaats op de locatie waarvan de Gemeente eigenaar is, heeft zij bij de uitoefening van haar bevoegdheid als eigenaar van de desbetreffende grond tot het al of niet verlenen van privaatrechtelijke toestemming, tot uitgangspunt te nemen dat Geschiere door de verlening van de vergunning is gerechtigd tot het gebruik van de locatie overeenkomstig de vergunning. Daarom levert een weigering door de Gemeente van die toestemming aan Geschiere voor het door hem beoogde gebruik van de locatie overeenkomstig de vergunning, misbruik van bevoegdheid op, tenzij sprake is van zo zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen dat gebruik, dat niet gezegd kan worden dat de Gemeente wegens onevenredigheid tussen haar belang bij weigering en het belang van Geschiere, niet tot die weigering heeft kunnen komen.”
Mertens 1989, p. 46. Het maakt daarbij niet uit of de grondeigenaar een overheidsinstantie of een particulier is, Mertens, in: GS Zakelijke rechten, art. 5:106 BW, aant. 7.1: ‘Weigering van toestemming door de grondeigenaar’ (online, bijgewerkt 8 december 2017).
Ktr. Amsterdam 15 oktober 1974, ECLI:NL:KTGAMS:1974:AC4341,NJ 1976/22 (erfpachter/Amsterdam) waarin de machtiging werd geweigerd en de voorwaarde canonverhoging niet kennelijk onredelijk werd geacht; in de bespreking van dit vonnis in WPNR 1978/5422, p. 111-112 wordt het standpunt ingenomen dat canonherziening een ongeoorloofde voorwaarde voor het verlenen van toestemming voor splitsing in appartementsrechten is; Ktr. Den Haag 17 oktober 1979, ECLI:NL:KTGSGR:1979:AJ0452, Prg. 1980/1429 (Belderbos/’s-Gravenhage) waarin de machtiging werd verleend.
In Ktr. Den Haag 11 april 1983, ECLI:NL:KTGSGR:1983:AC1942,NJ 1984/158 (Schuitemaker-Rog c.s./’s-Gravenhage) werd de machtiging verleend. Vgl. Hof Den Haag 6 januari 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BH3564, NJF 2009/63 (Bevago/Rotterdam), r.o. 5 waarin de formulering van de maatstaf vrijwel identiek was aan die van Ktr. Amsterdam 15 oktober 1974,NJ 1976/22.
Zie Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/377: “In ieder geval zal de rechter mogen toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dit geldt ook voor de burgerlijke rechter, aldus blijkt uit HR 27 maart 1987,NJ 1987/727 (Ikon-arrest).”
Omgekeerd dient bij de belangenafweging ook rekening te worden gehouden met mogelijke kostenstijgingen voor de erfverpachter als gevolg van de splitsing, zie Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/377a: ‘Onzes inziens zal de kantonrechter in dit geval [voorwaarde canonverhoging] kunnen oordelen dat de gemeente haar toestemming kennelijk zonder redelijke grond weigert, tenzij de gemeente kan aantonen dat de splitsing zou leiden tot een verhoging van de tevoren door haar te maken kosten’, en Scheltema 1975, p. 521.
Vgl. Wolters 2013 die stelt dat het gebrek aan evenwicht tussen de betrokken belangen in het algemeen van invloed zal zijn op de werking van de redelijkheid en billijkheid. En op p. 285: “Een verschil in de omvang van de belangen tast de geldigheid van een overeenkomst niet aan. Het Nederlandse recht kent geen iustum pretium-eis. De achterliggende gedachte is echter springlevend. Alle overwegingen over partijautonomie ten spijt (…). Een evenwichtige verdeling van de rechten en plichten is rechtvaardiger dan een onevenwichtige verdeling.”
‘Erfpachtbeleid inzake splitsing in appartementsrechten voor niet-woningcorporaties’, in: Gemeenteblad Amsterdam 2011, afd. 3B, nr. 96, waarbij per 1 september 2011 het besluit van 12 januari 1998 over hetzelfde onderwerp werd vervangen. Bij de stelselwijziging in 2016-2017 bleef het beleid verticale splitsing van erfpachtrechten grotendeels ongewijzigd zoals blijkt uit ‘Vaststellen van het aanvullend erfpachtbeleid voor bestaande erfpachtrechten’, in: Gemeenteblad Amsterdam 2017, nr. 143786 van 16 augustus 2017. Bij dit besluit werd het beleid uit 2011 per 1 januari 2018 ingetrokken en vervangen door het herziene erfpachtbeleid inzake splitsing in appartementsrechten (bijlage 4) waarbij de vereiste bestemmingswijziging naar koopwoning gehandhaafd bleef, zie onder meer <www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/erfpacht/nieuw-beleid/splitsing-apprecht/>, geraadpleegd op 14 juni 2018.
