Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.6.1:5.6.1 Successiewet 1956
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.6.1
5.6.1 Successiewet 1956
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS349184:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
B. Schendstok, Fiscale winstbegrippen in Nederland, losbladige uitgave, Kluwer, Deventer, blz. 31.
Nota naar aanleiding van het eindverslag, zitting 1983/1984, nr. 17 041.
Brief van 16 juni 1993, nr. AFP93/ 165, V-N 1993, blz. 2011.
Aantekening 63 bij artikel 21 Successiewet 1956, supplement 181, mei 1995.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 21 van de Successiewet 1956 luidde tot 1 januari 1985: 'Indien zaken behoren tot een bedrijfs- of beroepsvermogen, wordt het geheel dier zaken ten minste gesteld op de prijs, welke een gegadigde, die voornemens zou zijn het beroep of bedrijf voort te zetten, voor de overneming van die zaken zou besteden.'
De gehanteerde terminologie in dit artikel lijkt sterk op het begrip bedrijfswaarde. Maar volgens Schendstok1 gaat het daarbij niet om een eigenlijk onuitvoerbare schatting van onderdelen van het geheel (zoals bij bedrijfswaarde het geval is), maar 'er wordt gezegd dat de (bepaalbare) gezamenlijke waarde in de plaats treedt van de lagere som van de waarden der delen, welke laatste waarden veelal onbepaalbaar zijn.' Deze mening is op zijn minst vatbaar voor discussie doordat zowel het vaststellen van de overnemingswaarde van de onderneming als geheel als ook de bedrijfswaarde van een individueel activum, in de praktijk een moeilijke aangelegenheid blijkt te zijn.
Met ingang van 1 januari 1985 hanteert de Successiewet het meer algemene waarderingsbegrip 'waarde in het economische verkeer' (een begrip dat ook in andere heffingswetten wordt gebruikt). Het huidige eerste en vijfde lid van art. 21 van de Successiewet vertonen trouwens grote verwantschap met het eerste en derde lid van art. 9 Wet op de vermogensbelasting 1964 waarbij (evenals voor de vermogensbelasting) ook voor het successie- en schenkingsrecht geldt dat sprake is van een niet-belastbaarheid van goodwill. Tijdens de parlementaire behandeling2 is mede in relatie tot het begrip bedrijfswaarde het volgende verwoord: 'Volgens de voorgestelde bepaling van artikel 21, vijfde lid, dienen goederen die in het economische verkeer als eenheid plegen te worden beschouwd, te worden gewaardeerd met inachtneming van die omstandigheid. Evenals de voorgestelde bepaling inzake goodwill is ook deze bepaling ontleend aan de Wet op de vermogensbelasting 1964. De afbakening van de begrippen bedrijfswaarde en goodwill heeft tot nu toe in de vermogensbelasting geen aanleiding gegeven tot noemenswaardige problemen. Ik zie dan ook geen reden om te veronderstellen dat zich tussen de voorgestelde bepalingen voor de Successiewet 1956 wel dergelijke afbakeningsproblemen zullen voordoen.'
Volgens de staatssecretaris3 kunnen bij de toepassing van art. 21, vijfde lid Successiewet 1956 elementen als badwill en onderrentabiliteit in de waardering van ondernemingen worden betrokken.
Fundamenteel met betrekking tot de waarde van een tot een eenheid behorende zaak is naar de mening van de bewerker van de Vakstudie Successiewet 19564 het volgende:
`Het complex van goederen dat in het economische verkeer een eenheid vormt kan, als geheel gewaardeerd, een hogere of ook wel een lagere waarde hebben dan de som van de afzonderlijk gewaardeerde goederen, of daaraan gelijk zijn. (...) Het huidige voorschrift is niet beperkt tot goederen die tot een beroeps- of bedrijfsvermogen behoren, maar heeft betrekking op alles wat in het economische verkeer als een eenheid pleegt te worden beschouwd. Voorts was het oude voorschrift (dat tot 1 januari 1985 gold en duidelijker aansloot bij de klassieke bedrijfswaardedefinitie / GM) blijkens de term "ten minste" een minimumwaardering, terwijl het huidige voorschrift steeds geldt, ook als de waardering als complex tot een lagere waardering leidt dan de som van de afzonderlijk gewaardeerde samenstellende delen van het complex.'
Met het bovenstaande is de doctrine duidelijk weergegeven, rest nu alleen nog door middel van jurisprudentie enige verheldering aan te brengen in de relatie tussen bedrijfswaarde en de Successiewet 1956.