Inspecteur van de Belastingdienst/[P].
HR, 26-06-2015, nr. 13/04067
13/04067, Conclusie: Contrair, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-06-2015
- Zaaknummer
13/04067
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1736, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑06‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2013:5305, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1844, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑06‑2015
ECLI:NL:PHR:2014:1844, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑09‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1736, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑10‑2013
- Vindplaatsen
BNB 2015/178 met annotatie van E.B. PECHLER
NTFR 2016/195
NTFR 2015/2075 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs
FutD 2015-1572
Viditax (FutD) 2015062601
V-N 2014/58.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2014/2732 met annotatie van mr. C.J.D. Warren
Uitspraak 26‑06‑2015
Inhoudsindicatie
Loonbelasting. Procesrecht. Art. 27e, letter b (oud), en 52, lid 1, AWR. Geen omkering en verzwaring bewijslast op grond van gebreken die niet relevant zijn voor de in geschil zijnde belastingsoort.
Partij(en)
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 13/04067
26 juni 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2013, nr. 12/00549, op het hoger beroep van de Inspecteur alsmede het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 2 augustus 2012 (nr. AWB 10/1882) betreffende aan belanghebbende over de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2007 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift alsmede een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 september 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van beide beroepen.
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende exploiteerde in de onderhavige jaren (2003 tot en met 2007) een restaurant. In het restaurant werd ten behoeve van het opnemen en het afrekenen van bestellingen gebruik gemaakt van een geautomatiseerd systeem (hierna: het systeem). Het systeem had een maximale opslagcapaciteit van circa tweeduizend bestellingen.
2.1.2.
In 2007 heeft de Arbeidsinspectie drie controles uitgevoerd in het restaurant, te weten op 8 maart en op 6 en 17 november (hierna: de arbeidscontroles). Bij de eerste controle is geconstateerd dat in de keuken van het restaurant twee personen werkzaam waren die niet waren opgenomen in de (loon)administratie. Bij de tweede en derde controle is hetzelfde geconstateerd met betrekking tot telkens één persoon.
2.1.3.
De Inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld, waarin tevens de bevindingen van de Arbeidsinspectie tijdens de arbeidscontroles zijn betrokken. In het boekenonderzoek is onder meer geconstateerd dat de in het systeem ingevoerde detailgegevens van de bestellingen (hierna: de detailgegevens) op enig moment uit het systeem zijn verwijderd, waarna alleen nog de totaalbedragen per bestelling, de datum van de bestelling, het tijdstip van verkoop en de betaalwijze waren te raadplegen. De detailgegevens zijn ook niet op andere wijze bewaard gebleven. Op grond van de bevindingen van de Arbeidsinspectie heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende werknemers in dienst heeft gehad die niet in de (loon)administratie zijn opgenomen en op die grond de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in maart en november 2007 personen in dienst heeft gehad die niet waren opgenomen in de loonadministratie. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze gebreken in de loonadministratie toepassing van de in artikel 27e AWR voorziene sanctie van de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast voor het jaar 2007 rechtvaardigen. Het Hof heeft het door de Inspecteur gedane beroep op omkering en verzwaring van de bewijslast voor de eerdere jaren verworpen, omdat naar zijn oordeel de hiervoor bedoelde gebreken in de loonadministratie niet kunnen worden geëxtrapoleerd naar die eerdere jaren en er ook overigens geen aanleiding bestaat voor toepassing van de omkering en de verzwaring van de bewijslast voor die jaren. Aan dit laatste oordeel heeft het Hof mede ten grondslag gelegd het oordeel dat het niet bewaren van de detailgegevens geen schending oplevert van de in artikel 52, lid 1, AWR omschreven verplichtingen.
3. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
3.1.
De middelen 1 en 2, die zich richten tegen het hiervoor in 2.2 als eerste vermelde oordeel, kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2.
Middel 3 betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de boete niet in geschil is en ten onrechte onbehandeld heeft gelaten belanghebbendes stelling dat geen sprake is van opzet.
Het Hof heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat de vergrijpboete betreffende het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 € 13.630 bedraagt en vervolgens beoordeeld in hoeverre er reden is voor matiging van die boete.
Indien het Hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat niet in geschil is dat de boete terecht is opgelegd (en alleen de hoogte daarvan in geschil is), is dat oordeel onbegrijpelijk, aangezien belanghebbende voor het Hof zijn voor de Rechtbank ingenomen standpunten en stellingen heeft herhaald, waaronder de stelling dat geen sprake is van opzet als voorwaarde voor beboeting.
Indien het Hof ervan is uitgegaan dat ook de grond voor de boeteoplegging in geschil is, is zijn oordeel over de boete ontoereikend gemotiveerd, omdat uit ‘s Hofs uitspraak niet blijkt van behandeling van belanghebbendes voormelde stelling. Het middel slaagt derhalve.
4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
4.1.
Het middel richt zich tegen ‘s Hofs oordeel dat ondanks het niet bewaren van de detailgegevens geen sprake is van een schending van de in artikel 52, lid 1, AWR bedoelde verplichtingen.
4.2.
Ingevolge artikel 52, lid 1, AWR is belanghebbende, kort gezegd en voor zover hier van belang, verplicht een zodanige administratie te voeren dat daaruit te allen tijde de voor de heffing van belasting van belang zijnde gegevens duidelijk blijken. Gelet op het processuele karakter van het in artikel 27e AWR aan schending van die verplichting verbonden gevolg van omkering en verzwaring van de bewijslast kan dit gevolg niet intreden indien de gestelde gebreken niet relevant zijn voor de heffing van de belasting waarover het geschil tussen de belastingplichtige en de inspecteur bestaat.
4.3.
De onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen vinden hun grond in de bevindingen van de Arbeidsinspectie tijdens de arbeidscontroles. Uit ‘s Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet van feiten en omstandigheden die het Hof aanleiding hadden moeten geven te oordelen dat het niet bewaren van de detailgegevens of enig ander gebrek in de administratie relevant is voor de beantwoording van de vraag in hoeverre belanghebbende loonbelasting/premie volksverzekeringen is verschuldigd. Gelet op het hiervoor in 4.2 overwogene kan het middel reeds hierom niet tot cassatie leiden.
5. Slotsom
Gelet op het hiervoor in 3.2 overwogene kan ‘s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
6. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het voor de behandeling van de zaak bij de Rechtbank betaalde griffierecht en omtrent de door de Rechtbank en het Hof toegekende proceskostenvergoedingen,
verwijst het geding naar het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3920 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op26 juni 2015
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 478.
Beroepschrift 26‑06‑2015
Inleiding
De omschrijving van het geschil behelst:
- —
schending van het recht en schending van het motiveringsbeginsel.
Belanghebbende verzoekt om een proceskostenvergoeding overeenkomstig de Awb.
Cassatiemiddel 1
1.
Het recht — in het bijzonder de artikelen 8:69 Awb en 8:77 Awb en de artikelen 1, 2, 6, 9 en 10 Wet LB — is geschonden en/of naleving is verzuimd op straffe van nietigheid doordat het hof niet heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat belanghebbende het oordeel, uit overweging 4.1 ‘niet heeft bestreden’.
Het Hof heeft geoordeeld:
‘4.1
De Rechtbank heeft geoordeeld dat op basis van de bevindingen van de arbeidsinspectie aannemelijk is dat in maart en november 2007 in het restaurant van belanghebbende personen in loondienst waren welke niet in de administratie waren opgenomen. Het Hof neemt dit oordeel en de door de Rechtbank daartoe gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Belanghebbende heeft dit oordeel ook niet bestreden.’
2.
Dit oordeel kan niet worden gedragen door de feiten.
Gemachtigde en belanghebbende hebben zowel tijdens de beroepschriften, de nadere stukken, de pleitnotities en tijdens de zittingen meermaals naar voren gebracht dat geen sprake was van een dienstbetrekking, omdat a) geen loon is betaald en b) geen sprake was van een gezagsverhouding en c) geen sprake was van een dienstbetrekking.
3.
Tijdens de zitting voor het hof is het volgende door gemachtigde verklaard, zie pag. 5 proces verbaal van zitting (productie 3):
‘Belanghebbende heeft zelf verklaard dat hij vreemdelingen hielp en dat deze af en toe een half uurtje in de keuken meehielpen. Er was echter geen sprake van een gezagsverhouding. Deze mensen komen, eten en zijn binnen een uur weer weg. Hij betwijfelt of ze ook werkzaamheden ten behoeve van klanten hebben verricht.’
Het gaat veelal om dakloze illegalen die door belanghebbende worden geholpen. Belanghebbende is voorzitter van diverse Chinese verenigingen welke Chinezen in den vreemde ondersteunen in moeilijke situaties. Het is ‘not done’ voor belanghebbende om personen die voor een maaltijd komen weg te sturen. Dit is zeer uitgebreid ter sprake gekomen tijdens de zitting, vooral voor de rechtbank. Tevens is dit uitvoerig weergegeven tijdens beroepschriften, nadere stukken en pleitnotities.
4.
In het nader stuk van 20 maart 2013 is voor het hof naar voren gebracht:
‘Tijdens de procedure voor de rechtbank is met veel bewijs aangetoond, en tijdens de zitting is dat uitgebreid besproken, dat belanghebbende vanuit haar positie van voorzitster en bestuurslid van verschillende Chinese verenigingen veel hulpbehoevende Chinezen kort onderdak en eten heeft bezorgd. Deze illegale personen hebben hier soms een korte tegenprestatie voor verricht in de keuken en hebben soms hun eigen maaltijd bereid. Deze hulpbehoevende en vaak dakloze personen kwamen niet om te werken maar meestal slechts voor een maaltijd. Er is dan ook nooit sprake geweest van een dienstbetrekking omdat geen sprake is van een gezagsverhouding en geen verplichting tot betalen van loon, ook niet in natura.’
5.
In het verweerschrift van belanghebbende voor het hof is naar voren gebracht:
‘De standpunten en verweren, ingebracht tijdens de procedure voor de rechtbank, worden integraal ingebracht.
De overwegingen en beslissingen van de rechtbank komen belanghebbende, behoudens enkele punten, zie incidenteel hoger beroep, juist over.
De ingebrachte standpunten van de belastingdienst worden dan ook weersproken.’
6.
De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake was van een dienstbetrekking en dat geen loon is verstrekt aan de illegalen.
7.
Tevens oordeelt de rechtbank (productie 4 pag 4 en 5):
‘Eiser betwist dat illegaal in Nederland verblijvende personen werkzaam zijn geweest in de keuken. De personen die zijn aangetroffen bij de controles van de Arbeidsinspectie waren volgens eiser Chinese vreemdelingen die door eiser werden geholpen. Eiser stelt dat deze personen hun maaltijd bereidden in de keuken.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de illegalen werkzaamheden hebben verricht maar dat zij hiervoor geen geld hebben ontvangen. De rechtbank berekent hiervoor een klein bedrag aan kost en inwoning.’
8.
Tijdens de zitting voor de rechtbank is verklaard door belanghebbende (zie PV pag. 5 van zitting, productie 5):
‘‘—
dat zij in 1990 naar Nederland zijn gekomen;
dat zij andere Chinezen moet helpen met eten en drinken;
dat het nu niet meer over zoveel mensen gaat;
dat de mensen nooit zijn betaald;
dat zij enkel eten en drinken kregen;
dat in het begin soms ook mensen bleven slapen.’
9.
In het nader stuk van belanghebbende van 14 mei 2012 aan de rechtbank is het volgende naar voren gebracht:
‘Hierbij doe ik u ten behoeve van bovenstaande gevoegde procedure het boeterapport en de boetebeschikking toekomen. Op grond hiervan heeft geen strafrechtlijk onderzoek plaatsgevonden, zie brief van de belastingdienst van 23 april 2012.
Deze stukken tonen aan dat de stellingen van belanghebbende over het aanwezig kunnen zijn van ex-landgenoten in het restaurant of in de keuken van belanghebbende juist zijn. Voor cliënt is het geen optie om bezoek in het restaurant te ontvangen. Dit gebeurt meestal in de keuken.’
10.
In het nader stuk van 18 januari 2012 is zeer uitgebreid ingegaan op de loonbelastingproblemen naar aanleiding van de rapporten van de arbeidsinspectie. De conclusie in dit stuk was dat er geen dienstbetrekking en geen loon kon zijn ten aanzien van de vermeende illegalen.
11.
Ook in het beroepschrift voor de rechtbank is zeer uitgebreid ingegaan op de stellingen van de belastingdienst over het arbeidsinspectierapport. De stelling is steeds geweest dat deze personen geen loon hebben ontvangen, slechts een maaltijd.
12.
In de pleitnota voor de rechtbank is het volgende naar voren gebracht:
‘De belastingdienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat personeel zwart is betaald. Belanghebbende heeft de stelling gemotiveerd bestreden. De arbeidsinspectie stelt iets anders dan door de belastingdienst naar voren is gebracht. De arbeidsinspectie stelt slechts dat twee keer een onbekend persoon aanwezig was in de keuken met een schort om en activiteiten zou hebben verricht. In de keuken dient op grond van voorschriften op het gebied van hygiëne een schort te worden gedragen. De derde keer was het een familielid. Dit blijkt tevens uit de afgelegde verklaringen en uit de mogelijkheid om dat ter plaatse te controleren.
Er is niet vastgesteld dat er sprake is geweest van dienstbetrekkingen buiten het geregistreerde personeel en de meehelpende familieleden om. Ook is niet vastgesteld dat loon is uitbetaald. Er is een significant verschil tussen ergens aanwezig zijn, waarbij al dan niet activiteiten worden verricht, en een dienstbetrekking.
De aanwezige familieleden en personeelsleden kunnen op eenvoudige wijze de bezetting invullen.
Belanghebbende beschikt niet over zwart inkomen waaruit zwart loon betaald zou kunnen worden. Dit is ook niet vastgesteld of aannemelijk gemaakt door de belastingdienst.’
Wettelijk kader dienstbetrekking
13.
Conform de Wet op de loonbelastingdienst dient sprake te zijn van:
- •
werknemer;
- •
loon;
- •
dienstbetrekking.
