Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.8.1
2.8.1 Inleiding
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491826:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voorheen werden coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen als bijzondere verenigingsvormen aangemerkt. Sinds de Wet van 16 juni 1988, Stb. 1988, 305, gelden zij als afzonderlijke rechtspersoon. Zie Overes, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334b BW, aantekening 2 (bijgewerkt 12-5-2020), Boschma & Schutte-Veenstra, Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, commentaar op art. 2:310 BW, aantekening 3 (bijgewerkt 1-7-2021), Kroeze 2021, hoofdstuk 10, nr. 471, Roelofs 2014, onderdeel 3.7.3, p. 184, Dijk & Van der Ploeg 2013, onderdeel 13.7, p. 357-358, Van der Sangen, Galle & Dortmond 2007, hoofdstuk V, p. 73 en Koster, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:310 BW, aantekening 2c (bijgewerkt 1-1-2021).
Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 3, p. 6. In de literatuur is gesteld dat deze motivering slechts gedeeltelijk juist is, omdat bij de oprichting niet vereist zou zijn dat er meerdere leden zijn. Zie Overes, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334b BW, aantekening 3 (bijgewerkt 12-5-2020).
Art. 2:334b BW bepaalt als hoofdregel dat de partijen bij een splitsing dezelfde rechtsvorm moeten hebben (lid 1). Daarbij geldt echter dat een NV en een BV als rechtspersonen met dezelfde rechtsvorm worden aangemerkt (lid 3). In de civielrechtelijke literatuur zijn de meeste auteurs van mening dat een vereniging, een coöperatie en een onderlinge waarborgmaatschappij voor de toepassing van de splitsingsregels niet kwalificeren als rechtspersonen met dezelfde rechtsvorm.1 Deze uitleg houdt bijvoorbeeld in dat een splitsing tussen een coöperatie en een vereniging niet mogelijk is.
In art. 2:334b, lid 2, BW is voorgeschreven dat een bij de splitsing opgerichte verkrijgende rechtspersoon de rechtsvorm moet hebben van de splitsende rechtspersoon. Hierop bestaat de volgende uitzondering (art. 2:334b, lid 4, BW): is de splitser een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting, dan kunnen ook NV’s en BV’s worden opgericht en als verkrijger deelnemen aan de splitsing. In zo’n geval is evenwel vereist dat de splitsende vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting bij de splitsing alle aandelen in de desbetreffende NV(‘s) en BV(‘s) verkrijgt. Deze eis maakt duidelijk dat deze uitzondering alleen mogelijk is in het geval van een afsplitsing: de splitser blijft immers voortbestaan. Een splitsing met een NV of BV als splitsende rechtspersoon en nieuw opgerichte verenigingen, coöperaties of onderlinge waarborgmaatschappijen als verkrijgers waarvan de splitsende NV of BV enig lid wordt, is onmogelijk. De wetgever heeft dit gemotiveerd door erop te wijzen dat de oprichting van een vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij een meerzijdige rechtshandeling vereist (art. 2:26, lid 2 en art. 2:54 BW), waarin besloten ligt dat er bij oprichting meerdere leden moeten zijn.2
Hierna besteed ik in onderdeel 2.8.2 en onderdeel 2.8.3 achtereenvolgens uitgebreid aandacht aan de diverse varianten van zuivere splitsing en afsplitsing. Bij deze bespreking komen ook splitsingsvarianten aan bod die onmogelijk zijn of waarvan het de vraag is of zij mogelijk zijn.