Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.6.5
4.6.5 Het systeem van de wet als ‘afrondingsfactor’
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302815:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Kolder, JA 2014/59.
Conclusie voor HR 31 mei 1963, NJ 1966/338 (Ingeschaarde vaars).
‘Inscharing’ betekent als reeds gezegd dat men vee in een gemeenschappelijke weide of, in dit geval, in andermans weide doet grazen.
Parl. gesch. Boek 6, p. 761, 764.
Brunner 1984, p. 13.
Zie par. 3.2 en 3.3.
Een ander voorbeeld van een ‘afrondingsfactor’ op het gebied van kwalitatieve aansprakelijkheid is te vinden in de conclusie van A-G Spier sub 4.4.2 voor het Hangmat-arrest, waarin hij ter bepaling van het beschermingsbereik van art. 6:174 de almaar afbrokkelende sociale zekerheid in de afweging betrok: ‘Zeker als “afrondingsfactor”, te weten wanneer de argumenten pro en contra elkaar goeddeels in evenwicht houden, zou het van beslissende betekenis kunnen zijn.’
Dat art. 6:181 ten opzichte van art. 6:173, 174 en 179 niet ‘slechts’ een uitzonderingskarakter heeft maar daarentegen juist ‘voorop’ staat, kan naar mijn idee in grensgevallen gewicht in de schaal leggen. Bestaat in geval van schadeveroorzaking door een in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde zaak twijfel over de te maken keuze tussen een aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker óf bezitter, dan kan het systeem van de wet als ‘afrondingsfactor’ ten faveure van de toepassing van art. 6:181 hebben te gelden. Ter illustratie wijs ik op Rb. Oost-Brabant 27 februari 2014, JA 2014/59, m.nt. Kolder (Beleren paard en bezitter). Een particuliere bezitter van een jong paard wilde dit dier zelf trainen en africhten (‘beleren’). Omdat zijzelf geen ervaring had met het rijden op en trainen van paarden, bracht de bezitter haar dier onder bij een manege. Op deze manege nam zij tegen betaling lessen, in die zin dat zij onder instructie en begeleiding van de manege op haar eigen paard reed. Toen de betreffende instructeur de bezitter op zeker moment een bepaalde vorm van longeren wilde tonen, trapte het paard plotseling naar voren en raakte daarbij de instructeur. Deze sprak daarop de bezitter tot vergoeding van de letselschade aan op grond van art. 6:179. Laatstgenoemde verweerde zich met de stelling dat het paard ten tijde van het ongeval door de manege bedrijfsmatig werd gebruikt in de zin van art. 6:181, zodat niet op haar als bezitter maar op de manege zélf de kwalitatieve aansprakelijkheid rustte. De rechtbank oordeelde dat de situatie afweek van die in HR 1 april 2011, NJ 2011/ 405, m.nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta), waarin in een geval van het ‘beleren’ van een paard de manege inderdaad als bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181 had te gelden. De rechtbank overwoog dat in de Loretta-zaak de bezitter het beleren van zijn paard volledig had uitbesteed aan de manege, terwijl in de voorliggende zaak de bezitter het beleren zélf wilde doen waarbij zij samen met haar paard lessen kreeg van de manege. Omdat aldus ‘de bemoeienis’ van de manege met het paard in de voorliggende zaak ‘aanmerkelijk minder vergaand’ was dan die van de manege in de Loretta-zaak, viel de manege in de voorliggende zaak volgens de rechtbank niet als bedrijfsmatige gebruiker van het paard ex art. 6:181 aan te merken. Daarmee rustte volgens de rechtbank de kwalitatieve aansprakelijkheid op de in art. 6:179 bedoelde bezitter van het dier.
In mijn annotatie van deze uitspraak heb ik er al op gewezen dat deze uitkomst niet vanzelfsprekend is.1 Zo is het toepassingsbereik van art. 6:181 ruim en vormt ‘zeggenschap’ – wie heeft de grootste mate van invloed op en controle over de aan de zaak of het dier verbonden risico’s? – een belangrijk aanknopingspunt voor deze aansprakelijkheid. De rechtbank zit ook op dit spoor door te overwegen dat ‘de Hoge Raad in het Loretta-arrest een “tamelijk ruime uitleg” aan art. 6:181 heeft gegeven’ en bovendien betekenis toe te kennen aan de mate van ‘bemoeienis’ van de manege met het paard. Deze kwestie is mijns inziens als grensgeval aan te merken: zowel de manege als de bezitter had een zekere ‘bemoeienis’ met het schadeveroorzakende paard. Op wie van beiden behoort nu de keuze te vallen als kwalitatief aansprakelijke persoon? Hier zou een wetssystematisch argument als ‘afrondingsfactor’ de doorslag kunnen geven. Nu in het stelsel van art. 6:181 jo. 179 (alsmede art. 6:173 en 174) de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker ‘voorop’ staat en die van de bezitter slechts fungeert als ‘vangnet’, meen ik dat bij gerede twijfel de voorkeur moet uitgaan naar het geven van toepassing aan art. 6:181. Anders gezegd, in grensgevallen gaat van art. 6:181 een ‘absorberende’ werking uit.