Aan geen enkele van deze criteria wordt voldaan. Er is geen dienstbetrekking, zowel niet op basis van een overeenkomst en er is ook geen gezagsverhouding tijdens bezoek van de hulpbehoevende bij belanghebbende. Er is ook geen duurzame relatie. Meestal is het bezoek eenmalig. Dat betekent dat de personen die soms een maaltijd krijgen ook geen werknemer kunnen zijn.
Er wordt geen loon verstrekt, althans geen geldelijke betaling. Dat is door de rechtbank vastgesteld en het hof heeft niet anders geoordeeld.
Conclusie cassatiemiddel 1
14.
Primair kan de overweging van het hof: ‘dat bij belanghebbende personen in loondienst waren welke niet in de administratie waren opgenomen. Het Hof neemt dit oordeel en de door de Rechtbank daartoe gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Belanghebbende heeft dit oordeel ook niet bestreden.’, geen stand houden omdat hier een wettelijke grondslag voor ontbreekt en niet overeenkomt met hetgeen is ingebracht en vastgesteld tijdens de procedures. Het oordeel is zowel in strijd met het motiveringsbeginsel als met de loon- en dienstbetrekking begrippen uit de Wet op de loonbelasting.
15.
Het oordeel van het Hof wordt niet gedragen door de ingebrachte en vastgestelde feiten. Dit geldt voor de oordelen:
- •
Dat bij belanghebbende personen in loondienst waren welke niet in de administratie waren opgenomen (bedoeld wordt door het hof de vermeende illegalen);
- •
Belanghebbende dit oordeel niet heeft bestreden.
Zowel de eerste als de tweede stelling is uitgebreid en meermaals weersproken, zowel bij de rechtbank als bij het hof en zowel in de gedingstukken als tijdens de zitting (uiteraard ook een gedingstuk).
Dat belanghebbende dit oordeel heeft weersproken blijkt uit bovenstaande opsomming van ingebrachte standpunten tijdens de procedures.
16.
Tevens zijn de gedingstukken tijdens de rechtbankprocedure integraal ingebracht bij het hof bij aanvang van de procedure.
17.
.De gebreken zoals door het hof vastgesteld zijn onbegrijpelijk, onvoldoende gemotiveerd en het oordeel over het begrip ‘loondienst’ is op grond van de feiten en omstandigheden onbegrijpelijk en in strijd met de wet.
Op grond hiervan kan het de uitspraak van het hof niet in stand blijven.
Cassatiemiddel 2
18.
Het recht — in het bijzonder de artikel 27e AWR — is geschonden en/of naleving is verzuimd op straffe van nietigheid doordat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij heeft geoordeeld dat belanghebbende het oordeel, uit overweging 4.1 ‘niet heeft bestreden. Het Hof heeft geoordeeld:
‘4.1
De Rechtbank heeft geoordeeld dat op basis van de bevindingen van de arbeidsinspectie aannemelijk is dat in maart en november 2007 in het restaurant van belanghebbende personen in loondienst waren welke niet in de administratie waren opgenomen. Het Hof neemt dit oordeel en de door de Rechtbank daartoe gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Belanghebbende heeft dit oordeel ook niet bestreden.
‘4.2
Anders dan de Rechtbank is het Hof evenwel van oordeel dat aard en omvang van de geconstateerde tekortkomingen bij relatief kort na elkaar uitvoerende controles meebrengen dat belanghebbende in die periode niet voldaan heeft aan de eisen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) stelt aan een (loon)administratie. Het Hof acht het, gelet op de tijdstippen van de controles van de arbeidsinspectie (in maart en tweemaal in november 2007) aannemelijk dat deze gebreken in de (loon)administratie gedurende geheel 2007 bestonden. Voor verdere extrapolatie van de conclusie naar de jaren 2006 en eerder bestaan naar het oordeel van het Hof geen aanwijzingen.’
Deze conclusie kan niet worden gedragen door de feiten en is overigens in strijd met de heersende jurisprudentie.
19.
De Rechtbank heeft niet geoordeeld dat betreffende personen in loondienst waren zoals het hof naar voren brengt, maar heeft slechts het volgende geoordeeld:
Pag. 4, 2e alinea :‘De rechtbank acht weliswaar op basis van het rapport van de Arbeidsinspectie aannemelijk dat bij de waarnemingen door de Arbeidsinspectie in 2007 mensen in de keuken arbeid hebben verricht, terwijl zij niet in de loonadministratie van eiser zijn opgenomen, maar deze waarnemingen hebben een te beperkte reikwijdte omtrent de duur en de omvang van de arbeid. Deze waarnemingen kunnen niet tot de conclusie kunnen leiden dat de loonadministratie in 2007 niet aan artikel 52 AWR voldoet.’
Indien arbeid wordt verricht, in casu zeer kortstondig, arbeid voor een maaltijd, kan niet op grond van het wettelijk kader de conclusie worden getrokken dat sprake is van ‘personen in loondienst’ zoals het hof doet. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank is onjuist, omdat de rechtbank slecht heeft geconstateerd dat arbeid is verricht en niet dat personen in loondienst waren.
Dat arbeid is verricht stond niet ter discussie, wel dat sprake was van personen in loondienst.
Voor loon ingevolge een dienstbetrekking is meer nodig, zie cassatiemiddel 1. De oordelen van het hof leiden ertoe dat het recht is geschonden, niet alleen artikel 2 e.v. Wet LB maar ook artikel 27e AWR.
Indien geen sprake is van loon ingevolge een dienstbetrekking, dan is ook geen sprake van het ten onrechte niet opnemen in de loonadministratie.
Indien geen loon wordt verstrekt kan er ook niets worden opgenomen, zelfs niet indien sprake zou zijn van een dienstbetrekking.
Er zou dan hooguit geen rekening zijn gehouden met het gebruik van maaltijden door personeel. Dit vermeende gebrek is echter verre van onvoldoende om de gehele loonadministratie te verwerpen. De gebreken zijn niet voldoende ernstig, maar rekening houdende met de vermeende gebreken wijken de aangiften loonbelasting niet absoluut dan wel relatief af. De correctie voor de maaltijden is door rechtbank berekend tot een bedrag van slechts € 737 voor alle verstrekte maaltijden aan hulpbehoevenden, maar ook deze correctie is te hoog omdat de hulpbehoevenden niet in dienstbetrekking stonden tot belanghebbende.
Wettelijk kader
Aangifteplicht (geldt ook deels voor administratieplicht)
20.
De rechter moet nagaan of omkering van de bewijslast in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel (HR 11 december 1991, nr. 27.649, BNB 1992/69).
21.
Uit HR 11 december 1991, nr. 27.649, BNB 1992/69 blijkt overigens dat de belastingrechter bij het beoordelen of er een omkering van de bewijslast behoort plaats te vinden wel een zekere proportionaliteitstoets aan dient te leggen. Het gepleegde verzuim dient ernstig genoeg te zijn om een zo zware sanctie als de omkering van de bewijslast te rechtvaardigen.
22.
Het feit dat de belastingplichtige moet doen blijken dat de door de inspecteur opgelegde aanslag onjuist is, geeft aan de inspecteur geen vrijbrief om naar willekeur het belastbaar bedrag vast te stellen. De schatting moet op redelijke maatstaven zijn gebaseerd. Zie HR 27 januari 2006, nr. 39.872, NTFR 2006/193; HR 29 september 1993, nr. 28.400, BNB 1993/330; HR 14 maart 2003, nr. 37.866, NTFR 2003/519, HR 28 maart 2003, nr. 38.039, NTFR 2003/593, HR 13 januari 2012, nr. 11/01558, NTFR 2012/213 en HR 13 januari 2012, nr. 11/01561, NTFR 2012/214. Zie tevens Conclusie A-G Niessen 11 oktober 2012, nr. 11/05690, NTFR 2012/2708.
23.
De belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan als het verzwegen inkomen in verhouding tot het aangegeven inkomen aanzienlijk is (HR 14 november 1990, nr. 26.727, BNB 1992/127; HR 13 september 2000, nr. 34.882, NTFR 2000/1400, BNB 2000/337). Onder het (aangegeven) inkomen werd onder de Wet IB 1964 het belastbaar inkomen bedoeld. Ten aanzien van de vereiste aangifte bij aangiftebelastingen heeft de Hoge Raad zich uitgelaten in HR 11 april 2003, nr. 36.822, NTFR 2003/667. Uit dit arrest kan ook worden afgeleid dat de belastingplichtige niet alleen moet hebben geweten dat te weinig belasting werd voldaan, maar zich er ook van bewust moet zijn geweest dat een relatief aanzienlijk bedrag te weinig werd voldaan.
24.
In Hoge Raad 30 oktober 2009 (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, NTFR 2009/2405) gaat de Hoge Raad nader in op de omkering en verzwaring van de bewijslastlast indien ter discussie staat of de vereiste aangifte is gedaan.
Aan de hand van de normale regels van de stelplicht en bewijslast moet eerst worden vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die er toe leiden dat:
- a.
de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, en
- b.
het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (er is dus sprake van een dubbele els.).
Inhoudelijke gebreken in de aangifte mogen slechts in aanmerking worden genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Deze bewustheid moet de inspecteur volgens de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk maken;
25.
De Hoge Raad past deze regels ook toe in een ander arrest van dezelfde datum (HR 30 oktober 2009, nr. 43.894, NTFR 2009/2406).
26.
Eveneens van dezelfde datum is een arrest (HR 30 oktober 2009, nr. 43.937, NTFR 2009/2407) waarin de Hoge Raad bevestigt dat in geval van een pleitbaar standpunt de hiervoor genoemde bewustheid ontbreekt:
‘Hierin ligt besloten het oordeel dat belanghebbende's toenmalige standpunt in die mate verdedigbaar was, dat zij redelijkerwijs kon menen juist te handelen door in overeenstemming daarmee haar aangiften te doen, en dat belanghebbende toen derhalve niet wist of zich bewust moest zijn dat zij in die aangiften te weinig loonbelasting verantwoorde; daaruit volgt dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan.’
27.
Het is niet de bedoeling van de wetgever om via de omkering en verzwaring van de bewijslast belasting te innen over niet genoten inkomsten. Geen enkel feit duidt er op dat loonbetalingen zijn gedaan, behoudens enkele maaltijden aan hulpbehoevenden. Een andere opvatting geeft een inspecteur een vrijbrief om naar willekeur aanslagen op te leggen zodra in een aangifteproces iets fout gaat.
28.
Een en ander betekent overeenkomstig bovenstaande jurisprudentie van de Hoge Raad dat het verzuim onvoldoende zwaar is om de bewijslast om te keren en dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en de redelijkheidstoets (de belastingdienst mag niet naar willekeur handelen) en daarnaast is niet komen vast te staan dat voldaan is aan het bewustheidsvereiste (pleitbaar standpunt).
Administratieplicht
29.
Hoe de administratie van een onderneming moet worden ingericht is mede afhankelijk van de aard en de omvang van die onderneming. Zo kan van een coffeeshophouder niet worden verlangd dat hij een uitgebreide inkoopadministratie met inkoopfacturen voert (HR 27 september 2002, nr. 36.676, NTFR 2002/1467), en kan van een vliegenier die nauwelijks omzet per kas ontvangt geen uitgebreide kasadministratie worden verlangd (Hof Amsterdam 26 maart 2004, nr. 01/2658, V-N 2005/12.7).
30.
De sanctie van omkering van de bewijslast omdat een administratie niet op orde is, zal als regel ook niet aan de orde komen als het gaat om relatief geringe fouten (P.G.H. Albert, Hoofdstukken formeel belastingrecht, p. 178; E.C.J.M. van der Helvan Dijk en R.N.J. Kamerling, ‘Het verwerpen van de administratie: een inventarisatie’, WFR 2002/6484, par. 4, p. 801). Er moet sprake zijn van substantiële gebreken. In Hof Amsterdam 5 november 2003, nr. 01/2970, V-N 2004/50.6 overwoog het hof dat omkering van de bewijslast beperkt diende te blijven tot gevallen waarin de administratie ernstig of systematisch niet in orde is. De staatssecretaris van Financiën heeft geen cassatie ingesteld. In de praktijk blijken de onderstaande punten belangrijke indicatoren:
- •
Het brutowinstpercentage is substantieel lager dan dat van vergelijkbare branchegenoten, zonder dat daarvoor een goede verklaring aanwezig is.
- •
Ernstige gebreken in de boekhouding, zoals negatieve kassaldi en renseignementen bij de fiscus, vinden geen corresponderende boeking in de administratie.
- •
Een vermogensvergelijking leidt tot een negatief of veel te laag beschikbaar bedrag voor privéconsumptie.
31.
Hoge Raad 29 februari 2008, nr. 41.358, NTFR2008-485; De omkering van de bewijslast is volgens de cassatierechter niet begrijpelijk, nu niet duidelijk is gemaakt of en in hoeverre de door het hof bedoelde administratieve gebreken gevolgen hadden voor de verantwoording van de omzet.
Voor verantwoording van de omzet kan m.l. ook gelezen worden verantwoording van het loon. In casus heeft het niet verantwoorden van de maaltijden, indien al sprake was van loon, geen substantiële gevolgen voor de loonaangiften. In zoverre is het arrest vergelijkbaar.
32.
De schatting van het Hof in onderhavige casus kan niet als een vergrijp voor de omkering van de bewijslast worden gezien omdat de verwerping van de administratie aannemelijk gemaakt dient te worden op basis van de normale bewijslastverdelingsregels. Een schatting is hiervan het gevolg, niet de aanleiding.
33.
Wanneer de gebreken in de administratie zo ernstig zijn dat de administratie wordt verworpen, stelt de inspecteur op basis van de hem bekende gegevens schattenderwijs de belastbare winst/loon vast. Het is dan aan de belastingplichtige om te bewijzen dat deze schattig te hoog is. De inspecteur is wel gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Hij moet dan ook in redelijkheid tot de schatting hebben kunnen komen.
34.
Welke gebreken zijn er nu geweest?
- •
De arbeidsinspectie heeft drie keer geconstateerd dat er personen in de keuken aan het werk waren naast de eigenaar. Een keer bleek het de zoon van de eigenaar te zijn geweest. Feitelijk is twee keer geconstateerd dat er een persoon arbeid heeft verricht, die niet in de loonadministratie voorkwam.
- •
De rechtbank heeft geoordeeld dat hiervan geen gegevens in de administratie voorhanden waren.
