Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.4.3:7.3.4.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.4.3
7.3.4.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602947:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R.N.F. Zuidgeest, ‘Flexibel BV-recht en ‘verbondenheid’ in het belastingrecht: buigen of barsten?’, WFR 2007, p. 1162.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitsluiting van investeringsaftrek op basis van art. 8 lid 8 onderdeel b en c Wet VPB 1969 geldt alleen voor vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal. De bepaling lijkt niet van toepassing op verplichtingen die zijn aangegaan tussen een coöperatie en haar leden, of tussen een coöperatie en een daarmee verbonden lichaam. Hiermee is de regeling niet neutraal ten opzichte van de rechtsvorm.
Het valt voorts op dat de relatie tussen de belastingplichtige en een lichaam in art. 8 lid 8 onderdeel b Wet VPB 1969 wordt omschreven met een scherpe norm, namelijk het bezit van ten minste 33'/3% van het nominaal gestorte kapitaal, terwijl in art. 3.46 Wet IB 2001 het ruimere begrip ‘belang’ wordt gebruikt. Op basis van de antimisbruikfunctie vind ik het gebruik van het begrip ‘belang’ overigens logischer.
Ten aanzien van art. 8 lid 8 onderdeel b en c Wet VPB 1969 geldt geen soortaandelenbenadering. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel ‘Vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht’ (31 058) zouden aandelen zonder stemrecht of winstrecht, of aandelen met beperkt stemrecht of winstrecht, aan een andere persoon kunnen worden gegeven. Hierdoor zou een aandeelhouder in feite nog steeds de volledige zeggenschap of winstgerechtigdheid in een BV kunnen hebben, zonder dat sprake is van het bezit van ‘ten minste een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal’.1 In juridisch opzicht zou de aandeelhouder dan niet ‘verbonden’ zijn, maar economisch beschouwd wel. Verplichtingen die de BV aangaat met deze aandeelhouder zijn niet uitgesloten van investeringsaftrek. De andere personen die de aandelen zonder stemrecht of winstrecht houden, zouden zelfs naaste familieleden kunnen zijn. Immers, in art. 8 lid 8 onderdeel b en c Wet VPB 1969 ontbreekt een toerekening van aandelenbelangen die worden gehouden door personen die behoren tot de familiekring van de aandeelhouder.
Om dergelijke onbedoelde effecten te voorkomen, zou voor de uitsluiting van art. 8 lid 8 onderdeel b en c Wet VPB 1969 kunnen worden aangesloten bij de begrippen ‘verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 4 en 5 Wet VPB 1969. Bovendien zou dan een meer uniform geheel ontstaan. Voorts zou de bepaling dan beter aansluiten bij art. 3.46 Wet IB 2001.