Omzetting van rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/3.5.7:3.5.7 Voorwaarden betreffende de deelgerechtigden
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/3.5.7
3.5.7 Voorwaarden betreffende de deelgerechtigden
Documentgegevens:
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS497635:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals opgemerkt in paragraaf 3.5.2 wordt de omzetting op grond van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 aangemerkt als een uitkering van het vermogen aan de deelgerechtigden tot dat vermogen naar mate van hun deelgerechtigdheid. Met deze fictie wordt beoogd de fiscale claim af te wikkelen op de winstreserves van de omzettende rechtspersoon die tot uitdrukking kunnen komen in een winstuitkering of in een vervreemdingswinst. In dit verband is het van belang dat de uitkeringsfictie blijkens art. 28a lid 2 Wet VPB 1969 ook geldt voor de heffing van inkomsten- en dividendbelasting.
Met het oog op de positie van de deelgerechtigden heeft de Staatssecretaris van Financiën in het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 een aantal specifieke standaardvoorwaarden uitgevaardigd. Het betreft de standvoorwaarden 4 tot en met 8. Zij hebben een beperkter toepassingsbereik dan standaardvoorwaarde 1 tot en met 3 die betrekking hebben op de omzettende rechtspersoon zelf (zie par. 3.5.6 hiervóór). Zo worden blijkens onderdeel 2 van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 de voorwaarden 5 tot en met 7 niet gesteld bij de omzetting van verenigingen en stichtingen. In hoofdstuk 4 en 5 bespreek ik de voorwaarden die betrekking hebben op de deelgerechtigden aan de hand van een aantal concrete omzettingsvarianten.