De rechtbank heeft aannemelijk geacht, en hiervoor is veel bewijs aangedragen, dat sprake was van hulpbehoevenden die hun eigen maaltijd mochten bereiden, of een kleine huishoudelijk klus deden voor een maaltijd.
De rechtbank heeft hiervoor een kleine correctie aanwezig geacht voor kost en inwoning.
35:
Zijn dit wel (ernstige) gebreken?
- •
Iedereen heeft de vrijheid om hulpbehoevenden een maaltijd te verstrekken. Of sprake is van loon uit een dienstbetrekking bepaalt de Wet op de loonbelasting. Er moet dan sprake zijn van a) loon, b) werknemer en c) een dienstbetrekking.
- •
In casu is in ieder geval niet aan het element dienstbetrekking (o.a. gezagsverhouding en duurzaamheid) en werknemer (geen overeenkomst) voldaan en zeer waarschijnlijk ook niet aan het element loon (slechts één maaltijd).
- •
Het vermeende gebrek, het niet verantwoorden van eenmalige beloningen in natura aan hulpbehoevenden, kan moeilijk als een zodanig ernstig gebrek worden gekwalificeerd dat de sanctie van artikel 27e AWR in werking treedt. Daarnaast is het in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur (evenredigheidsbeginsel, proportionaliteitsbeginsel en de redelijkheidstoets)
- •
De hulpbehoevenden bezochten belanghebbende meestal slechts een enkele keer.
Conclusie cassatiemiddel 2
36.
De gebreken zoals door het hof vastgesteld, enkele keren een illegaal een maaltijd verstrekt, rechtvaardigen de ernstige sanctie van artikel 27e AWR niet. Het oordeel is tevens in strijd met het proportionaliteits- en evenredigheidsbeginsel en de redelijkheidstoets.
37.
De stelling van het hof dat de rechtbank heeft geconstateerd dat, ‘in het restaurant van belanghebbende personen in loondienst waren welke niet in de administratie waren opgenomen’, is onjuist. De rechtbank heeft slechts geconstateerd dat arbeid zou zijn verricht, een significant verschil. Het hof heeft deze andere overweging niet gemotiveerd. Het verschil tussen beide begrippen is essentieel.
38.
Niet is vastgesteld dat de wettelijke eisen voor de loonbelasting, het begrip loon, dienstbetrekkingen en werknemer zijn geschonden.
39.
Niet is vastgesteld dat de administratie ernstige tekortkomingen kent. Het gratis weggeven van enkele maaltijden aan hulpbehoevenden is geen gebrek, zeker niet indien deze personen geen werknemer zijn volgens de Wet op de loonbelasting.
40.
De gebreken zoals door het hof vastgesteld zijn onbegrijpelijk, onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de wet.
Op grond hiervan kan de uitspraak van het hof niet in stand blijven.
Cassatiemiddel 3
41.
Het recht — in het bijzonder de artikel 67f AWR — is geschonden en/of naleving is verzuimd op straffe van nietigheid doordat het hof niet heeft gemotiveerd waarom zij heeft geoordeeld dat de vergrijpboete niet in geschil was.
42.
Belanghebbende heeft meermaals aangegeven dat belanghebbende zich niet bewust was van onjuist handelen, omdat de illegalen vanwege haar positie als voorzitter van diverse Chinese verenigingen (die de belangen van Chinezen buiten de landsgrenzen behandelt) slechts een maaltijd kregen, zonder dat sprake was van een dienstbetrekking.
Indien belanghebbende zich niet bewust was van onjuist handelen, en de mening was toegedaan dat hij niet onjuist heeft gehandeld, kan ook geen sprake zijn van opzet of grove schuld, een element uit artikel 67f AWR.
43.
Het hof had dienen te motiveren waaruit blijkt dat belanghebbende e.e.a. niet heeft weersproken, nu uit de stukken duidelijk blijkt dat belanghebbende wel deze punten heeft weersproken.
Conclusie cassatiemiddel 3
44.
Belanghebbende heeft overduidelijk naar voren gebracht dat niet bewust onjuist is gehandeld, maar dat sprake was van het juist verwerken van de administratieve gegevens. Hierdoor kan geen sprake zijn van omzet of grove schuld. Het hof heeft dit onvoldoende gemotiveerd.
Op grond hiervan kan de uitspraak van het hof niet in stand blijven.
Conclusie 23‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Belanghebbende drijft een Chinees-Indisch restaurant en is administratieplichtig. Hij maakt gebruik van een geautomatiseerd bestellingen- en afrekensysteem (hierna: bestelcomputer). Van de in de bestelcomputer ingebrachte gegevens worden bewaard: datum bestelling, tijdstip verkoop, totaal bedrag bestelling en de betaalwijze. Wel ingebracht maar niet bewaard worden: menunummer, omschrijving menu, aantallen bestelling, prijs per artikel, keukenbonnen, nummer ober, tafelnummer, afrekening per ober en correctieboekingen (hierna: detailgegevens). De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de administratie van belanghebbende in alle onderhavige jaren moet worden verworpen omdat bij de controles van de Arbeidsinspectie is geconstateerd dat personeel in het restaurant (de keuken) heeft gewerkt dat niet in de loonadministratie is opgenomen. Verder stelt de Inspecteur dat belanghebbende een relevant deel van de administratie niet heeft bewaard. In dat kader wijst de Inspecteur erop dat belanghebbende niet de detailgegevens per bestelling heeft bewaard. Het Hof heeft overwogen dat aard en omvang van de geconstateerde tekortkomingen bij relatief kort na elkaar uitgevoerde controles meebrengen dat belanghebbende in de betreffende periode niet voldaan heeft aan de eisen die artikel 52 AWR stelt aan een (loon)administratie. Het Hof acht het, gelet op de tijdstippen van de controles van de Arbeidsinspectie (in maart en tweemaal in november 2007) aannemelijk dat deze gebreken in de (loon)administratie gedurende heel 2007 bestonden. Dat betekent dat voor het jaar 2007 op grond van artikel 27e, aanhef en onder b, AWR, omkering en verzwaring van de bewijslast geldt. Voor verdere extrapolatie van deze conclusie naar de jaren 2006 en eerder bestaan naar het oordeel van het Hof geen aanwijzingen. Het Hof is van oordeel dat ook anderszins geen aanleiding bestaat artikel 27e, aanhef en onder b, AWR toe te passen naar tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2007. Het Hof verwijst hiervoor naar de uitspraak in de gelijktijdig behandelde zaak met rolnummers 12/00544 t/m 12/00548. De Staatssecretaris betoogt in cassatie dat het Hof ten onrechte de bewijslast alleen voor het tijdvak 2007 heeft omgekeerd en niet voor de overige tijdvakken. Het middel richt zich met name tegen het oordeel in de uitspraak van het Hof in de gelijktijdig behandelde zaak met rolnummers 12/00544 t/m 12/00548 waarnaar het Hof verwijst en waartegen de Staatssecretaris eveneens beroep in cassatie heeft ingesteld (nr. Hoge Raad 13/04127). A-G Niessen overweegt dat het oordeel van het Hof dat geen aanwijzingen bestaan voor een verdere extrapolatie van de conclusie dat op grond van de geconstateerde gebreken in de loonadministratie (op basis van de controles van de Arbeidsinspectie) voor het jaar 2007 op grond van artikel 27e, aanhef en onder b, AWR, omkering en verzwaring van de bewijslast geldt naar de jaren 2006 en eerder niet in het middel wordt bestreden. De A-G overweegt voorts dat, zoals de Staatssecretaris in de toelichting op het middel ook aangeeft, het middel zich dan ook richt tegen het oordeel van het Hof in de gelijktijdig behandelde zaak met rolnummers 12/00544 t/m 12/00548 waartegen de Staatssecretaris (ook) beroep in cassatie heeft ingesteld. De A-G neemt heden eveneens conclusie naar aanleiding van het vorenbedoelde cassatieberoep van de Staatssecretaris tegen het oordeel van het Hof in de gelijktijdig behandelde zaak met rolnummers 12/00544 t/m 12/00548. In deze conclusie, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen, betoogt de A-G dat het beroep in cassatie ongegrond dient te worden verklaard. Omdat het onderhavige beroep in cassatie van de Staatssecretaris zich tegen hetzelfde oordeel van het Hof richt, kan het middel dan ook niet slagen. Ook belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld en daarin een aantal motiveringsklachten aangevoerd. Deze klachten falen volgens de A-G. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende en dat van de Staatssecretaris ongegrond dienen te worden verklaard.
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. R.E.C.M. Niessen
Advocaat-Generaal
Conclusie van 23 september 2014 inzake:
Nr. Hoge Raad 13/04067 | [X] |
Nr. Gerechtshof: 12/00549 Nr. Rechtbank: AWB 10/1882 | |
Derde Kamer A | tegen |
Loonbelasting 2003 - 2007 | Staatssecretaris van Financiën vice versa |
1. Inleiding
1.1
Aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) zijn over het tijdvak 2003, het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 en het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) opgelegd. Voorts zijn aan belanghebbende voor deze jaren bij afzonderlijke beschikkingen boetes opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht.
1.2
De naheffingsaanslagen LB/PVV en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente en de opgelegde boetes zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar van de Inspecteur1.gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar vernietigd. De naheffingsaanslagen LB/PVV over de tijdvakken 2003 en 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005, alsmede de op deze naheffingsaanslagen betrekking hebbende beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen werden vernietigd. De naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 en de op deze naheffingsaanslag betrekking hebbende beschikking heffingsrente en boetebeschikking werden verminderd.2.
1.4
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard. Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende heeft het Hof ongegrond verklaard. Het Hof vernietigde de uitspraken op bezwaar, de uitspraak van de Rechtbank (behoudens de beslissingen inzake de proceskostenveroordeling en het griffierecht) en de naheffingsaanslagen LB/PVV over de tijdvakken 2003 en 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 alsmede de op deze naheffingsaanslagen betrekking hebbende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente. Het Hof verminderde de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 alsmede de op deze naheffingsaanslag betrekking hebbende boetebeschikking en beschikking heffingsrente.3.
1.5
Belanghebbende en de staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) hebben tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift en een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend. De Staatssecretaris heeft schriftelijk medegedeeld af te zien van het indienen van een conclusie van dupliek.
1.6
Het geschil betreft ten aanzien van het cassatieberoep van de Staatssecretaris de vraag of het Hof terecht heeft geoordeeld dat de bewijslast alleen voor het tijdvak 2007 moet worden omgekeerd en niet voor de overige tijdvakken. Het middel van de staatssecretaris spitst zich toe op het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een schending van de bewaarplicht.
1.7
Het beroep in cassatie van belanghebbende richt zich tegen r.o. 4.1 van de uitspraak van het Hof. Het betreft de overweging van het Hof dat belanghebbende het oordeel en de door de Rechtbank gebezigde gronden die het Hof overneemt, niet heeft bestreden. Tevens richt het beroep in cassatie van belanghebbende zich tegen r.o. 4.7 van het Hof. Volgens belanghebbende heeft het Hof zijn oordeel dat de hoogte van de vergrijpboete over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 niet in geschil is, niet gemotiveerd.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
2.1
De Rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld van welke feiten in cassatie kan worden uitgegaan:
Eiser is exploitant van het Chinees-Indisch restaurant [A] te [Z] (hierna: het restaurant). Tot en met 31 december [2007; RN] dreef eiser de onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Vanaf het jaar 2008 wordt de onderneming gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. De vennoten zijn eiser en zijn echtgenote [X-Y]. Beiden hebben recht op een winstaandeel van 50%. Eiser is de kok in het restaurant. De echtgenote van eiser verzorgt de administratie, beheert de financiën en verzorgt de betalingen. Daarnaast werkt zij mee in de bediening. Het restaurant heeft 40 zitplaatsen en een bijzaal met 26 plaatsen. Er is een apart afhaalgedeelte.
De openingstijden van het restaurant zijn:
- maandag tot en met vrijdag van 15.00 uur tot 22.00 uur;
- zon- en feestdagen van 12.00 uur tot 22.00 uur.
Verweerder heeft op 31 januari 2008 van de Fiod/ECD te [Q] een tip ontvangen dat het restaurant vermoedelijk “zwart” vlees inkoopt van [B] BV. Dit vermoeden is ontstaan omdat in de verkoopadministratie van [B] BV over de periode januari 2004 tot en met april 2004 verschillen zijn geconstateerd tussen de werkelijke verkopen en de feitelijk geboekte verkopen. Voor het restaurant zou het gaan om een bedrag van € 1.525,28. De Officier van Justitie heeft toestemming gegeven de gegevens uit het onderzoek te gebruiken voor (fiscale) heffing en inning.
In 2007 heeft de Arbeidsinspectie te [R] drie controles uitgevoerd in het restaurant. De Arbeidsinspectie heeft bij de eerste controle geconstateerd dat er een onbekende persoon en een illegaal in Nederland verblijvende persoon in de keuken werkzaam waren. Bij de tweede controle was er een onbekende persoon en bij de derde controle was er weer een illegaal in Nederland verblijvende persoon in de keuken werkzaam. Deze personen zijn niet opgenomen in de salarisadministratie.
In september 2008 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiser, waarbij onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2007 is onderzocht. Van de bevindingen van de controle is een ongedateerd rapport opgemaakt. Dit rapport behoort tot de gedingstukken.
Het openbaar deel van het rapport boekenonderzoek is bij brief van 26 november 2008 aangeboden aan eiser.
Op basis van de controles van de Arbeidsinspectie heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat personeel in het restaurant (de keuken) heeft gewerkt dat niet in de loonadministratie is opgenomen. Op grond van deze constatering heeft verweerder twee werknemers voor in de keuken in de correctieberekening voor de loonheffing meegenomen voor 85 uur per maand per werknemer, hetgeen neerkomt op in totaal 170 uur. Daarnaast heeft verweerder een forfaitaire bijtelling voor kost en woning toegepast.
Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder aan eiser naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd over de periode 1 januari 2003 tot en rnet 31 december 2007.4.
2.2
De volgende aanvullende feiten zijn door het Hof vastgesteld:
2.2. (…)
Belanghebbende maakte voor de administratie gebruik van het kassa-systeem EWS-restaurant, ontwikkeld door Euroware Systems. In een bijlage bij een brief van 7 januari 2012 verklaart [C] (hierna: [C]) van Euroware Systems op (naar het Hof begrijpt, vet afgedrukte) vragen van de gemachtigde van belanghebbende onder andere het volgende (naar het Hof begrijpt, cursief afgedrukt).
