Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.4.3:5.4.3 Wat betekent een ruimer sanctie-arsenaal voor de andere toepassingsvereisten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW?
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.4.3
5.4.3 Wat betekent een ruimer sanctie-arsenaal voor de andere toepassingsvereisten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW?
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973589:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In die zin ook Spronck 2022, p. 116.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, NJ 2014/497 (Van de Steeg/Rabobank), r.o. 4.2.4.
Idem, r.o. 4.2.6.
Vgl. Hijma 2016*, p. 177-178.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag rijst of een ruimer sanctie-arsenaal zou moeten leiden tot een wijziging in de toepassingsvereisten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. De Hoge Raad sleutelt tot op heden met name aan de lengte van de onderzoeks- en klachttermijn. Hij vormt de bepaling van de lengte van die termijn in feite om tot een belangenafweging op basis van alle omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder tussen enerzijds het belang van de schuldeiser om zijn recht geldend te maken en anderzijds het belang van de schuldenaar om niet geconfronteerd te worden met late en moeilijk betwistbare klachten.1 Als de belangen van de verkoper niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de koper een gebrek aan voortvarendheid te verwijten, aldus de Hoge Raad uitdrukkelijk.2 De Hoge Raad brengt deze richtsnoeren in verbinding met de gestrengheid van de sanctie op de wettelijke klachtplichten. De rechter moet in dit kader namelijk rekening houden met het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren: rechtsverval.3
Gelet op die koppeling van het ingrijpende rechtsgevolg van de klachtplicht en de lengte van de onderzoeks- en klachttermijn, ligt het voor de hand dat op dit punt de panelen gaan schuiven wanneer de sanctie van de wettelijke klachtplichten wordt gerelativeerd. Ook vanuit het Obliegenheit-perspectief is dat logisch: verval van recht is vooral te rechtvaardigen wanneer het stilzitten van de schuldeiser tot een zodanige situatie bij de schuldenaar heeft geleid, dat hij niet langer in redelijkheid met wat voor vordering dan ook ter zake de gebrekkige prestatie geconfronteerd kan worden. De Hoge Raad introduceert een dergelijk proportionaliteitsdenken in art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW, maar neemt daarbij de aard van de sanctie als vast uitgangspunt.
Door in feite alles op te lossen in de onderzoeks- en klachttermijn zijn twee toch wel wat onwenselijke neveneffecten ontstaan. Ik stipte die al aan in par. 5.3.2 hiervoor. In de eerste plaats komt op deze manier nadruk te liggen op de termijn zelf. Dit terwijl de klachtplichten vooral zijn geschreven voor casus waarin de schuldeiser op een specifiek moment jegens de schuldenaar had moeten klagen, maar hij dat moment heeft gemist. Het is in dat soort gevallen dat de schuldeiser op grond van de consistentieplicht, die aan art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW ten grondslag ligt, gehouden is zich uit te spreken (zie ook par. 2.4.1-2.4.4 en par. 2.6.1 hiervoor). De focus op de termijn, hoewel gebaseerd op een belangenafweging die goed past bij het rechtsverwerkingskarakter van de klachtplichten, is ergens een vorm van verjaringsdenken. Bovendien zou ik, met Hijma, denken dat deze uitleg van de klachttermijn tot lange termijnen kan leiden die, als men naar de tekst van de wet kijkt (‘binnen bekwame tijd’), op gespannen voet staan met de strekking van de wet.4
Relativering van de sanctie van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW stelt rechters in staat om minder krampachtig naar een redelijke oplossing te zoeken binnen de klachttermijn. Het stelt hen namelijk in aanvulling daarop in de gelegenheid om met een op maat gesneden sanctie het specifieke nadeel weg te nemen dat in een gegeven geval door het stilzitten van de schuldeiser is veroorzaakt. Dat kan tot een gebalanceerde toepassing van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW leiden. Een toepassing die bovendien beter aansluit bij de bedoeling van de klachtplichten op grond van de daaraan ten grondslag liggende consistentieplicht: de schuldeiser aansporen om niet stil te zitten op het specifieke moment dat spreken van hem wordt verwacht en de risico’s die zich als gevolg van dat stilzitten ontstaan voor zijn rekening te laten.