Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.2
6.2 Uitoefening algemene opschortingsrecht onderworpen aan redelijkheid en billijkheid
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950354:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.4 en § 3.7.4.3
Zie § 3.7.4.2.
Zie ook § 3.7.4.3 voor wat betreft het samenhangcriterium.
Aldus ook Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/349; Asser/Sieburgh 6-III 2022/714; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/55; Asser/Sieburgh 6-I 2020/274; Asser/Hijma 7-I 2019/565; Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel e; Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 14 en 23, voetnoot 79; Vranken 1989/115 en Fesevur 1988, p. 101. Zie tevens Linssen 1993, p. 176-177, die dit ‘een (dogmatisch niet fraaie) gefaseerde toetsing’ aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid noemt. Zie voorts concl. A-G M.H. Wissink 11 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:990, par. 3.4. Vgl. voor de enac Heyning-Plate 1969, p. 94-99. Vgl. art. 20 in § 3.1 van Opschortingsrechten in het Benelux-voorontwerp ‘niet-nakoming van verbintenissen’: “Geen bevoegdheid tot opschorting bestaat voor zover uitoefening daarvan in strijd met de eisen van de goede trouw zou zijn.” Zie het Benelux-voorontwerp betreffende de opschortingsrechten, dat als bijlage bij Lamine 1993 is gevoegd (p. 220-222).
In een enkel geval beoordeelde de rechtbank of het opschortingsverweer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is (Rb. Overijssel 27 september 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2950, r.o. 5.18).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 203. Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/55.
Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr.) 18 januari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:338, r.o. 4.3 (‘dat de opschorting proportioneel moet zijn. In artikel 6:52 lid 1 BW komt dat tot uitdrukking in de woorden dat er voldoende samenhang bestaat tussen de verbintenissen’).
Zie bijv. Clerx 1983, p. 428 en Schoordijk 1979, p. 145. Vgl. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/57.
Zie bijv. Klomp 2019a, aant. 5; Klomp 2019d, p. 185; Dammingh & Klomp 2014, p. 34 en Schoordijk 1979, p. 145.
Zie § 3.7.2 voor een overzicht van deze auteurs. Hetgeen ik tegelijk wat verwarrend vind, omdat een deel van deze auteurs de toepassing van art. 6:2 en 6:248 BW eveneens onderschrijft (zie bijv. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/41 en 55).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207. Cursivering GJB.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 203-204. Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 996 bij de enac (‘terwijl redelijkheid en billijkheid slechts via de artikelen 6.1.1.2 en 6.5.3.1 een rol kunnen spelen’).
Zie bijv. HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0951, NJ 1993/406 (Duyndam/De Kuiper), r.o. 3.3 (“Het kan echter zijn dat in de gegeven omstandigheden de eisen van redelijkheid en billijkheid aan een beroep op de bevoegdheid tot opschorting in de weg staan.”) en HR 4 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0097, NJ 1991/723 (Gelling/Jessurun), r.o. 3.2 (‘de vraag in hoeverre een in beginsel gerechtvaardigde opschorting in strijd met de goede trouw komt’). Zie bijv. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 8 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:981, r.o. 2.13 en 2.17; Rb. Den Haag 28 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10048, r.o. 4.6; Rb. Gelderland 21 juli 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3943, r.o. 4.24 en Rb. Oost-Brabant (vzr.) 24 juli 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:3692, r.o. 4.9-4.10.
