Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.4.1.1
8.4.1.1 De beperkingen van het pandrecht op vorderingen
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS412264:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1199 OBW.
Het vereiste dat de pandakte een schriftelijke akte met zekere dagtekening moest zijn, heeft de wetgever al in 1874 laten vallen. Zie over de discussie naar aanleiding van het oorspronkelijke artikel: Lioni 1885, p. 189 e.v. Vgl. Verdaas 2008, nr. 47.
Zie: §7.3.4.1. Vgl. Rb Roermond 7 mei 1987, NJ 1988/505 (Swinkels/Zanderink); Guyot VIII (1784), p. 621.
Zoals eerder opgemerkt is er geen behoefte aan specialiteit indien er geen kenbaarheid voor derden is. Slechts indien de wetgever voorschrijft dat de vordering bij de kennisgeving specifiek aangeduid moet worden, is het pandrecht speciaal. Dit zou echter oververzekering niet voorkomen, omdat het pandrecht alsnog niet kenbaar is voor latere schuldeisers.
HR 18 januari 1889, W. 5666 (Zuidhollandsche Crediet-vereeniging/Roest q.q.) en HR 25 februari 1898, W. 7090 (Berkemeijer/Seignette).
HR 30 oktober 1919, NJ 1919/1156 (Pfann/Hoost). Vgl. Rb ‘s-Hertogenbosch 6 november 1903, W. 8043 (De R/R-K kerkbestuur en G q.q.) en Meijers 1919, p. 159 e.v.; De Kat 1921, p. 270.
Het OBW kende slechts een openbaar pandrecht op vorderingen.1 Artikel 1199 OBW vereiste een kennisgeving aan de schuldenaar van de verpande vordering voor de vestiging van het pandrecht.2 De publiciteit van het openbare pandrecht op vorderingen had een andere functie dan de publiciteit van pandrechten op onroerende en roerende zaken. Het kennisgevingsvereiste strekte primair tot bescherming van de zekerheidsgerechtigde. Als gevolg van de kennisgeving kon de zekerheidsgever niet meer het zekerheidsrecht teniet laten gaan door bijvoorbeeld de vordering te innen.3 Daarnaast verhinderde het vereiste dat de zekerheidsgever de vordering nogmaals verpandde en de pandakte antedateerde. Het openbare pandrecht voldeed niet aan het specialiteitsbeginsel in ruime zin, omdat een openbaar pandrecht een generaal karakter kon hebben. Een zekerheidsgever kon al zijn bestaande en toekomstige vorderingen op zijn schuldenaar (bij voorbaat) verpanden, mits mededeling was gedaan. Deze kennisgeving moest voldoende informatie bevatten aan de hand waarvan de schuldenaar van de verpande vordering(en) kon vaststellen om welke vordering(en) het ging. Het specialiteitsbeginsel kon geen functie vervullen, omdat de kennisgeving geen publiciteit voor derden tot gevolg had. Latere verkrijgers en latere zekerheidsgerechtigden konden niet aan de hand van openbare gegevens vaststellen of een bepaalde vordering was bezwaard.4
Het kennisgevingsvereiste beperkte partijen meer dan een stil zekerheidsrecht. In de eerste plaats konden de zekerheidsgever en de zekerheidsnemer het zekerheidsrecht niet geheim houden voor de schuldenaar van de verpande vorderingen. In de tweede plaats vooronderstelde het vereiste van kennisgeving dat de schuldenaar van de verpande vordering bekend was. Hierdoor kon een zekerheidsgever zijn toekomstige vorderingen niet verpanden. Naast deze beperkingen ten opzichte van het stille (en generale) pandrecht kende de wet de zekerheidsnemer geen inningsbevoegdheid toe ten aanzien van de verpande vordering.5 De Hoge Raad heeft in 1919 geoordeeld dat de pandhouder deze bevoegdheid slechts kon ontlenen aan een onherroepelijke volmacht tot inning.6