Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.3.1.2
5.3.1.2 Bedoeling wetgever
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS616162:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 112005/06, 29 834, nr. 12, p. 1, 2 en 15.
Kamerstukken 112005/06, 29 834, nr. 9.
Hetgeen feitelijk mogelijk is, maar — uitgaande van de stelling dat een net in eigen grond een bestanddeel is van de grond — dogmatisch niet het goederenrechtelijke effect laat intreden, zie par. 3.2.5.2.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 2.
Zie het verslag van de behandeling in de Eerste Kamer van 4 december 2006, EK11, p. 11-478: `Ik zeg dan ook graag een evaluatie over vier jaar toe. Nu ik dit heb uitgesproken, ligt dit vastgelegd in de wetsgeschiedenis'.
Hiervoor is aangevoerd dat verdedigbaar is — op basis van de (letterlijke) uitleg van artikel 5:20, tweede lid BW — dat de eigendomsregeling niet ziet op netten die volledig in eigen grond zijn aangelegd. Men zou kunnen stellen dat 'de soep niet zo heet gegeten moet worden als hij wordt opgediend' en dat een zodanig strikte toepassing van genoemd artikel niet aan de orde kan zijn. Immers de bedoeling van de wetgever is toch (vooral) geweest om een regeling te treffen voor netten als zelfstandige onroerende zaken en niet als nagetrokken bestanddelen van een andere zaak.1 In de parlementaire geschiedenis komt op diverse plaatsen deze gedachte van de wetgever terug zoals in de Memorie van Toelichting:2
`De eigendom van een net (...) wordt hier dus geheel losgemaakt van die van de grond. Dit artikel doet recht aan het feit dat een net een feitelijke en functionele eenheid is' (p.4) (...) 'Het gaat om een generieke doorbreking van de verticale natrekking' (p.5) (...) `Een net wordt beschouwd als een zelfstandige zaak.' (p.6)
Op basis hiervan is (ook) verdedigbaar dat artikel 5:20, tweede lid BW niet zodanig strikt moet worden uitgelegd en dat uit de context van de (totstandkoming van de) nieuwe eigendomsregeling in het BW gelezen moet worden dat de zelfstandige positie van het net ten opzichte van de grond altijd prevaleert en dus dat netten in eigen grond ook geregeerd worden door de eigendomsregeling. Het zou de bedoeling van de wetgever kunnen zijn geweest om een regeling te introduceren die recht doet aan het feit dat een net altijd een zelfstandige onroerende zaak is, althans een zelfstandige functionele eenheid. Op een net in eigen grond moet dan op basis van deze uitleg — los van de grond — ook een hypotheek worden gevestigd door de grondeigenaar. `Verzelfstandiging' van het net door inschrijving3in de openbare registers is dan helemaal niet nodig omdat het net in ieder geval (altijd al) als een zelfstandige zaak moet worden beschouwd. De consequentie van deze uitleg is dan ook — en daar zal menig grondeigenaar niet van zijn doordrongen — dat deze twee zelfstandige onroerende zaken steeds apart moeten worden behandeld. Derhalve zullen steeds twee zaken overgedragen moeten worden of twee hypotheken gevestigd moeten worden op zowel het net als de grond.
Samenvattend: het in deze paragraaf verwoorde aspect — kan een net nog een bestanddeel zijn van de grond — is niet als zodanig aan de orde geweest bij de totstandkoming van de nieuwe eigendomsregeling. De focus van deze regeling was (en is) de vraag wie eigenaar is van een net in andermans grond. Deze focus is als zodanig (letterlijk) verwoord in de genoemde regeling. Feit blijft dat de praktijk toch altijd 'net' even anders kan zijn dan de theorie en dat is het geval bij netten die de grondeigenaar volledig in eigen grond aanlegt. In deze situatie is niet voorzien door de wetgever en de vraag is of dit onder het huidige artikel 5:20, tweede lid BW is te brengen. Op basis van de (mogelijke) bedoeling van de wetgever zou er vanuit gegaan kunnen worden gegaan dat netten die volledig in eigen grond zijn aangelegd, ook als zelfstandige zaken moeten worden beschouwd. Mijns inziens kan op grond van de huidige tekst van de nieuwe eigendomsregeling niet van dit standpunt worden uitgegaan en zou ik willen concluderen dat netten die volledig in eigen grond zijn aangelegd, conform artikel 5:20, eerste lid BW als een bestanddeel van de grond moeten worden beschouwd. De wetgever gaat overigens er ook vanuit dat de eigendomsregeling een uitzondering is op de hoofdregel:4
`Het aan het vermogensrecht ontleende uitgangspunt is het zakenrecht dat als hoofdregel verticale natrekking kent, waarop uitzonderingen bestaan. Hier wordt voor een bepaalde onroerende zaak (cursivering BJ) een dergelijke uitzondering gemaakt.'
Gelet hierop kan gesteld worden dat de wetgever 'slechts' voor netten in andermans grond die uitzondering heeft gemaakt, maar dat buiten die uitzondering (te weten: voor netten volledig in eigen grond), de hoofdregel van artikel 5:20, eerste lid BW is blijven gelden.
Om echt opheldering over dit aspect te krijgen moet een uitdrukkelijk appel op de wetgever worden gedaan. Zoals eerder weergegeven (par. 5.2.2.3) heeft de wetgever, aan het oordeel van de Hoge Raad dat een net een zelfstandige en functionele eenheid vormt, het gevolg verbonden dat een net 'dus' als een zelfstandige zaak is te beschouwen. Als dit ook daadwerkelijk het uitgangspunt van de wetgever is geweest, dan zou ik ervoor willen pleiten dat de wetgever dit fundamentele aspect (dat dus niet rechtsstreeks voortvloeit uit de kabelarresten) alsnog regelt in de wet. Thans is immers op basis van de huidige tekst van de nieuwe eigendomsregeling verwarring (blijven) bestaan over de vraag of de zelfstandige positie van een net ook geldt voor netten in eigen grond. Wanneer ervan uitgegaan moet worden dat een net in eigen grond (eveneens) een zelfstandige zaak is, dan zou uitbreiding van artikel 3:4 BW met daarbij aanpassing van artikel 5:20, tweede lid BW de meest zuivere oplossing zijn, maar anders zal aanpassing en uitbreiding van artikel 5:20 BW ook tot de mogelijkheden kunnen behoren (zie hiervoor). In het geval de wetgever niet kiest voor een dogmatische oplossing dan zou de wetgever — als minst fraaie oplossing — ervoor kunnen kiezen om tijdens de evaluatie5 van de eigendomsregeling in ieder geval uitdrukkelijk te 'bevestigen' dat het (altijd) ook de bedoeling is geweest om netten in eigen grond onder de nieuwe regeling te brengen. Derhalve te bevestigen dat netten die volledig in eigen grond zijn aangelegd ook zelfstandige zaken zijn en als zodanig niet worden nagetrokken door de grond. Door deze 'bevestiging' tijdens de evaluatie van de regeling zal in ieder geval duidelijkheid ontstaan over de bedoeling van de wetgever met deze nieuwe regeling, ondanks dat de letterlijke tekst van artikel 5:20, tweede lid BW iets anders kan doen vermoeden. Mocht de wetgever zich overigens niet uitlaten over dit punt, dan mag ervan uitgegaan worden dat netten in eigen grond als bestanddeel van de grond moeten worden beschouwd.