Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.5.3.2
III.6.5.3.2 Vervreemdings- en verteringsbevoegdheid
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624631:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Stollenwerck 2007, p. 5.
De omvang van de bevoegdheid tot vervreemden en verteren is overigens door de erflater zelf bepaald. Erflater kan bij de verlening van de bevoegdheid tot vervreemding en vertering evenwel bepalen dat de bezwaarde voor het vervreemden of verteren de toestemming van een of meer door erflater aangewezen personen nodig heeft. Anders gezegd: erflater kan het uitoefenen van de bevoegdheid tot vervreemding en vertering afhankelijk maken van andermans wil (art. 3:215 lid 2 BW).
HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8282, NJ 2004/487 (Boerenplaatsje).
Met de bevoegdheid om te vervreemden en verteren lijkt de bezwaarde de inhoud, meer in het bijzonder het object, van de verkrijging van de verwachter te kunnen bepalen en zo bezien lijkt het dan te gaan om wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking (zie deel II van dit onderzoek). Maar niets is minder waar. De bezwaarde kan met de bevoegdheid om te vervreemden en te verteren weliswaar (indirect) invloed uitoefenen op wat de verwachter van het door erflater aan de bezwaarde vermaakte zal verkrijgen. Echter het voorwaardelijke karakter van de tweetrapsmaking maakt dat de bezwaarde met de bevoegdheid om te vervreemden en te verteren in feite slechts bepaalt in hoeverre de tweetrapsmaking werkt. Zij werkt niet ten aanzien van hetgeen door de bezwaarde wordt vervreemd en/of verteerd. De bevoegdheid tot vervreemding en vertering zou kunnen worden beschouwd als een extra ontbindende respectievelijk opschortende voorwaarde. Namelijk de voorwaarde dat er een overschot is op het tijdstip van het einde van het bezwaar.1 Het toekennen van een vervreemdings- en verteringsbevoegdheid betreft dan ook wilsdelegatie ten aanzien van de werking van de tweetrapsmaking.2 In het verlengde hiervan ligt de bevoegdheidsverlening door de erflater aan de bezwaarde om bij uiterste wil over de tot de tweetrapsmaking behorende goederen te beschikken. De Hoge Raad stond in zijn uitspraak van 16 januari 2004, NJ 2004/487,3 het zogenoemde ‘Boerenplaatsje-arrest’, een dergelijke bevoegdheidsverlening toe en introduceerde hiermee de voorwaardelijke tweetrapsmaking: een making onder dubbele voorwaarde (ofwel de tweede trap zelf is ook voorwaardelijk).