Ter nadere adstructie wijs ik op de visie van P-G Langemeijer, die in zijn conclusie voor het Ingeschaarde vaars-arrest inging op de keuze waarvoor art. 1404 OBW de rechtspraktijk stelde in geval van schadeveroorzaking door dieren: een aansprakelijkheid van hetzij de eigenaar, hetzij de gebruiker.2 In deze zaak ontsnapte een kalf uit een weiland, liep de openbare weg op en veroorzaakte een verkeersongeval. De eigenaar van het kalf had zijn dier tegen betaling ‘ingeschaard’ in het weiland van een ander.3 Doel van de inscharing was een waardevermeerdering van het dier ten bate van de eigenaar. De discussie spitste zich toe op de vraag of de aansprakelijkheid voor de door de ingeschaarde vaars aangericht schade ex art. 1404 OBW nu op de eigenaar óf de inschaarder (als ‘gebruiker’) behoorde te rusten. Daarbij werd ook het destijds inmiddels verschenen ontwerp-artikel 6.3.11 O.M. betrokken, de vroege voorloper van het huidige art. 6:179. Art. 6.3.11 O.M. deed de aansprakelijkheid nog rusten op degene die het dier onderhoudt. Lid 3 van art. 6.3.11 O.M. bepaalde daarbij dat de eigenaar wordt vermoed ‘de onderhouder’ van het dier te zijn.4 Langemeijer wees erop dat bij de inscharingsovereenkomst, waarbij de inschaarder tegen vergoeding van de eigenaar levensonderhoud aan het dier verstrekt, twijfelachtig is van wie gezegd moet worden het dier te ‘onderhouden’. Waar de toelichting op het ontwerp-art. 6.3.11 O.M. zijns inziens geen duidelijkheid gaf, wees Langemeijer ten aanzien van de niettemin binnen art. 1404 OBW te maken keuze voor de eigenaar óf gebruiker erop:
‘dat de omstandigheid, dat het ontwerp een vermoeden opstelt dat het de eigenaar is die het dier onderhoudt, in een twijfelachtig geval tot een beslissing in diens nadeel zal kunnen leiden.’
Dat de wetgever de eigenaar als de ‘in beginsel’ aansprakelijke persoon ziet, kan volgens Langemeijer dus een zeker gewicht in de schaal leggen, en wel in die zin dat in een grensgeval het voor de hand ligt voor díe persoon als aansprakelijke te kiezen. De Hoge Raad oordeelde in het Ingeschaarde vaars-arrest uiteindelijk ook dat de inschaarder niet viel aan te merken als ‘gebruiker’ van het dier ex art. 1404 OBW, waarmee de eigenaar in dit (grens)geval inderdaad als aansprakelijke had te gelden.
Ook Brunner heeft al betoogd dat bij de beoefening van het aansprakelijkheidsrecht betekenis kan toekomen aan wat nu als ‘beginsel’ of ‘uitgangspunt’ heeft te gelden. Zo meende hij ten aanzien van ‘samenloop’ dat wanneer twijfel blijft bestaan over de al dan niet toepasselijke rechtsregel(s), in het voorkomende geval op grond van ‘het beginsel van cumulatie’ exclusiviteit van de in aanmerking komende regelingen moet worden verworpen.5 De vraag naar de verhouding tussen de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 enerzijds en anderzijds de bezitter in art. 6:173, 174 en 179 is zoals reeds gezegd ook als een vraag van samenloop te beschouwen.6 Dat art. 6:181 ten opzichte van dit drietal artikelen exclusieve werking heeft, is echter niet twijfelachtig. Afgaande op de visie van Brunner kan mijns inziens echter ook bij binnen het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 te maken keuzes qua aansprakelijke persoon betekenis toekomen aan wat als uitgangspunt heeft te gelden. Houden in een concreet geval de argumenten pro en contra aansprakelijkheid van de één (bedrijfsmatige gebruiker) óf de ander (bezitter) elkaar goeddeels in evenwicht, dan zal het systeem van de wet in die zin dienst doen als ‘afrondingsfactor’ dat de keuze valt op de toepasselijkheid van art. 6:181.7 In het huidige systeem heeft namelijk nu eenmaal niet de bezitter maar de bedrijfsmatige gebruiker als de ‘in beginsel’ aansprakelijke te gelden. Oftewel, bij twijfel kiezen voor het wettelijk uitgangspunt.