“2. De stelling van de belastingdienst dat opslag wel mogelijk is omdat in de beschrijving van EWS in bijlage 8 het volgende staat vermeld:
“Nadat een dergelijk overzicht is gemaakt, vraagt het systeem of de mutaties moeten worden opgeschoond. Bij ja verdwijnen de detailgegevens uit het systeem. Zolang er niet wordt opgeschoond blijven de gegevens aanwezig.
Klopt. Mutaties in deze tijdelijke bestanden moeten echter wel worden opgeschoond omdat de maximale capaciteit -destijds- ca. 2000 orders bedroeg. E.e.a. is wel afhankelijk van de pakket instellingen; het is ook mogelijk de opschoon functie automatisch met het afdrukken van de omzetlijsten te laten uitvoeren.
3. Konden deze gegevens extern door de klant worden opgeslagen?
Nee, er is geen aparte gebruikersfunctie welke deze verkoop-data kan exporteren.
4. Bestanden kasregister; zeer summier aanwezig. Waarom?
(…) Het enigste wat destijds kon worden bewaard zijn de (dag)totalen met de daarbij behorende uitdraai.”
2.3
In een bijlage bij een brief van 21 februari 2012 verklaart [C] verder nog het volgende.
“2. bewaren van gegevens
Een boekingsperiode dient door de gebruiker te worden afgesloten, meestal zal dit per dag gebeuren. Er kunnen maximaal ca. 2000 bestellingen worden bewaard alvorens afgesloten moet worden!
Voor alle afhaalbestellingen (dus van 1998 tot en met heden) wordt door uw cliënt (meestal dagelijks) een dagomzetlijst afgedrukt. Gegevens worden hierop enigszins verdicht weergegeven. Deze dagomzetlijsten worden ook nog eens digitaal bewaard. Hiernaast worden de totalen hiervan (per afsluitmoment) nog op een andere wijze digitaal door de software bewaard. De gebruiker kan deze informatie eenvoudig opvragen en afdrukken, het is echter niet mogelijk om deze te wijzigen!
(…)
3. conclusie
Vanaf het moment van aanschaf tot en met heden heeft uw cliënt gebruik gemaakt van de maximale mogelijkheden die de 2 gebruikte versie’s boden om gegevens te bewaren.”
2.4
Het renseignement van de FIOD-ECD is een “renseignement betreffende vermoedelijk “zwart” inkopen van vlees” door (het restaurant van) belanghebbende van [B] B.V. In de toelichting bij het renseignement is het volgende vermeld.
“Bij de doorzoeking op het adres van de [B] BV is een ordner gevonden, die verborgen was in het plafond. In deze ordner bevinden zich handgeschreven schrijfblok-bladen. Op deze bladen staan namen van Chinese restaurants met daarbij bedragen in Euro’s. Op een aantal van deze bladen is een datum vermeld.
(…)
Mede gelet op het feit dat de ordner was verborgen in het plafond en de wetenschap dat Chinese restaurants wel vaker hun inkopen maar gedeeltelijk boeken, is het vermoeden ontstaan dat op de schrijfblok-bladen de bedragen van de werkelijke inkopen voorkomen, terwijl de lagere bedragen van de contante verkoopfacturen worden geboekt bij de leverancier en de afnemers.”
Bij het renseignement zit verder een overzicht opgesteld door de FIOD-ECD over de periode 5 januari 2004 tot en met 19 april 2004 waarbij het verschil tussen de bedragen op de schrijfblokbladen en de contante verkoopfacturen wordt bepaald op € 1.525,28. Op het schrijfblokblad gedateerd 12 januari 2004 zou een bedrag van € 118,00 staan en op die gedateerd 19 januari 2004 een bedrag van € 366,00. Deze twee handgeschreven en niet overal goed leesbare schrijfblokbladen bevatten respectievelijk de volgende informatie.
“12.01.04
150 nek
30 kopkaas
2 ham
50 bot(?)sate
25 rund
1(?)5 ossenhaas groot
2 kiprolade
[A] 118-82-118
38-124?
<217.33-371”
“19.01.04
[A] 366.65-366
02-157
85.59+229.58-515
ossenhaas te goed
20 kopkaas
2 ham
50 botsate
25 rund
2 DS ossenhaas groot
1 DS sperips”
De overige schrijfblokbladen hebben een gelijksoortige, handgeschreven opmaak en bevatten vergelijkbare informatie.
2.3
De Rechtbank heeft met betrekking tot het geschil overwogen:
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de administratie van eiser in alle onderhavige jaren moet worden verworpen omdat bij de controles van de Arbeidsinspectie is geconstateerd dat personeel in het restaurant (de keuken) heeft gewerkt dat niet in de loonadministratie is opgenomen. Verder stelt verweerder dat eiser een relevant deel van de administratie niet heeft bewaard. In dat kader wijst verweerder erop dat eiser niet de detailgegevens per bestelling heeft bewaard.
De rechtbank stelt voorop dat per jaar moet worden beoordeeld of de door verweerder gestelde gebreken in de administratie tot omkering van de bewijslast moeten leiden.
De rechtbank acht weliswaar op basis van het rapport van de Arbeidsinspectie aannemelijk dat bij de waarnemingen door de Arbeidsinspectie in 2007 mensen in de keuken arbeid hebben verricht, terwijl zij niet in de loonadministratie van eiser zijn opgenomen, maar deze waarnemingen hebben een te beperkte reikwijdte omtrent de duur en omvang van de arbeid. Deze waarnemingen kunnen niet tot de conclusie leiden dat de loonadministratie in 2007 niet aan artikel 52 van de AWR voldoet. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank voor de jaren 2003 tot en met 2006 evenmin aanleiding ziet om op basis van de waarnemingen uit 2007 tot omkering van de bewijslast over te gaan. De overige gebreken die verweerder in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen- en omzetbelastingprocedures van eiser naar voren brengt om de administratie te verwerpen, zijn evenmin voldoende om tot omkering van de bewijslast te concluderen. De rechtbank verwijst voor de motivering naar hetgeen is opgenomen in de heden door deze rechtbank gedane uitspraken in de zaken met de nrs. 10/1873, 10/1874, 10/1875, 10/1877 en 10/1878.
Het voorgaande leidt ertoe dat in de onderhavige jaren geen zodanig ernstige gebreken in de (loon)administratie van eiser zijn geconstateerd dat deze niet als betrouwbare grondslag voor de berekening van de verschuldigde loonheffing kan dienen. Voor omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 27e van de AWR is dan geen plaats. Dit betekent dat verweerder de looncorrecties aannemelijk moet maken.
(…)
Wel aannemelijk is dat de in de keuken werkzame personen kost en inwoning hebben genoten, zodat dit als loon in natura in aanmerking moet worden genomen. Verweerder heeft voor volledige kost en inwoning in 2007 het volgende, forfaitair vastgestelde, bedrag tot het loon gerekend: 11 maanden x 3 werknemers x € 148,50 = € 3.267.
Verweerder heeft slechts aannemelijk gemaakt dat kost en inwoning is genoten op de dagen waarop feitelijk is geconstateerd dat de Chinese personen werk in de keuken hebben verricht. Op 8 maart 2007 waren dit 2 personen, en op 6 en 17 november steeds 1 persoon. De rechtbank berekent de kost en inwoning dus op 4 x € 148,50 = € 594.
Verweerder heeft vervolgens terecht het gebruteerde tabeltarief voor anoniemen toegepast. Van de personen aan wie het loon is uitbetaald is de identiteit niet door de inhoudingsplichtige vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie. Op grond van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 is rekening gehouden met een tarief van 52%. Verweerder heeft het gebruteerde tabeltarief voor anoniemen toegepast omdat verhaal op het moment van uitbetaling van het loon rechtens of feitelijk onmogelijk is. Dit betekent dat voor de loonheffing een correctie resteert van € 594 x 124,1% = € 737.
2.4
Met betrekking tot de boete heeft de Rechtbank overwogen:
Verweerder heeft op grond van artikel 67f van de AWR en paragraaf 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 aan eiser vergrijpboetes opgelegd van 50%.
Verweerder stelt dat eiser (voorwaardelijke) opzet kan worden verweten ter zake van het bewust niet verantwoorden van lonen in de financiële administratie en de loonadministratie.
Daarnaast is sprake van het niet voldoen aan de Wet op de identificatieplicht voor de werknemers aan wie het niet verantwoorde loon is uitbetaald.
Voor de resterende correctie van € 737 acht de rechtbank aannemelijk dat eiser ten tijde van doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden afgedragen en dat hij deze kans toen bewust heeft aanvaard.
Verweerder heeft hiervoor dan ook terecht een boete van 50%, dus € 368, opgelegd.
2.5
Met betrekking tot het geding heeft het Hof overwogen:
4.1
De Rechtbank heeft geoordeeld dat op basis van de bevindingen van de arbeidsinspectie aannemelijk is dat in maart en november 2007 in het restaurant van belanghebbende personen in loondienst waren welke niet in de loonadministratie waren opgenomen. Het Hof neemt dit oordeel en de door de Rechtbank daartoe gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Belanghebbende heeft dit oordeel ook niet bestreden.
4.2
Anders dan de Rechtbank is het Hof evenwel van oordeel dat aard en omvang van de geconstateerde tekortkomingen bij relatief kort na elkaar uitgevoerde controles meebrengen dat belanghebbende in die periode niet voldaan heeft aan de eisen die artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) stelt aan een (loon)administratie. Het Hof acht het, gelet op de tijdstippen van de controles van de arbeidsinspectie (in maart en tweemaal in november 2007) aannemelijk dat deze gebreken in de (loon)administratie gedurende geheel 2007 bestonden. Voor verdere extrapolatie van deze conclusie naar de jaren 2006 en eerder bestaan naar het oordeel van het Hof geen aanwijzingen.
4.3
Blijkens artikel 27e, aanhef, en onder b, van de AWR brengt dit mee dat het beroep met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 ongegrond verklaard had dienen te worden, tenzij zou zijn gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar over die periode onjuist waren.
4.4
In het rapport inzake een ingesteld boekenonderzoek bij belanghebbende, opgemaakt 10 maart 2009, is uiteengezet op welke wijze de nageheven LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 is berekend op een bedrag van € 27.261. Naar het oordeel van het Hof berust deze berekening op redelijke aannames en is aldus sprake van een redelijke schatting. Niet gebleken is dat de naheffingsaanslag over dit tijdvak onjuist is vastgesteld. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is onvoldoende het Hof tot een ander oordeel te brengen.
4.5
Zoals vermeld in onderdeel 4.2 van deze uitspraak is het Hof van oordeel dat de tekortkomingen in de (loon)administratie zoals gebleken in 2007 niet kunnen worden geëxtrapoleerd naar tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2007. Ook anderszins bestaat geen aanleiding artikel 27e, aanhef, en onder b, van de AWR toe te passen op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2007. Het Hof verwijst hiervoor naar zijn uitspraak in de zaken die ter zitting gelijktijdig zijn behandeld met deze zaak. Dat brengt mee dat de Inspecteur de looncorrecties over de periode vóór 1 januari 2007 aannemelijk moet maken. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur hierin niet geslaagd.
(…)
4.7
Niet in geschil is dat de vergrijpboete over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 € 13.630 bedraagt. In verband met de omstandigheid dat deze boete gebaseerd is op een grondslag die tot stand is gekomen met toepassing van artikel 27e, aanhef, en onder b, van de AWR ziet het Hof aanleiding deze boete te matigen met 5% tot een bedrag van € 12.948. Het Hof acht deze boete passend en geboden en ziet, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen omtrent overschrijding van de redelijke termijn, geen andere feiten of omstandigheden die verdere matiging van de boete rechtvaardigen. De Rechtbank heeft in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding gezien de boete (verder) te matigen met 15%. Het Hof volgt dit oordeel van de rechtbank en maakt de daartoe gebezigde gronden tot de zijne. In de hogerberoepsfase is de redelijke termijn niet (verder) overschreden, zodat voor een verdergaande matiging geen plaats is. Het Hof stelt de boete vast op € 11.005.
2.6
Het oordeel van het Hof in de uitspraak in de zaken waarnaar in r.o. 4.5 van de onderhavige uitspraak van het Hof, zoals opgenomen onder 2.5, wordt verwezen luidt:5.
Het bestaan van de mogelijkheid transacties te wijzigen
4.1
De Inspecteur bepleit omkering en verzwaring van de bewijslast, aangezien belanghebbende niet voldaan heeft aan de eisen in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Hij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de administratie dient te worden verworpen omdat het door belanghebbende gehanteerde kassasysteem - naar het Hof begrijpt - te lang de mogelijkheid biedt wijzigingen door te voeren die niet worden opgeslagen. De Rechtbank heeft hieromtrent geoordeeld dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat bestellingen, nadat deze waren betaald, niet meer gewijzigd konden worden anders dan door een nieuwe -en dus in de Z-afslag zichtbare- bestelling in te voeren. De Inspecteur heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden en daarbij verwezen naar bijlage 8 (dan wel bijlage f) bij zijn verweerschrift in beroep. Deze bijlage bestaat uit een verslag van bevindingen van een IT-onderzoek naar het afrekensysteem van EWS opgesteld door [D] en [E]. In dit verslag staat onder meer het volgende.
“EWS Restaurant (…)
Bij binnenkomst van een klant wordt er in het systeem een tafel geopend, al dan niet gepaard gaand van een obercode. Per tafel wordt vervolgens de bestelling ingebracht in het systeem. Tafels kunnen worden samengevoegd of gecombineerd, maar niet worden gesplitst. Na het inbrengen van de bestelling worden er één of meerdere bonnen geprint (voor de keuken en de bar). Bij vervolgbestellingen worden er nieuwe bonnen geprint met alleen de vervolgbestelling. Wijzigingen in de bestellingen na het printen van de bon kunnen worden aangebracht door een bepaald produkt negatief in te boeken en het vervangende produkt als bestelling te boeken. Nadat de klanten hebben aangegeven te willen betalen, biedt het systeem twee opties: het printen van een nota en het “boeken” van de betaling. Zolang er geen “boeking” heeft plaatsgevonden blijft de tafel in het systeem open staan. Aan de hand van de kleurcodes is te zien in welke “fase” een tafel zich bevindt (bijv.: na het afdrukken van een nota wordt het tafelnummer in het scherm blauw). Het aanmaken van een nota kan vaker dan één maal gedaan worden. Op die wijze kan de nota nog worden aangepast bij onenigheid over de rekening. Na het boeken is geen wijziging meer mogelijk.
