Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/1.5
1.5 Wet Belastingherziening 1950
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345526:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 29 september 1950, S. nr. K 423.
MvT, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1948-1949, 1251, nr. 3, blz. 11, art. 8, eerste alinea, laatste volzin.
VV, nr. 6, blz. 18, eerste alinea.
MvA, 1949-1950, nr. 8, blz. 18, vijfde alinea.
Zoo ok H.J.W. Klein Wassink, t.a.p., blz. 993
Wet van 16 december 1964, Stb. 519; in werking getreden per 1 januari 1965.
MvA, Tweede Kamer, Wet IB 1964, blz. 38 Korte toelichting op de Wet IB 1964, paragraaf 11, onderdeel 1, derde alinea.
§ 10, eerste lid, derde alinea.
In gelijke zin Eindverslag bij het ontwerp van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, blz. 9, punt 17.
T.a.p.
In de naoorlogse jaren trachtte de Nederlandse wetgever zich zoveel mogelijk van de invloeden van de Duitse bezettingsmacht op de Nederlandse belastingwetgeving te ontdoen. In de Wet Belastingherziening 19501 werden een aantal typische Duitsrechtelijke bepalingen in het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 geschrapt, waaronder de uiteenzettingen omtrent inhoud en toepassing van het begrip bedrijfswaarde in het tweede lid van artikel 10 van het Besluit. Art. 8 Wet Belastingherziening 1950 bevat een samenvatting van de regeling met betrekking tot het waarderen van bedrijfsmiddelen uit het Besluit IB 1941.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet Belastingherziening 1950 leek het er bijna op dat de toepassing van het begrip bedrijfswaarde in de inkomsten- en vennootschapsbelasting niet geaccepteerd zou worden. De toenmalige Minister van Financiën stelde zich aanvankelijk op het standpunt2 dat waardering van bedrijfsmiddelen op bedrijfswaarde voortaan niet meer toelaatbaar was. Vervolgens vroegen enkele Tweede Kamerleden zich af3 of dit tot gevolg had dat bijvoorbeeld de melkveehouder zijn vee niet meer op bedrijfswaarde zou kunnen waarderen. In antwoord op deze vraag stemde de Minister van Financiën alsnog in met de mogelijkheid van waardering van bedrijfsmiddelen op (lagere) bedrijfswaarde4.
Conclusie: bij de invoering van de Wet Belastingherziening 1950 is het voorschrift betreffende waardering van activa op lagere bedrijfswaarde niet meer expliciet in het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 opgenomen. Dit waarderingsvoorschrift maakte inmiddels echter deel uit van het voorgeschreven goed koopmansgebruik5 en zodoende is slechts een tekstuele wijziging van de wettekst bereikt. Het begrip bedrijfswaarde blijft echter onverkort een belangrijke rol spelen bij de vaststelling van de winst uit onderneming.
De bepalingen van artikel 8 Wet Belastingherziening 1950 werden overgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 19646. Tijdens de parlementaire behandeling van deze wet werd toegezegd, dat waardering op lagere bedrijfswaarde mogelijk bleef7.
Opvallend bij de Korte toelichting Wet IB 19648 is dat deze slechts ingaat op een situatie waarbij zich door bijzondere omstandigheden tussen de datum van bestelling en die van ingebruikneming een daling van de gebruikswaarde voordoet. Dit verlies kan alleen tot uitdrukking worden gebracht indien het gekozen waarderingsstelsel daarvoor ruimte laat doordat het waardering op lagere bedrijfswaarde als element bevat. Met het oog hierop dienen volgens de Korte toelichting de inspecteurs geen bezwaar te maken tegen een met het eerste door de wet beheerste boekjaar ingaande wijziging van het waarderingsstelsel van bedrijfsmiddelen, waarbij naast kostprijs minus afschrijving, de lagere bedrijfswaarde als element wordt opgenomen9.
Zowel in de Korte toelichting als in het Eindverslag wordt uitsluitend ingegaan op de daling van de gebruikswaarde in de periode tussen datum bestelling en datum ingebruikneming (welke niet door middel van normale of vervroegde afschrijving in aanmerking kan worden genomen). Is bedrijfswaarde fiscaal gezien uitsluitend te begrijpen in verband met een miskoop e.d.? Bestaat er alleen in dergelijke gevallen de mogelijkheid tot waardering op lagere bedrijfswaarde? Welnu, een bedrijfswaardedaling na ingebruikneming van het bedrijfsmiddel komt in de Korte toelichting in het geheel niet voor, terwijl het in de praktijk toch met name daarom gaat. Daarbij kan gedacht worden aan situaties van een structurele onderrentabiliteit van de onderneming. Beperking van de bedrijfswaardeproblematiek tot het element miskoop is een grove simplificering van dit vraagstuk en doet geen recht aan de betekenis van het begrip bedrijfswaarde voor het Nederlandse belastingrecht.
Ook de Memorie van Antwoord, blz. 32 schept geen helderheid in dit vraagstuk. Citaat: 1...) het risico van veroudering tussen het tijdstip van bestelling en dat van de ingebruikneming zal, zoals de aan het woord zijnde leden terecht opmerken, eveneens ten laste van de winst kunnen worden gebracht, als vermindering van de gebruikswaarde van het bedrijfsmiddel ten gevolge van in dat tijdsbestek optredende veroudering aannemelijk is. De ondergetekenden achten dit resultaat te verkiezen boven de bestaande toestand, waarin ook het laatstbedoelde verouderingsrisico min of meer automatisch door de normale afschrijving kan worden "opgevangen". Het risico van veroudering van een bedrijfsmiddel tussen het tijdstip van bestelling en dat van ingebruikneming zal, hoewel bij een langer tijdsverloop tussen beide gebeurtenissen theoretisch wellicht vrijwel altijd aanwezig, in feite toch slechts in een betrekkelijk gering aantal gevallen aan de dag treden.'
Uit het hiervoor gememoreerde kan alleen maar worden geconcludeerd dat de bewindslieden (zonder dit met zoveel woorden te noemen, kennelijk doelen op afwaardering op lagere bedrijfswaarde.
Overigens kan uit het Eindverslag10 worden opgemaakt dat bij een stijging van de bedrijfswaarde, de fiscale waardering dient te worden verhoogd totdat het plafond van kostprijs minus afschrijvingen is bereikt.