Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.9.3.5
2.9.3.5 LAB en VAB: Ministerie, directeur, coördinator-AWR/contactambtenaar ADWA en inspecteur
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469258:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal strafrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 8 van de Resolutie van 27 oktober 1954, no. 160 (V-N 1954, blz. 664).
In par. 27 LAB 1961 is een uitzondering opgenomen ten aanzien van verhogingen inzake de omzetbelasting. Deze konden volgens artikel 37, lid 2 van de Wet OB 1954 maximaal 200 procent bedragen.
Volgens het LAB 1971 kan de directeur nl., zoals eerder opgemerkt, zaken aan het ministerie voorleggen wanneer geen sprake is van verzachtende omstandigheden, maar er toch een wanverhouding is tussen de ernst van het feit en de hoogte van de boete dan wel bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht die kwijtschelding van de boete rechtvaardigen.
Par. 21, lid 7 VAB 1993.
Hiervoor zijn reeds enkele bestuurslagen en functionarissen de revue gepasseerd die door de jaren heen een taak toebedeeld hebben gekregen in het bestuurlijke boeteproces. De algemene tendens in de rolverdeling was dat de inspecteur besliste over de wettelijke boete en de kwijtschelding naar mate van verwijtbaarheid en dat de directeur de beslissing van de inspecteur controleerde1 en eventueel de boete nog verder kwijtschold als daar aanleiding toe was. Het ministerie kwam alleen in uitzonderlijke gevallen van strafverzwaring2 of strafvermindering3 in beeld.
De inspecteur oordeelde in beginsel over de eventuele aanwezigheid van strafverzwarende omstandigheden, omdat hij verantwoordelijk was voor het opleggen van de verhoging. De directeur had hierbij, volgens de Resolutie van 27 oktober 1954, slechts een controlerende rol. Deze rolverdeling is gehandhaafd in de LAB 1961, LAB 1971 en de LAB 1984, waarbij de controlerende functie van de directeuren tot uiting kwam in het toepassen van hun kwijtscheldingsbevoegdheid .
In de loop der jaren is de bevoegdheid met betrekking tot het opleggen en kwijtschelden van boeten steeds meer bij de inspecteur beland. Ook is geleidelijk de controlerende functie van de directeur verdwenen. In het VAB 1993 is nog een beperkte rol weggelegd voor de AWR-coördinator of de contactambtenaar AWDA in geval van recidive4 of verdergaande kwijtschelding.5 Ook moet in geval van twijfel over samenloop met een strafzaak de directeur en eventueel het ministerie nog worden geraadpleegd (paragraaf 30, lid 7 VAB 1993).
Uiteindelijk is met de inwerkingtreding van het BBBB met ingang van 1 januari 1998 de inspecteur voor het gehele boetespectrum ‘in the lead’ gebracht.