(…)
Tot op dit moment zitten alle detailgegevens nog in het systeem. Op elk willekeurig moment kan de restauranthouder een overzicht draaien in totalen, gesorteerd op diverse produktgroepen of per bestelling. Nadat een dergelijk overzicht is gemaakt, vraagt het systeem of de mutaties moeten worden opgeschoond. Bij ja verdwijnen de detailgegevens uit het systeem. Zolang er niet wordt opgeschoond blijven de gegevens aanwezig.
EWS-afhaal (…)
De systematiek voor wat betreft de gegevensverwerking in het systeem is vergelijkbaar met die welke staat beschreven onder EWS-restaurant. Bij afhaal wordt echter doorgaans direct afgerekend, dus het systeem genereerd (sic) tegelijkertijd een keukenbon en een klantenbon. (…) Ook een essentiëel verschil met restaurant is dat reeds betaalde bestellingen alsnog gewijzigd kunnen worden. Middels F7 kan worden teruggebladerd door de bestellingen. Alleen de totalen van de laatste gegevens van een bestelling worden bewaard.”
Deze bevindingen uit bovenstaand rapport komen voor wat betreft EWS-Restaurant overeen met de onder 2.3 aangehaalde verklaringen van [C] (waarbij het “boeken” blijkbaar als een “afsluitmoment” moet worden beschouwd). Zij stroken ook met de verklaringen van belanghebbende ter zitting bij de Rechtbank, indien bij het printen van de nota in de praktijk standaard ook voor de optie “boeken” wordt gekozen.
4.2
Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur -op wie te deze de bewijslast rust- niet aannemelijk gemaakt dat de “tafels” niet “geboekt” of “afgesloten” werden nadat, zoals belanghebbende heeft verklaard, de rekening was betaald, dan wel dat het kassasysteem niet de mogelijkheid biedt om na te gaan of zulks geschiedde, bijvoorbeeld omdat datum en tijdstip van “openen” en “boeken/afsluiten” van een tafel niet werden bewaard. Het Hof zal het er derhalve voor houden dat, zoals belanghebbende heeft verklaard, “tafels” nadat was afgerekend niet meer konden worden gewijzigd zonder dat dit zichtbaar zou zijn in de Z-afslag. Met betrekking tot hetgeen in het hierboven aangehaalde rapport beschreven staat onder EWS-afhaal, acht het Hof het niet aannemelijk dat -mede gelet op de verklaringen van [C] op dit punt- voor afhaalbestellingen niet een soortgelijk “afsluitmoment” bestond waarna wijzigingen niet meer mogelijk waren. Voor dat geval is niet in geschil dat het kassasysteem op dit punt voldoet aan de vereisten van artikel 52 van de AWR.
Bewaren detailgegevens
4.3
De bevindingen in het hierboven aangehaalde rapport wekken de suggestie dat belanghebbende de vrije keuze had om de detailgegevens te bewaren. Deze suggestie behoeft echter in belangrijke mate nuancering. Uit de verklaringen van [C] volgt namelijk dat in de van belang zijnde periode na 2.000 bestellingen een boekingsperiode moet worden afgesloten, omdat het systeem vanwege de beperkte opslagcapaciteit anders vastloopt en dat daarbij onherroepelijk en zonder dat belanghebbende daarbij een keuze heeft, detailgegevens verloren gaan en “verdicht” worden opgeslagen. Er bestond in die periode, aldus nog immer [C], verder geen mogelijkheid deze gegevens te exporteren voordat zij aldus verloren gaan. De Inspecteur heeft deze bevindingen niet gemotiveerd bestreden. In onderdeel 5.2 van het hogerberoepschrift wordt nog wel de mogelijkheid beschreven waarop gegevens in beginsel vanuit een computer kunnen worden geëxporteerd, maar de Inspecteur besluit dit onderdeel met de opmerking ”Het kan echter zijn dat de software die mogelijkheid niet bood.” Gelet op de ondubbelzinnige verklaringen van [C] op dit punt, houdt het Hof het ervoor dat de software in die periode deze mogelijkheid van exporteren van (detail)gegevens inderdaad niet bood.
4.4
Op grond van het bovenstaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende de detailgegevens niet kon bewaren. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat de uitbreidingsmodule waarbij de opslagcapaciteit werd vergroot en de detailgegevens wel bewaard konden worden, door belanghebbende eerder dan in 2008 aangeschaft kon worden. Voor zover de Inspecteur heeft bedoeld te stellen dat belanghebbende een andere (werkbare) manier had de detailgegevens te bewaren (bijvoorbeeld door een ander kassasysteem te hanteren), heeft de Inspecteur voor deze stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende op dit punt, onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt om deze conclusie te rechtvaardigen. Op grond van het bovenstaande is het Hof van oordeel dat aan belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat de detailgegevens niet zijn bewaard.
Renseignement
4.5
Naar het oordeel van het Hof vormt het renseignement van de FIOD-ECD zeker voldoende aanleiding om te bezien of de inkoopadminstratie van belanghebbende juist is. Het renseignement en de onderliggende stukken daarbij bieden naar ’s Hofs oordeel echter onvoldoende houvast (het renseignement zelf spreekt van “een vermoeden”) om enkel op grond daarvan reeds de conclusie te trekken dat deze (inkoop)administratie niet juist zou zijn, of om op grond daarvan omzetcorrecties te rechtvaardigen.
Loonadministratie
4.6
De waarnemingen ter plaatse door de arbeidsinspectie zien op het jaar 2007. Het Hof ziet geen aanleiding deze waarnemingen te extrapoleren naar periodes vóór 1 januari 2007. Deze waarnemingen kunnen derhalve niet afdoen aan deugdelijkheid of betrouwbaarheid van de administratie zoals deze tot die datum werd gevoerd.
Negatieve kassen
4.7
Gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende acht het Hof de Inspecteur niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat in 2005 sprake was van negatieve kassen in de kasadministratie van belanghebbende.
4.8
Gelet op het bovenstaande is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in de jaren 2003 tot en met 2006 niet zou hebben voldaan aan de verplichtingen genoemd in artikel 52 van de AWR en bestaat geen aanleiding om artikel 27e, aanhef en onder b, van de AWR toe te passen. Zulks brengt mee dat de Inspecteur de door hem doorgevoerde omzetcorrecties aannemelijk dient te maken.
4.9
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de door de Inspecteur aangevoerde theoretische omzetberekening op basis van een brutowinstpercentage deze correcties niet aannemelijk maken. Het Hof neemt dit oordeel en de door de Rechtbank daartoe gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Zoals hiervoor reeds vermeld, is het Hof van oordeel dat ook (de onderliggende stukken of de toelichting bij) het FIOD-ECD renseignement de door de Inspecteur bepleite omzetcorrecties niet (deels) aannemelijk maken.
3. Het geding in cassatie
3.1
In cassatie draagt de Staatssecretaris het volgende cassatiemiddel voor:
Schending van het Nederlands recht, met name van de artikelen 27e, onderdeel b en 52, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat ondanks het verdichten en niet bewaren van digitale detailgegevens geen sprake is van een schending van de bewaarplicht, waardoor geen omkering van de bewijslast geldt (met uitzondering van het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007), zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
a. het Hof ten onrechte voor het bewaren van de detailgegevens alleen lijkt in te gaan op de mogelijkheid van aanschaf van een extra module, terwijl belanghebbende verplicht is deze gegevens op een door hem gekozen wijze te bewaren, mits deze op normale wijze toegankelijk blijven;
b. het Hof daardoor ten onrechte de betreffende detailgegevens niet tot de boeken en bescheiden heeft gerekend waarvoor de bewaarplicht geldt;
c. belanghebbende door de detailgegevens niet te bewaren het de inspecteur onmogelijk heeft gemaakt om (binnen een redelijke termijn) de controle van de administratie uit te voeren en daarmee niet aan de verplichtingen van artikel 52 AWR heeft voldaan;
d. ook de geprinte keukenbonnen met de detailgegevens niet bewaard zijn gebleven;
e. het Hof derhalve de bewijslast ten onrechte op de inspecteur heeft gelegd;
f. het Hof bij zijn oordeel over het renseignement van de Fiod voorbij gaat aan de resultaten van het onderzoek van de inspecteur, waaruit verschillen blijken tussen de administratie van de leverancier en de administratie van belanghebbende.
De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het Hof ten onrechte de bewijslast alleen voor het tijdvak 2007 heeft omgekeerd en niet voor de overige tijdvakken. Het middel richt zich met name tegen het oordeel in de uitspraak van het Hof in de gelijktijdig behandelde zaak met rolnummers 12/00544 tot en met 12/00548 waarnaar in r.o 4.5 wordt verwezen.
3.2
Belanghebbende draagt in cassatie de volgende middelen voor:
Middel 1:
Het recht – in het bijzonder de artikelen 8:69 Awb en 8.77 Awb en de artikelen 1, 2, 6, 9 en 10 Wet LB – is geschonden en/of naleving is verzuimd op straffe van nietigheid doordat het Hof niet heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat belanghebbende het oordeel, uit overweging 4.1 “niet heeft bestreden”.
Ter toelichting merkt belanghebbende onder meer op dat zowel in de beroepschriften, de nadere stukken, de pleitnotities als tijdens de zittingen meermaals naar voren is gebracht dat geen sprake was van een dienstbetrekking, omdat a) geen loon is betaald en b) geen sprake was van een gezagsverhouding en c) geen sprake was van een dienstbetrekking.
Middel 2:
Het recht – in het bijzonder artikel 27e AWR – is geschonden en/of naleving is verzuimd op straffe van nietigheid doordat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het heeft geoordeeld dat belanghebbende het oordeel uit overweging 4.1 “niet heeft bestreden”.
Ter toelichting merkt belanghebbende onder meer op dat de verwijzing door het Hof naar de uitspraak van de Rechtbank onjuist is omdat de Rechtbank slechts heeft geconstateerd dat arbeid is verricht en niet dat personen in loondienst waren.
Middel 3:
Het recht – in het bijzonder artikel 67f AWR – is geschonden en/of naleving is verzuimd op straffe van nietigheid doordat het Hof niet heeft gemotiveerd waarom het heeft geoordeeld dat de vergrijpboete niet in geschil was.
Ter toelichting merkt belanghebbende onder meer op dat overduidelijk naar voren is gebracht dat niet bewust onjuist is gehandeld, maar dat sprake was van het juist verwerken van de administratieve gegevens. Hierdoor kan geen sprake zijn van opzet of grove schuld. Het Hof heeft dit onvoldoende gemotiveerd.
4. Beoordeling van het cassatieberoep van belanghebbende
4.1
Het Hof heeft in r.o 4.1 als volgt geoordeeld: ‘De Rechtbank heeft geoordeeld dat op basis van de bevindingen van de arbeidsinspectie aannemelijk is dat in maart en november 2007 in het restaurant van belanghebbende personen in loondienst waren welke niet in de loonadministratie waren opgenomen. Het Hof neemt dit oordeel en de door de Rechtbank daartoe gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Belanghebbende heeft dit oordeel ook niet bestreden’.
4.2
Het eerste middel keert zich tegen dit oordeel. Belanghebbende voert aan dat het oordeel van het Hof zowel in strijd is met het motiveringsbeginsel als met de begrippen loon- en dienstbetrekking uit de Wet op de loonbelasting. Belanghebbende stelt dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake was van een dienstbetrekking en dat geen loon is verstrekt aan de illegalen. Voorts voert belanghebbende aan in de beroepsprocedure meermaals naar voren te hebben gebracht dat geen sprake is van een dienstbetrekking. Daarmee stelt belanghebbende zich op het standpunt dat sprake is van een motiveringsgebrek in de uitspraak van het Hof.
4.3
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de in de keuken werkzame personen kost en inwoning hebben genoten, zodat dit als loon in natura in aanmerking moet worden genomen. De Rechtbank heeft dit beperkt tot de dagen waarop feitelijk is geconstateerd dat Chinese personen werk in de keuken hebben verricht. De Rechtbank komt in haar uitspraak tot een correctie voor de loonheffing 2006 en 2007 van € 737. In het oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat zij van mening is dat aan de vereisten voor het bestaan van een dienstbetrekking, te weten de elementen gezagsverhouding, het verrichten van arbeid en het betalen van loon, is voldaan. Gelet op de stukken van het geding meen ik dat dit oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Belanghebbende kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat de Rechtbank van oordeel was dat geen sprake was van een dienstbetrekking en dat geen loon is verstrekt aan de illegalen. Daarmee faalt het middel voor zover dat is gericht tegen het door het Hof overnemen van het oordeel van de Rechtbank.
4.4
Voorts voert belanghebbende aan dat het Hof heeft overwogen dat belanghebbende vorenbedoeld oordeel niet heeft bestreden.6.Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.3, kan dit middel niet leiden tot cassatie.
4.5
Het eerste middel faalt derhalve.
4.6
Met het tweede middel keert belanghebbende zich tegen het oordeel van het Hof dat voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 op grond van artikel 27e, aanhef, en onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) omkering en verzwaring van de bewijslast geldt.
4.7
Voor zover belanghebbende in dit verband opnieuw naar voren brengt dat de Rechtbank niet heeft geoordeeld dat de betreffende personen in loondienst waren, kan het middel op grond van het betoogde onder 4.3 niet slagen.
4.8
Het Hof heeft, in navolging van de Rechtbank, geoordeeld dat aannemelijk is dat in maart en november 2007 in het restaurant van belanghebbende personen in loondienst waren die niet in de loonadministratie zijn opgenomen. Gezien de processtukken is dit oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof oordeelt vervolgens feitelijk dat voor het jaar 2007 sprake is van zodanige gebreken aan de (loon)administratie van belanghebbende dat voor dat jaar omkering en verzwaring van de bewijslast moeten volgen. Belanghebbendes klacht richt zich tegen de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Dit oordeel van het Hof is naar mijn mening niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4.9
Het tweede middel faalt derhalve.
