De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties
Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/1.4:1.4 Probleemstelling
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/1.4
1.4 Probleemstelling
Documentgegevens:
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975766:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover par. 1.6.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek worden de fiscale knelpunten in kaart gebracht die ontstaan op het moment dat een non-profitorganisatie samenwerkt met een of meer andere non-profitorganisaties en/of profitorganisaties. Hierbij zal ik onderzoeken of er voldoende rechtvaardiging bestaat om oplossingen in te voeren voor de geconstateerde fiscale problemen.
In dit onderzoek focus ik op de vraag in hoeverre het aangaan, uitvoeren of beëindigen van een samenwerkingsverband van non-profitorganisaties leidt tot een verhoogde belastingdruk, wat mogelijk een obstakel kan vormen voor de effectiviteit van dergelijke verbanden. Daarbij is voor een kwalitatieve onderzoeksbenadering gekozen hetgeen betekent dat ik in kaart breng welke verschillen in fiscale behandeling ontstaan bij samenwerking door non-profitorganisaties. Ik zal dus niet onderzoeken of de waargenomen fiscale nadelen een doorslaggevende factor vormen bij het aangaan, uitvoeren of verbreken van samenwerkingen, aangezien mijn onderzoek zich niet baseert op kwantitatieve data-analyse.
Ik zal de fiscale gevolgen van samenwerkingsverbanden van non-profitorganisaties in kaart brengen door een vergelijking te maken op verschillende niveaus. Het centrale niveau van vergelijking, dat als rode draad door alle inhoudelijke hoofdstukken loopt, betreft de beoordeling in hoeverre het aangaan, uitvoeren of verbreken van een samenwerking tot een andere fiscale behandeling leidt ten opzichte van de situatie waarin een non-profitorganisatie de betreffende activiteiten zelfstandig zou verrichten.
Binnen de categorie ‘samenwerking’ vindt vervolgens een detailbeoordeling plaats op twee subniveaus:
Samenwerking tussen uitsluitend non-profitorganisaties versus samenwerking tussen uitsluitend profitorganisaties: in hoeverre leidt het aangaan, uitvoeren of verbreken van een samenwerkingsverband waarbij uitsluitend non-profitorganisaties zijn betrokken tot een afwijkende fiscale behandeling ten opzichte van een samenwerkingsverband waarbij uitsluitend profitorganisaties zijn betrokken?
Samenwerkingen tussen non-profitorganisaties van dezelfde aard in vergelijking met samenwerkingen tussen non-profitorganisaties van verschillende aard: in hoeverre zijn er verschillen waar te nemen tussen samenwerkingsverbanden afhankelijk van het type non-profitorganisatie dat betrokken is als deelnemer of het soort activiteiten dat via de samenwerking wordt verricht? Bijvoorbeeld een samenwerking tussen uitsluitend academische ziekenhuizen in tegenstelling tot een samenwerkingsverband dat zowel academische ziekenhuizen als een onderwijsinstelling omvat.
Deze indeling is aangebracht om binnen een zo breed mogelijk spectrum in kaart te brengen of samenwerkingen in de non-profitsector tot (andere) fiscale gevolgen leiden en om na te gaan of daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
De vergelijking onder het eerste subniveau is bedoeld om inzicht te bieden in de unieke aspecten van samenwerkingen door non-profitorganisaties en om te begrijpen hoe fiscale wet- en regelgeving de behandeling van deze samenwerkingen kan beïnvloeden, in vergelijking met samenwerkingen waarbij alleen profitorganisaties betrokken zijn. Hoewel de doelstellingen en activiteiten van non-profitorganisaties en profitorganisaties verschillen, kunnen zij onder bepaalde omstandigheden gebruikmaken van vergelijkbare juridische structuren om samenwerkingen te vormen. Met het eerste subniveau wil ik in kaart brengen welke verschillen in fiscale behandeling deze structuren met zich meebrengen.
De vergelijking tussen non-profitorganisaties onder het tweede subniveau is aangebracht omdat de groep non-profitorganisaties in Nederland zeer uitgebreid en divers is.1 Hierdoor is van belang om te beoordelen of dit leidt tot verschillen in de toegang tot bepaalde fiscale regelingen, die van invloed zijn op de fiscale positie van het samenwerkingsverband en de betrokken deelnemers.
De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt:
In welk opzicht worden samenwerkingsverbanden van non-profitorganisaties in de Wet Vpb 1969, Wet OB 1968 en Wet BRV verschillend behandeld in vergelijking met de situatie waarin de activiteiten zelfstandig worden uitgevoerd, met samenwerkingen door profitorganisaties en met samenwerkingen tussen non-profitorganisaties van verschillende aard en kunnen deze verschillen worden gerechtvaardigd op basis van het neutraliteitsbeginsel, de algemene uitgangspunten van de desbetreffende belastingwet en daarop gebaseerde specifieke regeling?
De onderzoeksvraag is opgesplitst in twee deelvragen. Deze deelvragen fungeren als bouwstenen die bijdragen aan een gestructureerde en integrale beantwoording van de centrale onderzoeksvraag. De eerste deelvraag valt uiteen in twee subvragen.
Deelvraag 1: Wat zijn naar positief recht de gevolgen voor de heffing van vennootschapsbelasting, omzetbelasting en overdrachtsbelasting van samenwerking door non-profitorganisaties en tot welke verschillen in fiscale behandeling leidt dit in vergelijking met de situatie dat de activiteiten zelfstandig worden verricht?
Subvraag 1a: Zijn er verschillen in fiscale behandeling tussen de situatie dat een samenwerkingsverband uitsluitend uit non-profitorganisaties bestaat en een samenwerkingsverband dat uitsluitend uit profitorganisaties bestaat?
