Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.2.2
17.3.1.2.2 Verplichtend karakter vordering zonder wettelijke grondslag?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500784:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In pt. 6 van zijn noot onder de uitspraak wijst Feteris erop dat de HR in het strafrecht dan al eerder binnen zekere grenzen de mogelijkheid heeft aanvaard dat de politie gebruik maakt van onderzoeksmethoden en -technieken, zonder dat daarvoor een wettelijke basis is te vinden in Sv. De mogelijkheid van onderzoekshandelingen zonder dat daarvoor een wettelijke basis bestaat, is ook erkend in de bestuursrechtelijke literatuur over de bevoegdheden van toezichthouders. In het arrest formuleert de HR echter geen norm aan de hand waarvan men kan bepalen hoe ver de fiscus daarin mag gaan. Beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, zullen waarschijnlijk maatgevend zijn, aldus Feteris.
A-G Dorst, conclusie bij HR 29 oktober 1996, NJ 1997, 232 (m.nt. Schalken), pt. 13.
Zo die al bestaan, dan moet worden aangenomen dat boetevragen van de inspecteur die niet op art. 47, lid 1, onder a AWR steunen, geen verplichtend karakter hebben en dus niet hoeven te worden beantwoord. Aanleiding voor twijfel is de uitspraak van 27 september 2002, nr. 36 676. Daarin oordeelt de belastingkamer van de HR dat de enkele informatievordering van de inspecteur voldoende is om de verplichting tot medewerking voor toezichtsdoeleinden in het leven te roepen; dus ook wanneer die niet aangeeft op welke wettelijke grondslag deze vordering steunt.1 Dit oordeel kan op zichzelf worden doorgetrokken naar de verplichting tot medewerking voor boetedoeleinden. Het arrest laat mijns inziens de vraag open of deze verplichting dan toch (impliciet) steunt op art. 47, lid 1, onder a AWR.2
Belang wettelijke grondslag; vrijwillige verklaringen en misbruik van ambtelijk gezag
Zo er al boetevragen zonder verplichtend karakter bestaan, dan speelt het boeterechtelijk zwijgrecht daarbij geen rol. De verdachte hoeft daarop niet te antwoorden. De vraag is wel of de boeteling zich bewust is van het onverplichte karakter van deze vragen. Vgl. de situatie waarin iemand bezoek aan huis krijgt, zich daardoor overvallen voelt en de gestelde vragen zonder nadenken of ruggespraak met bijvoorbeeld een fiscaal adviseur, beantwoordt.
Wanneer de inspecteur de betrokkene ‘aanzet’ c.q. (psychologisch) dwingt te verklaren omtrent de overtreding, zonder daarbij aan te geven dat die niet hoeft te antwoorden, dan is mogelijk sprake van misbruik van ambtelijk gezag. Vgl. A-G Dorst die in zijn conclusie bij het arrest van de strafkamer van de HR van 29 oktober 1996, nr. 102966 (betreffende strafvorderlijke inbeslagneming ex art. 81 AWR jo. art. 94 Sv), opmerkt dat bevoegdheidsuitoefening zonder wettelijke grondslag geënt lijkt te zijn op de gedachte dat ambtenaren mogen speculeren op mogelijke gebrekkige wetskennis van burgers. Dan is het maar een kleine stap naar misbruik van ambtelijk gezag, waaronder ook valt de aanmatiging van een bevoegdheid die de ambtenaar niet toekomt.3
Misbruik van ambtelijk gezag betekent niet dat het boeterechtelijk zwijgrecht toepasselijk is op vragen zonder verplichtend karakter. De verklaringen zijn dan wel onbevoegdelijk verkregen.