4.10
Het derde middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de vergrijpboete niet in geschil was. Belanghebbende stelt zich niet bewust te zijn geweest van onjuist handelen.
4.11
Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat belanghebbende de opgelegde boete in het incidenteel beroep niet heeft bestreden.
4.12
Ook het derde middel faalt dus.
5. Beoordeling van het cassatieberoep van de Staatssecretaris
5.1
Het Hof heeft in r.o. 4.2 geoordeeld dat aard en omvang van de geconstateerde tekortkomingen bij relatief kort na elkaar uitgevoerde controles meebrengen dat belanghebbende in de betreffende periode niet voldaan heeft aan de eisen die artikel 52 AWR stelt aan een (loon)administratie. Het Hof acht het, gelet op de tijdstippen van de controles van de arbeidsinspectie (in maart en tweemaal in november 2007) aannemelijk dat deze gebreken in de (loon)administratie gedurende heel 2007 bestonden. Dat betekent – aldus het Hof - dat voor het jaar 2007 op grond van artikel 27e, aanhef en onder b, AWR, omkering en verzwaring van de bewijslast moeten worden toegepast. Voor verdere extrapolatie van deze conclusie naar de jaren 2006 en eerder bestaan naar het oordeel van het Hof geen aanwijzingen. Dit oordeel wordt niet in het middel bestreden.
5.2
Voorts heeft het Hof in r.o. 4.5 geoordeeld dat ook anderszins geen aanleiding bestaat artikel 27e, aanhef en onder b, AWR toe te passen naar tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2007. Het Hof verwijst hiervoor naar de uitspraak in de gelijktijdig behandelde zaak met rolnummers 12/00544 tot en met 12/00548.7.Tegen dit oordeel richt het middel zich. Meer concreet wordt in het middel aangevoerd dat het Hof – door middel van die verwijzing - ten onrechte heeft geoordeeld dat ‘ondanks het verdichten en niet bewaren van digitale detailgegevens geen sprake is van een schending van de bewaarplicht, waardoor geen omkering van de bewijslast geldt’.
5.3
Zoals de Staatssecretaris in de toelichting op het middel ook opmerkt, richt het middel zich dan ook tegen het oordeel van het Hof in de onder 5.2. genoemde gelijktijdig behandelde zaak met rolnummers 12/00544 tot en met 12/00548 waartegen de Staatssecretaris (ook) beroep in cassatie heeft ingesteld.8.
5.4
Heden neem ik eveneens conclusie naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris als genoemd onder 5.3. In deze conclusie – waarnaar ik kortheidshalve verwijs - betoog ik dat het beroep in cassatie ongegrond dient te worden verklaard. Nu het onderhavige beroep in cassatie van de Staatssecretaris zich tegen hetzelfde oordeel van het Hof richt, kan het middel dan ook niet slagen. Ik merk daarbij nog op dat ik het oordeel van het Hof, zoals opgenomen onder 5.1, ook overigens noch onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd acht.
5.5
Het middel faalt derhalve.
6. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende en dat van de Staatssecretaris ongegrond dienen te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑09‑2014
Rechtbank Arnhem 16 juli 2013, nr. AWB 10/1882, ECLI:NL:RBARN:2012:1786.
Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2013, nr. 12/00549, ECLI:NL:GHARL:2013:5305.
Het Hof heeft in de uitspraak naar ik meen abusievelijk de feiten weergegeven die de Rechtbank heeft vastgesteld in de uitspraken AWB 10/1873, 10/1874, 101875, 10/1877 en 10/1878. Deze feiten zien op het geding betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV en OB, zie dossier HR 13/04127 betreffende dezelfde belastingplichtige.
Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2013, nr. 12/00544 t/m 12/00548, ECLI:NL:GHARL:2013:5304, NTFR 2013/1754 m. nt. I.R.J. Thijssen, FutD 2013/32.
Belanghebbende brengt dit aspect in bij zowel het eerste middel als het tweede middel in cassatie.
Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2013, nr. 12/00544 t/m 12/00548, ECLI:NL:GHARL:2013:5304, NTFR 2013/1754 m. nt. I.R.J. Thijssen, FutD 2013/32.
Hoge Raad 13/04127.
Beroepschrift 11‑10‑2013
Den Haag, [11 OKT 2013]
Kenmerk: DGB 2013-5141
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 13/04067) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2013, nr. 12/00549, inzake [X] te [Z] betreffende de naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen over de tijdvakken van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003, 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 en 1 januari 2006 toten met 31 december 2007.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 24 september 2013 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlands recht, met name van de artikelen 27e, onderdeel b en 52, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat ondanks het verdichten en niet bewaren van digitale detailgegevens geen sprake is van een schending van de bewaarplicht, waardoor geen omkering van de bewijslast geldt (met uitzondering van het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007), zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
- a.
het Hof ten onrechte voor het bewaren van de detailgegevens alleen lijkt in te gaan op de mogelijkheid van aanschaf van een extra module, terwijl belanghebbende verplicht is deze gegevens op een door hem gekozen wijze te bewaren, mits deze op normale wijze toegankelijk blijven;
- b.
het Hof daardoor ten onrechte de betreffende detailgegevens niet tot de boeken en bescheiden heeft gerekend waarvoor de bewaarplicht geldt;
- c.
belanghebbende door de detailgegevens niet te bewaren het de inspecteur onmogelijk heeft gemaakt om (binnen een redelijke termijn) de controle van de administratie uit te voeren en daarmee niet aan de verplichtingen van artikel 52 AWR heeft voldaan;
- d.
ook de geprinte keukenbonnen met de detailgegevens niet bewaard zijn gebleven;
- e.
het Hof derhalve de bewijslast ten onrechte op de inspecteur heeft gelegd;
- f.
het Hof bij zijn oordeel over het renseignement van de Fiod voorbij gaat aan de resultaten van het onderzoek van de inspecteur, waaruit verschillen blijken tussen de administratie van de leverancier en de administratie van belanghebbende.
Uitgangspunten in cassatie
1.
Belanghebbende exploiteert een Chinees restaurant.
2.
Binnen de onderneming wordt gebruik gemaakt van een geautomatiseerd bestellingen- en afrekensysteem van Euroware Systems.
3.
Er zijn twee bestelcomputers aanwezig. Eén in het restaurantgedeelte en één in het afhaalgedeelte van de onderneming.
4.
De gegevens die in deze systemen worden ingebracht en al dan niet worden bewaard zijn:
Bewaard | niet bewaard | |
|---|---|---|
a.Datum bestelling | [X] | |
b. Menunummer | [X] | |
c. Omschrijving menu | [X] | |
d. Aantallen bestelling | [X] | |
e. Prijs per artikel | [X] | |
f. Keukenbonnen | [X] | |
f. Nummer ober | [X] | |
g. Tijdstip verkoop | [X] | |
h. Tafelnummer | [X] | |
i. Afrekening per ober | [X] | |
j. Totaal bedrag bestelling | [X] | |
k. Betaalwijze | [X] | |
l. Correctieboekingen | [X] |
5.
Op de website van de Belastingdienst is de folder ‘Uw geautomatiseerde administratie en de fiscale bewaarplicht’ te vinden. Dit is een praktische uitwerking van artikel 52, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht er artikel 8 Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
6.
In deze folder staat onder andere:
‘2.4. Verdichten van gegevens
In principe moet u alle detailgegevens bewaren. Informatiesystemen, zoals bijvoorbeeld grootboekadministraties, kunnen vaak samenvattingen geven van meerdere transactiegegevens. Dit wordt verdichting genoemd. U mag gegevens verdichten, maar u moet er wel voor zorgen dat de achterliggende, gedetailleerde gegevens zeven jaar bewaard blijven. Bewaar ze zo, dat ze binnen redelijke tijd in te zien zijn. De achterliggende gegevens kunnen zich in een ander informatiesysteem bevinden. Zie het voorbeeld hierna.
Voorbeeld
Een afdeling Verkoop voert gegevens van factuurregels voor de facturering in. Als deze gegevens net zo gedetailleerd deel uit gaan maken van de financiële administratie, dan hoeven ze niet in het verkoopsysteem bewaard te worden. Maar als binnen de financiële administratie een samenvatting van de factuurregels wordt geboekt (‘verdicht’), dan moeten de gegevens van de factuurregels in het verkoopsysteem bewaard blijven. Er moet dan een mogelijkheid zijn om langs elektronische weg vanuit de verdichte boeking terug te keren naar de oorspronkelijke details (audit trail). Dit kan bijvoorbeeld via een verdichtingscode in het grootboek, zoals een factuurnummer in een factuurregel.
2.5. Invulling van de bewaarplicht
Hoewel u in principe alle gegevens binnen uw onderneming moet bewaren, is het mogelijk om afspraken te maken met de Belastingdienst over de invulling van uw fiscale bewaarplicht. Wij maken daarvoor een onderscheid tussen basisgegevens en overige gegevens. Basisgegevens zijn met name:
- —
het grootboek
- —
de debiteuren- en crediteurenadministratie
- —
de in- en verkoopadministratie
- —
de voorraadadministratie
- —
de loonadministratie
Basisgegevens moet u in ieder geval zeven jaar bewaren. Over de overige gegevens kunt u afspraken met ons maken. Zie hoofdstuk 5.
Let op!
Het is mogelijk dat er binnen uw organisatie nog meer basisgegevens zijn. Voor bouwondernemingen is bijvoorbeeld de projectadministratie van essentieel belang voor de planning, uitvoering en vastlegging van de werkzaamheden. Binnen dienstverlenende organisaties, zoals accountants- en belastingadvieskantoren, neemt de opdrachtregistratie een belangrijke plaats in. Als u wilt vaststellen welke gegevens voor uw onderneming basisgegevens zijn, dan kunt u contact opnemen met uw belastingkantoor.
(…)
3.2. Conversie
Het kan zijn dat u gegevens uit uw administratie op een andere manier wilt opslaan. Als u gegevens overbrengt naar een andere gegevensdrager, is er sprake van conversie. Dit is bijvoorbeeld het geval als u een ontvangen papieren document scant of als u bestanden uit de computer overzet op microfiche. Van conversie is ook sprake als u van het ene computersysteem overgaat op een ander. U mag alleen converteren als u aan de volgende voorwaarden voldoet:
- —
U zet alle gegevens over.
- —
U zet de gegevens inhoudelijk juist over.
- —
U zorgt ervoor dat de nieuwe gegevensdrager tijdens de hele bewaartermijn beschikbaar is.
- —
U kunt de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd (re)produceren en leesbaar maken.
- —
U zorgt ervoor dat een controle van de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd kan worden uitgevoerd.
- —
U bewaart de uitkomsten van de interne controle. Bijvoorbeeld de afstemming met de oorspronkelijke gegevens en de eventuele verschillenanalyse.
Het is vooral belangrijk dat u aandacht besteedt aan echtheidskenmerken (de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud). Bij conversie kunnen deze immers verloren gaan. Denk bijvoorbeeld aan het watermerk dat verloren gaat bij het scannen van een papieren document. In dit soort gevallen zullen de beheersingsmaatregelen in de organisatie samen met de geconverteerde gegevens (bijvoorbeeld de scan) de gewenste zekerheid moeten geven over de echtheid. Dat stelt relatief hoge eisen aan de beheersingsmaatregelen.
Let op!
In het geval van converteren naar portable document format (pdf ) of vergelijkbare formaten kan het zijn dat u niet meer aan de bewaarplicht voldoet.
Als u controleerbaar aan bovenstaande voorwaarden voldoet, hoeft u na een conversie de originele gegevens op basis van de fiscale bewaarplicht niet te bewaren. Alleen de balans en de resultatenrekening moet u altijd op papier bewaren. Er kunnen echter documenten zijn waarvoor het niet verstandig is deze niet te bewaren. Verder hoeven oude (informatie)systemen niet operationeel te blijven als aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Meer informatie over conversie kunt u krijgen bij uw belastingkantoor.
3.3. Afdrukken van gegevens
In principe is het niet toegestaan om computerbestanden af te drukken en vervolgens de computerbestanden te verwijderen. Alleen als uw administratie van geringe omvang is zodat een controle van de afgedrukte bestanden binnen redelijke tijd kan worden gedaan, mag u uw gegevensbestanden verwijderen. Neem hierover eerst contact met ons op.’
7.
Aan het einde van iedere dag worden de verkoopgegevens die aanwezig zijn in het geautomatiseerde kassasysteem verdicht, waarbij de detailgegevens nagenoeg geheel zijn verwijderd en niet op een andere wijze (back-up, diskette, papier of iets dergelijks) zijn bewaard. Op de vraag die het systeem stelt of de detailgegevens bewaard dienen te worden, heeft belanghebbende vanwege de geringe opslagcapaciteit binnen het systeem steeds met ‘nee’ geantwoord.
8.
De inspecteur heeft steeds gesteld dat belanghebbende heeft verzuimd maatregelen te treffen om essentiële detailgegevens te kunnen bewaren. De aanschaf van een extra module voor het kassasysteem is daarbij niet door de inspecteur voorgeschreven; belanghebbende mag zelf kiezen hoe hij de detailgegevens bewaard.
9.
Vaststaat dat belanghebbende de detailgegevens (van de bestellingen) in het kassasysteem heeft ingevoerd en dat deze gegevens ook tijdens de dag in het systeem aanwezig bleven. Daarnaast werden van elke bestelling twee bonnen geprint: een voor de klant en een voor de keuken. De keukenbonnen heeft belanghebbende niet bewaard. Bij het afsluiten van de dag vraagt het kassasysteem of de detailgegevens bewaard moeten blijven. Belanghebbende heeft daar steeds met ‘nee’ op geantwoord waardoor de detailgegevens ook digitaal niet bewaard gebleven zijn. Door deze werkwijze is na het afsluiten alleen nog het totaalbedrag per bestelling te raadplegen (Z-afslag).
10.
Uit de r.o. 4.1 en 4.2 van de uitspraak met rolnummers 12/00544 tot en met 12/00548 komt naar voren dat het kassasysteem de mogelijkheid biedt om tafels niet te boeken of niet af te sluiten. Daardoor bestaat de mogelijkheid om (gedeelten van) bestellingen te verwijderen na het printen van de keukenbon. Dat volgt ook uit de verklaringen en de tot het geding behorende gebruiksaanwijzing inhoudende dat aanpassing mogelijk is bij een klacht over de rekening. Dit bevestigt het belang van het bewaren van de detailgegevens voor de controleerbaarheid.