Subvraag 1b: Zijn er verschillen in fiscale behandeling tussen de situatie dat een samenwerkingsverband uitsluitend uit non-profitorganisaties van dezelfde aard bestaat en een samenwerkingsverband dat uitsluitend uit non-profitorganisaties van verschillende aard bestaat?
Deelvraag 2: Welke aanpassingen van de wet- en regelgeving zijn noodzakelijk en gewenst om de fiscale behandeling van samenwerking door non-profitorganisaties in overeenstemming te brengen met het neutraliteitsbeginsel en de algemene uitgangspunten van de desbetreffende belastingwet en de daarop gebaseerde specifieke regeling?
Uit bovenstaande formulering blijkt dat het neutraliteitsbeginsel, de algemene uitgangspunten van desbetreffende belastingwet en de daarop gebaseerde specifieke regeling in dit onderzoek de centrale toetsingscriteria vormen. Het neutraliteitsbeginsel wordt als een algemeen aanvaard rechtvaardigingsprincipe van ons belastingsysteem beschouwd. Een van de dimensies van neutraliteit is dat de keuze voor de samenwerkingsvorm en de wijze waarop de belastingplichtige of de groep waartoe deze behoort niet mag worden verstoord door belastingen. Samenwerking leidt in veel gevallen tot een andere organisatie van de werkzaamheden ten opzichte van de situatie dat de deelnemers zelfstandig hun activiteiten uitvoeren. Om fiscale neutraliteit te waarborgen dient er in beginsel geen verschil in fiscale behandeling op te treden tussen de situatie dat een non-profitorganisatie een activiteit zelfstandig verricht en de situatie waarin deze activiteit wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband met een andere non-profit- en/of profitorganisatie.
Neutraliteit is een relatief begrip, omdat voor elke belastingsoort een andere uitleg aan dit begrip kan worden gegeven en andere belangen en omstandigheden een rol kunnen spelen bij de beoordeling van een eventuele schending van het neutraliteitsbeginsel. Daarom is het toetsingskader verrijkt met de algemene uitgangspunten van het betreffende belastingmiddel en daarop gebaseerde fiscale regelingen en faciliteiten die een rol spelen bij samenwerkingsverbanden van non-profitorganisaties. Wat betreft de algemene uitgangspunten van de belastingwet zal elk hoofdstuk starten met een beschouwing van het karakter en de wijze van heffing, en de centrale rechtsgrondslagen. Vervolgens concludeer ik of, en zo ja, in welke mate dit tot relevante aanvullingen leidt op het neutraliteitsbeginsel als toetsingskader. Daarna zal in het hoofdstuk worden ingezoomd op de specifieke fiscale regelingen en faciliteiten, waarbij telkens de ratio van de betreffende regeling wordt toegelicht en meegewogen in het toetsingskader.
Om te illustreren hoe het toetsingskader zal worden geoperationaliseerd geef ik het volgende voorbeeld:
Voorbeeld
In de omzetbelasting stelt de koepelvrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel u Wet OB 1968 samenwerkingsverbanden van non-profitorganisaties in staat om bepaalde diensten aan elkaar te leveren zonder btw in rekening te brengen, mits aan specifieke voorwaarden wordt voldaan. De ratio achter de koepelvrijstelling is het bevorderen van economisch wenselijke samenwerkingen voor diensten die het samenwerkingsverband aan de deelnemers verleent.
Om een antwoord te geven op de eerste deelvraag van mijn probleemstelling zal ik onderzoeken wat de huidige reikwijdte van de koepelvrijstelling is. Hiervoor zal ik de relevante wet- en regelgeving, jurisprudentie en literatuur in kaart brengen en aangeven welk verschil in fiscale behandeling de koepelvrijstelling veroorzaakt in vergelijking met de situatie waarin de activiteiten zelfstandig worden uitgevoerd. Ook zal ik onderzoeken of verschillen waarneembaar zijn afhankelijk van de samenstelling van de deelnemers aan het samenwerkingsverband.
Vervolgens zal ik, ter beantwoording van de tweede deelvraag, een afweging maken of de gevonden resultaten met betrekking tot het verschil in fiscale behandeling in overeenstemming zijn met het neutraliteitsbeginsel, de algemene uitgangspunten van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de ratio van de koepelvrijstelling. Indien dit niet het geval is, zal ik aanbevelingen formuleren.
De focus van dit onderzoek ligt op de juridische rechtvaardigingsprincipes die ten grondslag liggen aan de belastingheffing van samenwerkingsverbanden van non-profitorganisaties. Daarom zal er geen aandacht worden besteed aan de budgettaire aspecten van de voorgestelde oplossingen. Hoewel deze aspecten zeker relevant zijn, kunnen de budgettaire gevolgen op diverse manieren worden aangepakt. Bovendien vereisen ze een politieke afweging. Het uitwerken van de verschillende varianten en de onderliggende beleidsopties valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek.
Ook maakt de toetsing aan het Europees recht en de internationale mensenrechtenverdragen geen expliciet onderdeel uit van het toetsingskader. Dit betekent dat de bestaande regelingen en faciliteiten niet systematisch worden getoetst aan het Europees recht. Daar waar in de literatuur knelpunten zijn gesignaleerd, zal ik deze voor de volledigheid vermelden. Bovendien zal ik bij het uitwerken van de oplossingsrichtingen aangeven waar de Europeesrechtelijke aspecten een belangrijke rol spelen.
In hoofdstuk 2 werk ik mijn toetsingskader en de rechtsbronnen van mijn onderzoek uit.