Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.4:28.4 Gemeenschappelijk gebruik in relatie tot de eigendom van de weg
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.4
28.4 Gemeenschappelijk gebruik in relatie tot de eigendom van de weg
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS487264:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook reeds Diephuis 1886, p. 300.
Zie casus HR 22 december 1978, NJ 1979, 35 (WMK).
Hof ’s-Gravenhage 5 januari 1922, NJ 1922, 694.
Vgl. casus HR 18 mei 1923, NJ 1923, 916 en HR 12 februari 1999, NJ 2000,17 (WMK).
Smalbraak 1980, p. 41.
HR 3 januari 1945, W 574.
Smalbraak 1980, p. 41.
Diephuis 1886, p. 300.
Vgl. Davids 1988, p. 95. Zie voor twijfel over het karakter van de weg zonder ondergrond ook Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 179.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gaan wij voor het vervolg uit van de leer van het gemeenschappelijk gebruik dan dienen zich – indien wij spreken over de eigendom van de weg – de volgende mogelijkheden aan1:
de weg is eigendom van A en B ieder voor de onverdeelde helft. Zij bestemmen de weg tot uitweg van hun erven;
de weg is t.a.v. de noordelijke helft eigendom van A. De zuidelijke helft is eigendom van B. Zij bestemmen de beide weggedeelten in zijn geheel tot uitweg ten behoeve van de erven a en b;2
de weg is t.a.v. de oostelijke helft van A. De westelijke helft is van B. Zij bestemmen de weg tot uitweg van de erven a en b;3
de weg is eigendom van A. Hij bestemt de weg tot buurweg voor A en B.4
Smalbraak5 merkt de onder 1 tot en met 4 gemelde wegen aan als mandelige wegen. In het eerste geval is mandelig de weg met ondergrond. In het tweede, derde en vierde geval zijn de weg inclusief onder andere verlichting, afvoerputten voor regenwater – maar niet de ondergrond – mandelig. Hij spreekt in de gevallen 2, 3 en 4 van ‘Moderne mandeligheid’. In het arrest uit 18456 leest Smalbraak dat ook de Hoge Raad van mening is dat gemeenschappelijke eigendom van de weg mogelijk is zonder gemeenschappelijke eigendom van de ondergrond.7
Smalbraak beroept zich voorts op Diephuis. En, inderdaad, Diephuis noemt de gevallen zoals hiervoor omschreven.8 Zie ik het echter goed dan wenst Diephuis niet te spreken over een mandelige weg, los van de ondergrond. En terecht! Weg en ondergrond vormen één. Zij maken tezamen één geheel uit. Naar huidig recht is de weg ingevolge art. 3:3 onroerend.9