Met de term CHET-akte wordt de notariële akte aangeduid waarmee bij voortdurende erfpachtrechten een bepaalde wijziging van het erfpachtrecht, namelijk de canonherziening aan het einde van een tijdvak wordt vastgelegd. Dit betreft de canon die vanaf het begin van het volgende tijdvak en gedurende dat hele tijdvak zal gelden. Deze wordt aan het einde van een tijdvak bepaald.
Rb. Amsterdam 7 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN0352 (Flatexploitatievereniging/notaris) en Hof Amsterdam 21 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:98 (Flatexploitatievereniging/notaris). Het tweede taxatierapport ten behoeve van de CHET in 2002 ging uit van de bestemming huurwoningen, r.o. 3.1.5. Bij de splitsing in appartementsrechten in de periode 2005-2007 werd de canon op grond van de verplichte wijziging van de bestemming naar koopwoningen flink verhoogd, r.o. 3.1.15.
Hof Amsterdam 21 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:98, r.o. 3.4.4.
HR 24 april 1981,NJ 1982/84, m.nt. W.M. Kleijn, ECLI:NL:HR:1981:AG4180 (Strauss/Amsterdam), r.o. 5.
Omgekeerd dient bij de belangenafweging ook rekening te worden gehouden met mogelijke kostenstijgingen voor de grondeigenaar als gevolg van de splitsing, zie Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5 2008/377a en Scheltema 1975, p. 521.
Art. 6 Beleid splitsing in appartementsrechten van erfpachtrechten, gemeente Amsterdam.
Voor de splitsing van een erfpachtrecht in appartementsrechten is altijd toestemming vereist. Bij de wetswijziging in 1972 werd de verplichte toestemming onder druk van de erfpachtgemeenten gehandhaafd onder toevoeging van de vervangende machtiging van de kantonrechter in art. 875a lid 6 OBW en later art. 5:106 lid 7 BW om de erfpachter enige bescherming tegen willekeur te bieden.1 De toepassing van het toestemmingsvereiste als instrument voor volkshuisvestingsbeleid werd in de rechtspraak met een beroep op de wetsgeschiedenis gesanctioneerd.2 Het in deze zaak beoogde doel van de weigering, het behoud van sociale huurwoningen, wordt tegenwoordig bereikt met toepassing van de Huisvestingswet zodat de privaatrechtelijke weg van het toestemmingsvereiste voor dit doel is afgesloten.3 Het levert misbruik van bevoegdheid op indien de gebruiker van een standplaats zowel een publiekrechtelijke vergunning als privaatrechtelijke toestemming behoeft en de vergunning wel wordt verleend, maar de toestemming benodigd om van die vergunning gebruik te kunnen maken wordt geweigerd, tenzij zwaarwegende belangen zich tegen dat gebruik verzetten.4 Op algemene belangen waarvoor geen exclusieve publiekrechtelijke regeling bestaat kan wel een beroep worden gedaan bij de weigering van privaatrechtelijke toestemming voor appartementensplitsing.
Uit de rechtspraak over art. 875a lid 6 OBW en art. 5:106 lid 7 BW blijkt dat de formulering ‘kennelijk zonder redelijke grond’ betekent dat de kantonrechter de weigering van toestemming slechts marginaal mag toetsen.5 De weigering is redelijk indien de (gemeentelijke) grondeigenaar aantoonbaar de belangen van de erfpachter bij splitsing heeft meegewogen in zijn besluit en daarbij het algemeen belang zwaarder heeft laten wegen.6 De kantonrechter treedt niet in de beleidsvrijheid van gemeenten om de vereiste toestemming vanwege publiekrechtelijke belangen te weigeren.7
De marginale toetsing staat een toetsing aan maatstaven van redelijkheid en billijkheid echter niet in de weg.8 Uit een arrest uit 1981 bleek dat in die zaak de belangenafweging onvoldoende was getoetst omdat het hof had nagelaten een verweer van de erfpachter tegen de voorwaarde canonverhoging te onderzoeken en het antwoord op die vraag had kunnen leiden tot een onredelijke verzwaring van de verplichtingen van de erfpachter.9 Een erfverpachter handelt dus in strijd met de goede trouw indien hij aan toestemming voor splitsing van een erfpachtrecht in appartementsrechten een voorwaarde verbindt die zal leiden tot onevenredige verzwaring van de verplichtingen van de erfpachter, ook indien die voorwaarde wordt gesteld in het algemeen belang.10 Uit de formulering van de Hoge Raad blijkt dat het gaat om de vraag of de erfpachter een sterke verzwaring van zijn lasten had mogen verwachten:
“Bij een bevestigende beantwoording van die vraag [had Strauss erop mogen vertrouwen dat de gemeente conform haar beleid uit 1969 zou handelen en aan toestemming de voorwaarde zou verbinden dat de AB1955 van toepassing werden] zou het aan de splitsingsvergunning verbinden van voorwaarden waarbij de canon verhoogd wordt van ƒ 1751 tot ƒ 15 296 en deze canon door toepasselijkverklaring van de Algemene Bepalingen 1966 geindexeerd wordt (r.o. 3 van ‘s Hofs arrest, punten 4, 5 en 6), een zodanige verzwaring van de verplichtingen van de erfpachter meebrengen dat de gemeente in redelijkheid niet tot haar door Strauss aangevochten beslissing zou hebben kunnen komen.”11
Het gaat wat ver om aan die formulering conclusies te verbinden aangaande het evenwicht in de rechten en verplichtingen die partijen aan de rechtsverhouding kunnen ontlenen, maar er was wel sprake van een disbalans die niet volgde uit de tussen partijen geldende afspraken.12 Een dergelijke rechtvaardigheidsoverweging lijkt ook ten grondslag aan dit arrest te liggen.