11.
In onderdeel 2.4 van de uitspraak van de uitspraak met rolnummers 12/00544 tot en met 12/00548 wijst het Hof op een renseignement van de Fiod. Op basis van het vermoeden van de Fiod dat bij belanghebbende sprake is van zwarte inkopen heeft de inspecteur een aantal nota's van de vleesleverancier gecontroleerd bij belanghebbende. Op bladzijde 7 van het verweerschrift van de inspecteur bij de rechtbank worden de resultaten van dat onderzoek weergegeven (zie ook de bijlage bij het verweerschrift waarin de geconstateerde verschillen zijn aangegeven). Deze resultaten bevestigen dat belanghebbende een deel van de inkopen niet in zijn administratie heeft verwerkt.
Toelichting op het middel
Voor zijn oordeel over de omkering van de bewijslast in de tijdvakken anders dan het jaar 2007 verwijst het Hof in r.o. 4.5. naar zijn oordeel in de gelijktijdig behandelde zaak met van de uitspraak met rolnummers 12/00544 tot en met 12/00548. Het middel richt zich met name tegen het oordeel in die uitspraak.
Het Hof is er bij zijn oordeel over de niet bewaarde detailgegevens ten onrechte van uitgegaan dat de gegevens alleen bewaard kunnen worden door aanschaf van een extra module voor het geautomatiseerde kassasysteem. Nu belanghebbende in het onderhavige jaar niet over deze module beschikte, was het onmogelijk om de gegevens te bewaren en om die reden acht het Hof de bewaarplicht niet geschonden.
Op welke wijze belanghebbende de gegevens bewaart, is niet voorgeschreven. De inspecteur kan er slechts op wijzen dat de oorspronkelijk in het systeem ingebrachte detailgegevens niet weggegooid c.q. gewist mogen worden. Dit betreffen namelijk primaire basisbescheiden die verplicht bewaard moeten blijven. Dat blijkt ook uit de folder ‘Uw geautomatiseerde administratie en de fiscale bewaarplicht’, zoals die op de website van de Belastingdienst is te vinden. Uit deze folder blijkt reeds dat gegevens op verschillende manieren bewaard mogen worden (microfiche, andere gegevensdrager e.d.) als de gegevens maar volledig bewaard blijven en op een redelijke wijze toegankelijk zijn voor controle door de fiscus.
Uit de hiervoor genoemde brochure wordt duidelijk dat alle detailgegevens bewaard moeten blijven en dat het niet is toegestaan om de gegevens te verdichten zonder dat de detailgegevens op een andere wijze bewaard blijven. De brochure geeft aan dat het altijd mogelijk moet blijven om vanuit de verdichte boeking terug te keren naar de oorspronkelijke details (‘audit trail’). In de wetsgeschiedenis wordt daarover opgemerkt:
‘De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre zogenaamde verdichtingen steeds geaccepteerd kunnen worden, verdichting is een vorm van samenvatting van gegevens. Daartegen bestaat op zich geen bezwaar. Dit is anders indien verdichting inhoudt dat de samenvattende gegevens de plaats hebben ingenomen van de oorspronkelijke gegevens terwijl de oorspronkelijke gegevens niet meer of niet op redelijk toegankelijke wijze worden bewaard. Dan kan men inderdaad zeggen dat er minder gegevens beschikbaar zijn dan bij een traditionele vastlegging van gegevens. Een dergelijke handelwijze is dan ook niet toegestaan zonder instemming van de belastingdienst, welke deze instemming slechts zal geven indien de mogelijkheden om een zorgvuldige controle ten behoeve van de belastingheffing uit te voeren, niet wezenlijk worden belemmerd.’
MvA, Kamerstukken II 1990/91, 21 287, nr. 5, blz. 10.
Bij de behandeling van de Wet aanpassing administratie verplichtingen (wet van 29 juni 1994, Stb. 1994, 499) heeft een van mijn ambtsvoorgangers op aandrang van het parlement overleg gevoerd met het VNO en het NCW over de bewaarverplichting. Dit overleg heeft geleid tot een notitie die bij de nadere memorie van toelichting aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 1993/94, 21 287, nr. 15d, blz. 5) is gevoegd. Aan deze notitie ontleen ik dat voor het bewaren van elektronische gegevensverzamelingen de volgende uitgangspunten gelden:
- —
de gegevens moeten zeven jaar worden bewaard;
- —
de gegevens behoeven maar eenmaal te worden vastgelegd;
- —
de omvang van de gegevens die bewaard moeten worden, is in beginsel 100%;
- —
de ondernemer is in beginsel vrij in de keuze van gegevensopslag;
- —
de gegevens moeten gedurende de gehele bewaartermijn binnen een ‘redelijke termijn’ raadpleegbaar en (re)produceerbaar zijn. Als aan deze voorwaarde is voldaan, is het niet nodig dat oude systemen (apparatuur en programmatuur) bewaard blijven (Kamerstukken II 1989/90, 21 287, nr. 4, blz. 9 en nr. 5, blz. 14 en 22);
Deze wetsgeschiedenis is in overeenstemming met de aan het publiek uitgedragen informatie inzake de bewaarplicht.
Het moet belanghebbende ook duidelijk zijn geweest dat de door hem in het kassasysteem ingebrachte detailgegevens behoren tot de in onderdeel 2.5. van de brochure genoemde basisgegevens. Deze gegevens betreffen namelijk onder andere belanghebbendes verkoopadministratie en loonadministratie. Dit onderdeel van de administratie wordt ook genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdelen f en g, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
De wetsgeschiedenis leert ons verder dat het niet toegestaan is grote elektronische gegevensverzamelingen op papier af te drukken en die vervolgens aan de controlemedewerker ter hand te stellen. (zie Kamerstukken I 1993/94, 21 287, nr. 15d, blz. 6). Het Hof is echter zelfs geheel voorbij gegaan aan de opmerkingen van de Belastingdienst dat de detailgegevens wel geprint konden worden. In ieder geval staat vast dat de detailgegevens als keukenbon geprint werden. Zelfs deze geprinte bonnen zijn niet bewaard gebleven.
Om in het geval van belanghebbende een aansluiting te kunnen maken tussen de inkopen en de verkopen zijn de detailgegevens (welke menu's en hoeveel e.d.) van eminent belang. Ook blijkt uit de detailgegevens welke personeelsleden werkzaam waren op welk moment. In de in geschil zijnde periode zijn deze gegevens volledig niet bewaard gebleven. Zelfs de keukenbonnen, waarvan naar mijn oordeel overigens niet gezegd kan worden dat daarmee binnen een redelijke termijn een controle kan worden uitgevoerd, zijn niet bewaard gebleven. Met de door belanghebbende bewaarde totaalstaten van de omzet is de aansluiting tussen inkopen en verkopen niet te maken, omdat niet bekend is welke gerechten zijn gemaakt. Ook kan niet worden gecontroleerd of alle werknemers in de loonadministratie zijn opgenomen. Belanghebbende heeft het de Belastingdienst derhalve onmogelijk gemaakt om met behulp van primaire gegevens die aanwezig zijn geweest (binnen een redelijke termijn) te kunnen controleren of het loon van de werknemers volledig is aangegeven. De inspecteur heeft in zijn beroepschrift in hoger beroep uitdrukkelijk aangegeven dat deze werkwijze van belanghebbende de inspecteur de mogelijkheid heeft ontnomen om een adequate en efficiënte controle op de volledigheid van de opbrengstverantwoording en de lonen uit te voeren.
Het niet-bewaren van de detailgegevens heeft wellicht geen invloed op ‘in control’ blijven als een dag eenmaal voorbij is. De gegevens waren (vermoedelijk) aanwezig tot en met het moment dat de ondernemer de gegevens nodig had, daarna zijn zij pas gewist. Na het opmaken van de kas heeft belanghebbende de gegevens kennelijk niet meer nodig voor de bedrijfsvoering. Dat neemt niet weg dat de gegevens wel van belang zijn (geweest) voor de bedrijfsvoering. Het is anders onbegrijpelijk waarom belanghebbende al deze detailgegevens wel steeds invoert in het systeem. Het Hof miskent in mijn optiek dat belanghebbende de gegevens heeft ingebracht en voor de bedrijfsvoering heeft gebruikt en ze later bewust heeft gewist, terwijl op belanghebbende de wettelijk verplichting rust om deze gegevens te bewaren. Door dit niet te doen heeft belanghebbende het de inspecteur onmogelijk gemaakt om (binnen een redelijke termijn) de volledigheid van onder andere de omzetverantwoording en de loonbetalingen te controleren, terwijl dat bij bewaren van deze detailgegevens wel mogelijk zou zijn geweest.
Alle detailgegevens maken deel uit van zijn administratie die naar de eisen van het bedrijf worden bijgehouden. Door het niet bewaren van deze gegevens heeft belanghebbende niet voldaan aan artikel 52, vierde en zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. In dit kader verwijs ik bijvoorbeeld naar een uitspraak van Rechtbank Haarlem, 22 februari 2007, nr. 06/3303, waarin het wissen van primaire gegevens uit een taxameter door een taxichauffeur strijdig werd geacht met de verplichtingen van artikel 52 AWR:
‘4.13.
Voor een taxionderneming vervult de taxameter dezelfde rol als een kassa in een winkel. Op de taxameter wordt de aan de klant in de rekening te brengen prijs afgelezen en vervolgens vastgelegd op een rittenkaart. De taxameter kan desgewenst, zo heeft verweerder onweersproken verklaard, aangesloten worden op een printer, waarmee de klant desgewenst een bonnetje of uitdraai kan worden verstrekt, gelijk ook gebruikelijk is bij de kassa in een winkel.
Alsdan is de taxameter, naar het oordeel van de rechtbank, aan te merken als een tot de administratie van eiser behorende gegevensdrager in de zin van artikel 52 van de AWR. Eiser — dan wel de BV die in VOF verband de taxionderneming exploiteert, maar waarvoor eiser als directeur en aandeelhouder ook verantwoordelijkheid draagt — is op grond van artikel 52, lid 4 en lid 6 van de AWR gehouden deze gegevensdrager (inclusief de daarop vastgelegde gegevens) gedurende zeven jaar en zodanig te bewaren dat controle door de belastingdienst binnen een redelijke termijn mogelijk is.
4.14.
Eiser heeft er niet voor gekozen om een printer aan te schaffen, waarmee na iedere rit of dagelijks of (na het standaard door eiser dagelijks nullen, maar dan met behulp van het intern geheugen) een periodieke uitdraai per maand of per jaar had kunnen worden gemaakt waarna de uitdraai toegevoegd had kunnen worden aan de administratie.
Eiser heeft evenmin, zo is tussen partijen niet in geschil, de door de taxameter geregistreerde gegevens overgebracht op een andere gegevensdrager zoals bedoeld in artikel 52, lid 5 van de AWR.
Eiser heeft voorts de taxameter niet dusdanig ingesteld dat de gegevens in het intern geheugen worden opgeslagen waarna deze gegevens alsnog hadden kunnen worden afgelezen.
4.15.
In ieder geval staat vast dat na het dagelijks nullen door eiser en zijn medechauffeurs de primaire registratie van verreden kilometer en in rekening gebrachte omzet zoals vastgelegd door de taxameter, op geen enkele wijze bewaard is gebleven. (…)
4.17.
Door te nullen (waarvan de noodzaak naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is gemaakt) en voorts iedere andere vastlegging van de primaire gegevens achterwege te laten door geen uitdraai te maken met behulp van een printer danwel de gegevens (hoewel dit op technisch vrij eenvoudige wijze uit te voeren zou zijn geweest) in het intern geheugen te laten opnemen, heeft eiser niet voldaan op de op hem rustende verplichting om de automatisch door de taxameter gegenereerde gegevens te bewaren.
Zulks klemt te meer nu de taxameter, gelet op het gebruik bij het afrekenen met de klant en het belang van de verreden kilometers en in rekening gebrachte ritprijs, en bij gebreke aan iedere andere vastlegging van deze primaire gegevens, in een taxi een centrale en cruciale plaats inneemt.
De rechtbank benadrukt in dit verband dat het bij de registratie door de taxameter gaat om het vastleggen van de primaire gegevens, in tegenstelling tot de door eiser ingevulde ritten-kaart. Op de rittenkaart worden slechts de eerder door de taxameter geregistreerde primaire gegevens met een aparte door eiser uit te voeren handeling op een andere gegevensdrager genoteerd. Door het nullen van de taxameter is iedere mogelijkheid om de primaire registratie van de taxameter aan te sluiten bij de door eiser ingevulde rittenkaarten (een secundaire registratie) en eventueel de kilometeradministratie, geheel komen te vervallen.
4.18.
Nu niet is voldaan aan de verplichtingen zoals geformuleerd in artikel 52 van de AWR zal de rechtbank overeenkomstig artikel 27e van de AWR het beroep ongegrond verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de bestreden uitspraak onjuist is.
De rechtbank acht in dit verband van belang dat het in dezen niet gaat om het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting van artikel 47 van de AWR en de op eiser rustende bewijslast ten aanzien van feitelijke omstandigheden (Hoge Raad van 3 februari 2006, BNB 2006/205) maar om de administratieverplichting van artikel 52 van de AWR en de mogelijkheid van verweerder om deze administratie te controleren en desgewenst aan deze administratie informatie te ontlenen.’
Ik wijs ook op de uitspraak van Hof Arnhem, 28 mei 2013, nr. 12/00556 t/m 12/00558, ECLI:NL:GHARL:2013:CA2653:
‘ 4.2.
In de vof worden vrijwel alle betalingen per kas verricht. De kasadministratie vormt derhalve een essentieel onderdeel van belanghebbendes administratie. Het Hof is van oordeel dat gelet op de verdichte weergave van de boekingen in het kasboek, de uit de administratie voortvloeiende kassaldi die van € 23.431 in 2006 oploopt tot € 34.882 in 2007, terwijl de kas volgens verklaringen van belanghebbende slechts € 200 zou moeten zijn, het ontbreken van aansluitingen tussen de kas en de administratie en het niet bewaren van de detailgegevens die in het kasregister kunnen worden opgeslagen, de kasadministratie zodanig gebrekkig is dat deze niet als grondslag voor de winstberekening kan dienen. Belanghebbende heeft weliswaar de Z-afslagen bewaard, maar beschikt niet meer over de detailgegevens per aanslag in de kassa, waardoor de resultaten uit de kasadministratie niet meer onderbouwd kunnen worden. Gelet op deze gebreken, alsmede gelet op de in 4.1 genoemde branchegegevens van een cafetaria, heeft de Inspecteur terecht geen waarde gehecht aan de uit belanghebbendes administratie blijkende brutowinstpercentages.’