Als de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid nakoming verlangt door harerzijds geen nakoming aan te bieden, bestaat tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.1 De schuldenaar is dan in beginsel opschortingsbevoegd en heeft een opschortingsrecht op grond van artikel 6:52 BW. Na deze beoordeling van wat de wederpartij mag doen (wel of geen nakoming verlangen zonder harerzijds nakoming aan te bieden) volgt de beoordeling van wat de schuldenaar mag doen (wel of geen beroep doen op het hem in beginsel toekomende opschortingsrecht).2 De beantwoording daarvan vergt eveneens een redelijkheids- en billijkheidstoets.3 De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is onderworpen aan de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.4 De schuldenaar kan van een aan hem toekomend opschortingsrecht geen gebruik mogen maken als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij zich op dat opschortingsrecht beroept.5
Deze trapsgewijze benadering van de beoordeling van een opschortingsgeval naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid blijkt niet met zoveel woorden uit de tekst van artikel 6:52 BW, maar vloeit voort uit de algemene maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals die zijn geregeld in artikel 6:2 BW en 6:248 BW en die ook van toepassing zijn op de uitoefening van een opschortingsbevoegdheid.6 Soms wordt deze werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid wel gelezen in de samenhang7 of de rechtvaardiging van de opschorting als genoemd in artikel 6:52 lid 1 BW.8 Daarbij wordt dan ter vergelijking wel verwezen naar artikel 6:262 lid 2 BW, waarin met zoveel woorden een proportionaliteitstoets is opgenomen, door de bepaling dat in geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming opschorting slechts is toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.9 Voorts is het mijn indruk dat de auteurs die binnen het samenhangcriterium het element ‘om deze opschorting te rechtvaardigen’ onderscheiden, dit element ook opvatten als een weerslag van de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid waaraan de uitoefening van het algemene opschortingsrecht is onderworpen.10 Ik denk dat de rechtvaardiging van de opschorting als genoemd in artikel 6:52 lid 1 BW onderdeel is van het samenhangcriterium en daarom betrekking heeft op de vraag wat de schuldeiser mag doen. Deze rechtvaardiging heeft mijns inziens niet tevens betrekking op de vraag wat de schuldenaar mag doen. De grondslag voor deze laatste vraag dient mijns inziens te worden gevonden in artikel 6:2 lid 2 en artikel 6:248 lid 2 BW.
In de parlementaire geschiedenis is expliciet toegelicht dat het samenhangcriterium en de bevoegdheid tot uitoefening van het algemene opschortingsrecht zijn onderworpen aan de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Tevens is daarin toegelicht dat deze beoordelingsmomenten na elkaar zijn gelegen en niet dezelfde grondslag hebben. Naar de bedoeling van de wetgever volgt de beoordeling van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op een toetsing aan de vereisten van dit opschortingsrecht, waaronder dus ook het samenhangcriterium. In die beoordeling staat de vraag naar wat de schuldenaar mag doen centraal. Het tweede beoordelingsmoment is niet gegrond op artikel 6:52 BW, maar artikel 6:2 lid 2 en artikel 6:248 lid 2 BW. Nadat in de parlementaire geschiedenis een toelichting is gegeven op de nieuwe redactie van het samenhangcriterium, is hierover opgemerkt:
“Het bovenstaande heeft niet tot gevolg dat redelijkheid en billijkheid bij de beoordeling of in een gegeven geval een opschortingsrecht al of niet gerechtvaardigd is, in het gewijzigd ontwerp geen rol meer kunnen spelen. Ook indien opschorting in beginsel gerechtvaardigd is, hetzij op grond van het onderhavige artikel, hetzij op grond van artikel 6.5.4.2 of enige andere bijzondere bepaling, kan het nog zijn dat de uitoefening ervan in de gegeven omstandigheden geheel of voor een deel van de vordering onaanvaardbaar is naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, bedoeld in de artikelen 6.1.1.2 lid 2 en 6.5.3.1 lid 2; (…)”11
In reactie op vragen van de vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer heeft de regeringscommissaris voor Boek 6 BW er ook op gewezen dat de verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid in het oorspronkelijke ontwerp enkel betrekking had op de vraag of tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat en dat ook in dat ontwerp de werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg kon staan aan een opschorting:
“De regeringscommissaris wijst erop dat het oorspronkelijke artikel 6.1.6.19 wel verwees naar redelijkheid en billijkheid maar alleen met het oog op de vraag of tussen de vorderingen over en weer voldoende samenhang bestaat. Ook daar kon zich dus het geval voordoen dat er aan de eis van dat artikel betreffende deze samenhang is voldaan, maar dat de redelijkheid en billijkheid van de artikelen 6.1.1.2 en 6.5.3.1 (zoals thans geformuleerd) aan opschorting in de weg staan; men denke bij voorbeeld aan rechtsverwerking. De nieuwe opzet is in zoverre simpeler dat artikel 6.1.6A.1 een meer in het bijzonder op de opschorting toegespitste maatstaf geeft en het daardoor meer voor de hand ligt naar gelang van de omstandigheden mede aan de invloed van algemene bepalingen als de artikelen 6.1.1.2 en 6.5.3.1 te denken.”12
Ook uit rechtspraak blijkt dat de beoordeling van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht aan de hand van de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid is gelegen na het moment waarop aan de vereisten van een opschortingsrecht is getoetst.13