Tussentijdse canonherziening berust niet altijd op de geldende erfpachtvoorwaarden, maar kan ook indirect plaatsvinden. De gemeente Amsterdam voerde in 1999 een bijzondere beleidsregel in. Indien een erfpachter op grond van art. 5:106 lid 7 BW of een voorloper daarvan, voornemens is zijn erfpachtrecht te splitsen in appartementsrechten, verbindt de gemeente als erfverpachter aan haar toestemming de voorwaarde dat de bestemming van de woningen in de splitsingsakte zal worden gewijzigd in ‘koopwoning’.13 Dit beleid was bedoeld om de praktijk te beheersen van particuliere eigenaren of erfpachters die blokken met huurwoningen opkochten, splitsten in appartementsrechten om deze daarna per appartementsrecht door te verkopen. De maatregel moest voorkomen dat door dit uitponden teveel huurwoningen aan het sociale woningbestand werden onttrokken. De achterliggende gedachte is dat de bestemming huurwoning minder waarde heeft is dan de bestemming koopwoning. Het curieuze aan deze gang van zaken is dat de oorspronkelijke bestemming van de onroerende zaak uit de vestigingsakte veelal ‘wonen’ was en bij splitsing dus niet wijzigde. De bestemmingswijziging bij appartementensplitsing kan wel leiden tot een onverwachte canonherziening indien in de taxatierapporten ter gelegenheid van de daarop volgende canonherziening bij het einde van een tijdvak naar waarheid en op grond van de opgave van het stadsdeel wordt opgegeven dat de betrokken woningen worden verhuurd. Die canonverhoging is louter het gevolg van een papieren wijziging die aansluit bij de feitelijke situatie en niet bij de bestemming uit de vestigingsakte.
Voor verschillende erfpachters was deze beleidsregel reden om niet in te stemmen met bestemmingswijziging in de CHET-akte.14 Dat gold bijvoorbeeld voor een flatexploitatievereniging, erfpachter van een bouwblok met 24 woningen, in conflict met een notaris die ten onrechte gebruikmaakte van een eerder voor een ander doel afgegeven volmacht.15 De erfpachter had niet ingestemd met de canonherziening op basis van de bestemming huurwoning, maar raakte er door de fout van de notaris toch aan gebonden. Bij de daarop volgende splitsing van een aantal woningen in appartementsrechten werd de canon fors verhoogd wat een negatieve invloed had op de koopprijs van de appartementsrechten. De erfpachter stelde zich op het standpunt dat de bestemming van de onroerende zaak bij gelegenheid van de canonherziening einde termijn ten onrechte was gewijzigd. Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat sprake was van onbevoegde vertegenwoordiging na consultatie van een deskundige die vaststelde dat de canon bij herziening op basis van bestemming koopwoning na splitsing lager uitkwam dan de canon die bij herziening op basis van bestemming huurwoning was vastgesteld en die na splitsing in appartementsrechten werd verhoogd vanwege de bestemmingswijziging.16
De procedure en de beleidsregel zijn bedoeld om de praktijk rond uitponding van huurwoningen te beheersen. Al sinds de invoering van de appartementenwet in 1952 was op grond van de wet toestemming voor appartementensplitsing vereist en werd daaraan in de praktijk ook veelal de voorwaarde canonherziening verbonden. De voorwaarde canonverhoging is niet redelijk indien deze leidt tot een onredelijke verzwaring van de verplichtingen van de erfpachter.17 Een erfverpachter handelt in strijd met de goede trouw indien aan toestemming voor splitsing in appartementsrechten een voorwaarde wordt verbonden die tot onevenredige verzwaring van de verplichtingen van de erfpachter leidt, ook indien die voorwaarde wordt gesteld in het algemeen belang.18 Sinds 2018 stelt de gemeente Amsterdam bij splitsing in appartementsrechten de canon per appartementsrecht vast op basis van de WOZ-waarde bij woningen of de vloeroppervlakte bij bedrijven.19