In het arrest HR 21 maart 2008, nr. 43 966, BNB 2008/207 is door Uw Raad over een zelfde kassasysteem als het door belanghebbende gebruikte kassasysteem geoordeeld:
‘—5.2.2.
Ingevolge artikel 52, lid 1, van de AWR diende belanghebbende de detailgegevens van de in de bestelcomputers ingevoerde bestellingen te bewaren indien deze gegevens voor de heffing van belasting van belang waren. Nu de Inspecteur voor het Hof heeft aangevoerd dat het door belanghebbende gebezigde in 3.1 omschreven systeem niet waarborgde dat de met behulp van dat systeem vervaardigde totaaloverzichten per dag alle bestellingen, en de daarop gevolgde betalingen, omvatten zoals die op de desbetreffende dag in de bestelcomputers waren ingevoerd, omdat eenmaal ingevoerde bestellingen gemuteerd of verwijderd konden worden, en het Hof die stelling niet heeft verworpen, moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat de (niet-gemuteerde en niet-verwijderde) detailgegevens van de bestellingen van belang waren voor de belastingheffing, zodat deze door belanghebbende hadden moeten worden bewaard. Door het wissen van die detailgegevens ging immers in dat geval de mogelijkheid verloren om de volledigheid van de verantwoording van de omzet in geld te verifiëren aan de hand van een op goederenniveau te leggen verband tussen inkoop en verkoop. 's Hofs bestreden oordeel geeft derhalve bij voormeld uitgangspunt blijk van een onjuiste opvatting van artikel 52, lid 1, van de AWR. De in het middel besloten liggende, hierop gerichte klacht slaagt..’
Hier wordt bevestigd dat de detailgegevens van de bestellingen behoren tot de in artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bescheiden, waarvoor de bewaarplicht van het vierde lid geldt. Het Hof heeft dit miskend.
Ik wijs in dit kader ook op de kritische noot van Thijssen onder de onderhavige uitspraak in NTFR 2013/1754:
‘In art. 52, lid 1, AWR is de verplichting opgenomen een administratie te voeren, zonder dat wordt omschreven wat precies onder het begrip ‘administratie’ moet worden verstaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de eisen die aan een administratie worden gesteld onder meer afhankelijk zijn van de ‘aard, omvang, complexiteit e.d. van een bedrijf’. In beginsel is een administratieplichtige dan ook vrij om naar eigen goeddunken invulling te geven aan de wijze van inrichting van zijn administratie, mits de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens maar juist, volledig en controleerbaar zijn vastgelegd. Die eis kan meebrengen ‘dat van elk gegeven dat eenmaal in verband met dat bedrijf of beroep of die werkzaamheid is ontvangen, verzonden of voor intern gebruik vastgelegd’ tot de administratie gaat behoren en ingevolge art. 52, lid 4, AWR moet worden bewaard (Kamerstukken II, 1988–1989, 21 287, nr. 3, p. 23). Datzelfde criterium brengt zelfs mee dat de fiscale administratie- en bewaarplicht zich eveneens uitstrekt tot valselijk opgemaakte stukken, hoewel het — paradoxaal genoeg — ingevolge art. 225 Sr. verboden is dergelijke valse geschriften voorhanden te hebben (HR 22 februari 2005, nr. 01417/04, NTFR 2005/351, met commentaar van Thomas).
Het onderhavige geval gaat over een klein restaurant met een (kassa)computer waar per klant (per tafel) exact wordt bijgehouden welke producten zijn besteld en afgerekend. Na 2.000 bestellingen loopt het systeem vast, tenzij er wordt ‘opgeschoond’. Alsdan worden detailgegevens ‘verdicht’ tot zogenoemde dagomzetlijsten waarbij de overige (detail)gegevens worden gewist. De vraag is of het wissen van de detailgegevens een bewaarverzuim oplevert als gevolg waarvan de bewijslast verschuift en verzwaart (ex art. 27e, aanhef en onderdeel b, AWR). In zijn commentaar bij HR 21 maart 2008, nr. 43.966, NTFR 2008/617, schrijft Boxem — naar ik aanneem gechargeerd — over de bewaarplicht van detailgegevens het navolgende: ‘Je hoeft detailgegevens niet bij te houden, maar als je dat nu eenmaal doet, staat het je niet vrij om deze te wissen’. In dat arrest is de Hoge Raad evenwel ‘veronderstellenderwijs’ ervan uitgegaan ‘dat de (niet-gemuteerde en niet-verwijderde) detailgegevens van de bestelling van belang waren voor de belastingheffing’, omdat aan de hand daarvan door middel van een op goederenniveau te leggen verband tussen inkoop en verkoop de volledigheid van de omzetverantwoording in geld viel te verifiëren.
In het onderhavige geval gaat het hof niet expliciet in op de vraag of de door belanghebbende gewiste detailgegevens van belang zijn voor de belastingheffing. Het hof lijkt impliciet wel daarvan uit te gaan omdat het hof zich concentreert op de vervolgvraag waarom de detailgegevens door belanghebbende zijn ‘verdicht’ (en dus deels zijn gewist). Het hof oordeelt dat het voor belanghebbende onmogelijk was om detailgegevens te bewaren als gevolg waarvan ‘aan belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat de detailgegevens niet zijn bewaard’. Kennelijk acht het hof enerzijds de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te zwaar (of onevenredig), maar aan die sanctie lijkt mij niet te ontkomen indien het hof anderzijds vaststelt dat de gewiste detailgegevens van wezenlijk (fiscaal) belang zijn voor de controle van de omzetverantwoording. Een situatie van overmacht in de zin van art. 54 AWR lijkt mij eveneens niet aan de orde, zodat ik denk dat belanghebbende goed wegkomt met deze beslissing van het hof (alsmede de aan hem toegekende proceskostenvergoeding met wegingsfactor 2).’
Het Hof acht voor de beantwoording van de vraag of de administratieplicht/bewaarplicht is geschonden van belang of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat er tafels niet werden afgesloten en er nog wijzigingen plaatsvonden. Daarmee keert het Hof de situatie om. Doordat de detailgegevens niet bewaard bleven, heeft de inspecteur dat juist niet aannemelijk kunnen maken. De mogelijkheid om dit te controleren is hem juist ontnomen. Van belang is dat het systeem de mogelijkheid had om tafels niet af te sluiten en tot dat moment wijzigingen mogelijk waren. Doordat belanghebbende de detailgegevens niet bewaarde kon niet gecontroleerd worden of dit zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.
Daarbij kan ook gewezen op de resultaten van het onderzoek van de inspecteur naar aanleiding van het renseignement van de FIOD. Het Hof overweegt in r.o. 4.5 weliswaar dat het renseignement slechts spreekt over een vermoeden, doch het Hof gaat voorbij aan de resultaten van het onderzoek van de inspecteur waaruit blijkt dat de inkopen daadwerkelijk niet volledig werden verantwoord. Er is derhalve een serieuze aanwijzing dat een deel van de omzet, inkopen en de daarmee samenhangende lonen buiten de boekhouding werden gelaten. Dit wordt ook bevestigd door de waarnemingen ter plaatse van de arbeidsinspectie in 2007 waaruit blijkt dat in de onderzochte periode de loonadministratie gebreken vertoonde. Deze omstandigheden geven aan dat de inspecteur een wezenlijk belang had bij het kunnen controleren van de volledigheid van de omzet en de lonen. Door het wissen van de detailgegevens en het niet bewaren van de geprinte keukenbonnen heeft belanghebbende de inspecteur die mogelijkheid ontnomen.
In dit kader wijs ik ook op onderdeel 5 van de noot van Feteris onder het arrest BNB 2008/207
‘—5.
Ik vraag mij wel af waarom de mogelijkheid tot het muteren of verwijderen van gegevens over de verkochte producten bepalend is voor de behoefte aan controle. Ook wanneer die gegevens niet meer aangepast kunnen worden, bieden totaalbedragen per klant immers geen aanknopingspunten voor een controle op goederenniveau. Die situatie zal zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de bestellingen worden genoteerd op bestelbonnen. Het zou mijns inziens te ver gaan om aan te nemen dat dergelijke bonnen weggegooid mogen worden als slechts de totaalbedragen per bestelling in de administratie worden verwerkt. Een controle op goederenniveau kan ook licht werpen op de vraag of alle bestellingen zijn genoteerd. Wellicht heeft in deze zaak een rol gespeeld dat de volledigheid van de (aanvankelijk) genoteerde bestellingen, voor zover ik kan nagaan, geen rol heeft gespeeld in het debat van partijen. Misschien is de achterliggende gedachte van de Hoge Raad daarom geweest dat die volledigheid in dit geval als een gegeven kon worden beschouwd. Bij papieren bestelbonnen bestaat voor de fiscus verder het risico dat die bonnen niet juist en volledig worden verwerkt als de ondernemer de (totaal)bedragen ervan in zijn administratie overneemt. Ook dit kan de inspecteur voor controleproblemen plaatsen. Wanneer dergelijke fouten in de verwerking worden gemaakt in een papieren omgeving, leidt dat tot onjuistheden die vergelijkbaar zijn met de — onterechte — mutatie of verwijdering van elektronische gegevens over bestellingen, fouten waarop dit arrest ziet. Misschien moet men de overweging van de Hoge Raad over de mogelijkheid tot het muteren of verwijderen van gegevens ook niet zo principieel lezen, en vormt zij slechts een weergave van een — beargumenteerde — stelling die door de inspecteur voor het Hof is aangevoerd. Leest men het arrest aldus, dan resteert als kernoverweging van de Hoge Raad dat de detailgegevens van de bestelling bewaard moeten worden als zij fiscaal van belang zijn. En die gedachte geldt evenzeer voor detailgegevens die op papier zijn vastgelegd.’
Ik wijs er voorts op dat het Hof bij zijn oordeel inzake de bewaarplicht niet afzonderlijk is ingegaan op het aspect van de controle binnen een redelijke termijn. Zowel de tekst van de wet als de wetsgeschiedenis maken echter duidelijk dat dit aspect van wezenlijk belang is.
Ten slotte zou ik ook nog willen wijzen op de ontwikkelingen op het gebied van het keurmerk betrouwbare afrekensystemen (zie www.keurmerkafrekensystemen.nl). De onafhankelijk Stichting Betrouwbare Afrekensystemen is een initiatief van leveranciers van kassasystemen) en de Belastingdienst. Meer informatie is ook te vinden op http://kbaibook.nl./. De uitspraak van het Hof wordt door de stichting niet als steun in de rug ervaren om te komen tot betrouwbare en controleerbare kassasystemen. Over de onderhavige uitspraak vermeldt de stichting in haar nieuwsbrief van september 2013 (ook te vinden op de website):
‘Uitspraak gerechtshof — nieuwsbrief september 2013
2 september 2013
Een ondernemer is zelf verantwoordelijk voor een goede administratie. Of toch niet? De rechter deed onlangs een opmerkelijke uitspraak.
Bij een belastingcontrole in een restaurant concludeert de Belastingdienst dat de omzet niet volledig is verantwoord. De administratie is volgens de Belastingdienst niet goed controleerbaar. Zo worden bijvoorbeeld de verkoopgegevens niet in detail elektronisch bewaard. Dit is een van de argumenten die de belastinginspecteur aanvoert om de administratie te verwerpen. Als een administratie niet in orde is, moet de ondernemer bewijzen dat de correctie onjuist is. Als de administratie wél in orde is, ligt de bewijslast bij de Belastingdienst.
Uitspraak Gerechtshof
De ondernemer is het niet met de inspecteur eens en legt de zaak voor aan de rechter. Het gerechtshof geeft de ondernemer gelijk. Het kassasysteem kán de gegevens niet bewaren, concludeert de rechter. Dat valt de ondernemer niet te verwijten. (Deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 16 juli 2013 is te vinden op www.rechtspraak.nl (GHARL:2013:5304.)
Zelf verantwoordelijk
Deze uitspraak wijkt sterk af van een eerdere uitspraak over hetzelfde kassasysteem. Al in 2008 vond de Hoge Raad dat de verkoopgegevens, maar ook de bestellingen die naar de printer in de keuken gaan, bewaard moeten worden. Als een ondernemer deze gegevens niet bewaart, kan dat een argument zijn om de administratie te verwerpen. De Belastingdienst was blij met deze uitspraak van de Hoge Raad (BNB 2008/207). Een ondernemer is immers zelf verantwoordelijk voor het inrichten van een goede administratie. Hij zou een kassa kunnen kopen die wél in staat is om een goed controleerbare administratie te voeren en gegevens te bewaren.
Schoenendoos te vol?
De Belastingdienst is het niet eens met de recente uitspraak van het Gerechtshof. De Staatssecretaris heeft daarom (pro forma) beroep in cassatie ingesteld. Motivering van het beroep zal op een later moment plaatsvinden. Het bestuur van de stichting begrijpt deze uitspraak ook niet. Betekent de uitspraak dan ook dat de ondernemer die geen geautomatiseerde administratie voert, maar verkoopbonnen bewaart in een schoenendoos ermee weg komt als hij deze in de afvalbak leegt als de doos vol is? Voor de Stichting Betrouwbare Afrekensystemen is het belangrijk dat de Staatssecretaris beroep in cassatie instelt, omdat de uitspraak van het Gerechtshof niet bepaalt als een steuntje in de rug voelt. Wordt vervolgd dus.’
Gelet op vorenstaande ben ik van oordeel dat het Hof ten onrechte de bewijslast alleen voor het tijdvak 2007 heeft omgekeerd en niet voor de overige tijdvakken. Verwijzing moet volgen om, uitgaande van omkering van de bewijslast, te beoordelen of de inspecteur een redelijke schatting van de verzwegen lonen heeft gemaakt, nu het Hof dit voor die tijdvakken nog niet heeft beoordeeld.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco