Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/1.1
1.1 Inleiding
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345538:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband bijvoorbeeld HR 7 december 1994, nr. 29 334 met conclusie A-G Van Soest, BNB 1995/ 88 met noot van G. Slot, FED 1995/68 met noot van Th.S. IJsselmuiden.
Wet van 2 oktober 1893, Stb. nr. 149.
Zie B. Schendstok, Fiscale winstbegrippen in Nederland, Kluwer, Antwerpen/Deventer, 1959, blz. 16.
J.P. Sprenger van Eijk, De wet ter belasting van bedrijfs- en andere inkomsten, Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage, 1894.
R.E.C.M. Niessen, Op zoek naar de oorsprong van goed koopmansgebruik, Verburgbundel, Opstellen over vennootschap en belasting, 1994, Kluwer, Deventer, blz. 193.
Wet van 19 december 1914, Stb. nr. 563.
De Wet op de Inkomstenbelasting 1914 volgde de Wet op de bedrijfsbelasting per 1 mei 1915 op en 'degradeerde' de vermogensbelasting tot een aanvullende heffing.
Wet van II januari 1918, Stb. nr. 4.
Zo ook J.H.H. Jacobs, Het bedrijfsmiddel, academisch proefschrift, Amsterdam, G.U., 1974, blz. 124.
H.J.W. Klein Wassink, Bedrijfswaarde bij structurele veranderingen, Weekblad 1974/5200, blz. 995.
J.H.R. Sinninghe Damsté, De wet op de inkomstenbelasting, Suyling-serie nr. 1, W.E.J. Tjeenk Willink Zwolle, vijfde druk, 1939.
Vergelijk HR 12 januari 1927, B. 3978.
HR 9 mei 1935, B. 5806.
Uit HR 19 oktober 1938, B. 6761 volgt dat bij waardering van onroerende zaken op verkoopwaarde niet alleen een waardedaling maar ook een waardestijging op de balans tot uiting komt; bij dit stelsel kan van afschrijving ingevolge 'slijtage' geen sprake zijn.
Zie in dit verband tevens een arrest van de Hoge Raad van 14 december 1938, B. 6797. De Raad van Beroep oordeelde dat een afschrijving op onroerende zaken mag worden toegepast, die in overeenstemming is met achteruitgang van de bedrijfswaarde, welke deze goederen door gebruik in het bedrijf of andere met het bedrijf samenhangende factoren in het desbetreffende jaar hebben ondergaan. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat dit stelsel ook kan worden toegepast doordat jaarlijks de achteruitgang in bedrijfswaarde wordt gewaardeerd.
Om een scherp beeld te krijgen van het fiscaal-juridische begrip 'bedrijfswaarde' in Nederland is het noodzakelijk om terug te keren naar het verleden om zo de historische `roots' van deze term te achterhalen. Allereerst echter een korte opmerking over de huidige stand van zaken. Het begrip 'bedrijfswaarde' is inmiddels niet meer weg te denken uit rechtstheorie en rechtspraktijk van de Nederlandse belastingwetgeving met name op het gebied van de inkomsten-en vennootschapsbelasting. In een groot aantal arresten heeft de Hoge Raad bij voortduring de definitie van het begrip `bedrijfswaarde' herhaald1 te weten: `de waarde welke een verkrijger bij overneming van de gehele onderneming zou toekennen aan het afzonderlijke activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en voornemens zou zijn de onderneming voort te zetten'. De jurisprudentie over het begrip bedrijfswaarde heeft met name betrekking op de waardering van deelnemingen en onroerende zaken. Onder specifieke omstandigheden kan de verkoopwaarde overigens grondslag zijn voor de afboeking van een activum wegens vermindering van de bedrijfswaarde.
Dit onderzoek neemt een aanvang met de beschrijving van het moment en de wijze waarop het begrip bedrijfswaarde (in de huidige betekenis van het woord) zijn intrede heeft gedaan in de Nederlandse belastingwetgeving. Al gauw zal blijken dat de Tweede Wereldoorlog en de jaren van de Duitse bezetting hierbij een sleutelrol hebben vervuld. Dit is een van de redenen dat in dit hoofdstuk de wettelijke regelingen uit de Duitse bezettingsjaren zijnde:
het Besluit op de Winstbelasting 1940
het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941
het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 centraal komen te staan.
De eerste stap naar een volwassen belastingwetgeving in Nederland zien we in het jaar 1893. Toen werden door middel van de Wet op de bedrijfsbelasting 18932 enkele voorlopers van de huidige fiscale winstbegrippen in het Nederlandse belastingrecht geïntroduceerd, waaronder bijvoorbeeld de afschrijving (als weergave van vermoedelijke waardevermindering van eigendommen, uitsluitend voor bedrijf of beroep aangewend). 'Goed koopmansgebruik' speelde bij het bepalen van de periodewinst weliswaar een zekere ro13, echter niet krachtens de wettekst, maar via de gezaghebbende commentator Sprenger van Eijk4. In de wet kwam het begrip 'goed koopmansgebruik' als zodanig dan ook niet voor, echter wel in paragraaf 26 van de leidraad bij de Wet van 1893. Aldaar is te vinden: 'Bij deze afschrijvingen neme men, (...) de gebruiken van een eerlijk, nauwgezet koopman tot maatstaf.' Volgens Niessen5is de oorsprong van goed koopmansgebruik daarmee te zoeken bij de oudste inkomstenbelasting die ons land heeft gekend zijnde de Wet van 1893.
Enkele jaren later, in 1914 en 1918 zien we dat zowel in de Wet op de Inkomstenbelasting 19146, 7 alsmede de Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 19178 het fenomeen bedrijfswaarde (in de huidige betekenis van het woord) onbekend is. Weliswaar hanteert de Hoge Raad de term bedrijfswaarde in de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 maar dan in de betekenis van gebruikswaarde9, ofwel als waardebegrip waarmee de afschrijving van bedrijfsmiddelen tot uitdrukking wordt gebracht. Klein Wassink10 wijst er overigens op dat nog in 1939 in een gezaghebbend commentaar als dat van Sinninghe Damsté11, in het alfabetische register het begrip bedrijfswaarde niet opgenomen is. Deze omstandigheid suggereert eveneens dat het begrip bedrijfswaarde in de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 geheel en al onbekend was.
In de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 zijn geen nadere voorschriften opgenomen omtrent de methode van winstbepaling. Dit heeft tot gevolg dat elke methode geoorloofd is12 die niet in strijd komt met goed en degelijk koopmansgebruik. Jaarlijkse schatting van bedrijfsmiddelen op hun werkelijke waarde is dus mogelijk, mits dit stelsel maar geregeld en stelselmatig wordt toegepast. Afschrijving van bedrijfsmiddelen wegens waardevermindering tengevolge van gebruik of technische veroudering is echter bij toepassing van deze methode niet mogelijk. Op 9 mei 193513 oordeelde de Hoge Raad in vergelijkbare zin. Summa summarum: er is sprake van een óf/ óf-situatie: óf jaarlijks schatten op werkelijke waarde casu quo verkoopwaarde 14 óf jaarlijks afschrijven casu quo waarderen tot op bedrijfswaarde15. Aan belanghebbende de keus.