Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/1.5
1.5 Belang van het onderzoek
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975765:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staat van het Bestuur 2022, p. 81.
Zie over de resultaten van samenwerking in de publieke sector Van Delden 2009, p. 34 en de daar vermelde literatuurverwijzingen.
In het coalitieakkoord 2021-2025 van het Kabinet Rutte IV (bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 35 788, nr. 77) werd het woord ‘samenwerking’ maar liefst 30 keer genoemd in relatie tot thema’s als duurzaamheid, veiligheid, kansengelijkheid, welvaart, gezondheid en internationale vraagstukken.
De Groot & Van Helden 2012, p. 16.
https://longreads.cbs.nl/nederland-in-cijfers-2022/waar-werken-de-meeste-mensen (geraadpleegd op 15 juni 2024).
Zie o.a. Kamerstukken I 2013/14, 33 753, nr. D, p. 38 en Kamerstukken II 2015/16, 34 300 XIII, nr. 63.
Zie o.a. Sijmons & Van den Ende 2008, p. 88, TNO 2010, p. 38, Commissie maatschappelijke ondernemingen 2011, p. 110, Commissie van der Touw 2013, p. 6, 8, 9, 14 en bijlage 6 en Raafs 2014.
Zie hierover uitgebreid hoofdstuk 5.
De geharmoniseerde btw vindt zijn oorsprong in het VWEU en is uitgewerkt in de Btw-richtlijn en de Btw-uitvoeringsverordening. Nederland heeft de btw-richtlijn geïmplementeerd in de Wet op de omzetbelasting 1968.
Zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 32 637, nr. 154, p. 32 en p. 34, Kamerstukken II 2015/16, 31 066, nr. 294, p. 8, Kamerstukken II 2015/16, 34 300-IX, nr. 28, p. 6.
Zoals de waarschuwing van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dat de invoering van vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen mogelijk een prohibitief effect zou kunnen hebben op samenwerking. Zie hierover de Brief van Staatssecretaris van Financiën van 16 juni 2014, nr. DB/2014/265 U alsmede Van de Streek & De Greef 2016, p. 216.
O.a. S.A. Stevens 2015a, Van de Streek & De Greef 2016.
Zoals de informatiekaart ‘PPS en btw’ die beoogt, waar mogelijk, helderheid te verschaffen over de toepassing van de (Europese) btw-regels, zodat belanghebbenden een eerste inschatting kunnen maken van de btw-aspecten van PPS; Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 32 637, nr. 249. Andere voorbeelden van handreikingen zijn de “Informatiekaart Btw gerelateerd aan de Wmo 2015 en de Jeugdwet” (te raadplegen via: www.vgn.nl/system/files/article/file/Informatiekaart%2BBtw%2Birt%2BWmo%2Ben%2BJeugdwet.pdf, geraadpleegd op 15 juni 2024), de “Handreiking btw in de samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang”, november 2018, publicatienr. 117511 (te raadplegen via: www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2022/08/08/handreiking-btw-in-de-samenwerking-tussen-onderwijs-en-kinderopvang, geraadpleegd op 15 juni 2024) en de SVLO-notitie d.d. 30 november 2015 “Toerekening activiteiten bij samenwerking” (te raadplegen via https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/not_toerek_activiteit_samenw_vpb3171z1fd.pdf, geraadpleegd op 15 juni 2024).
Zoals met de invoering van invoering van de specifieke vrijstellingen in de Wet OB 1968 naar aanleiding van de decentralisaties in het sociale domein en de wijzigingen op het gebied van passend onderwijs (zie par. 5.4.2). Als ander voorbeeld kan de uitbreiding van de objectieve vrijstellingen in de vennootschapsbelasting genoemd worden, die naar aanleiding van een amendement ook van toepassing is geworden op dienstverleningsovereenkomsten (zie par. 4.4.3.5).
Gewezen wordt op het besluit van 27 november 2006, CPP2006/2572M, V-N 2006/63.20 inzake de toepassing van de btw-koepelvrijstelling door werkgevers- en werknemersorganisaties (ingetrokken bij het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 24 juni 2016, nr. BLKB 2015/1360M, V-N 2016/40.12), Vragen en antwoorden btw-vrijstelling Passend Onderwijs, 9 oktober 2014, V-N 2014/54.20 inzake een tijdelijke btw-vrijstelling voor bepaalde werkzaamheden van samenwerkingsverbanden in het kader van de Wet Passend Onderwijs (overgangsmaatregel geldig tot 1 augustus 2016, vanaf welke datum de werkzaamheden door dergelijke samenwerkingsverbanden onder de sociaal-culturele vrijstelling van art. 11, lid 1, onderdeel f, Wet OB 1968 zijn gebracht), Brief Staatssecretaris van Financiën van 15 februari 2016, nr. DGB/2015-5904, V-N 2016/15.26 inzake ruimere toepassing btw-koepelvrijstelling bij via een ambtelijke fusie ingerichte samenwerking tussen gemeenten (ingetrokken per brief van 15 september 2017, nr. 2017-0000174307, V-N 2017/49.14) en het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 oktober 2016, BLKB/2016/306, Stcrt. 2016, 53939, onderdeel 3.3 inzake voorwaarden toepassing btw-onderwijsvrijstelling op samenwerkingen naar aanleiding van het VAVO-arrest.
Kamerstukken II 2015/16, 34 300-IX, nr. 28, p. 7.
Van Doesum 2009. Als verklaring voor de afbakening van het onderzoek tot contractuele samenwerkingsverbanden stelt Van Doesum op p. 15 dat hierbij de spanning tussen de eenheid van het samenwerkingsverband en de veelheid van (onderlinge) transacties het best voelbaar is.
Zie o.a. Van Kempen 1999, A.J.A. Stevens 2002, de Commissie Samenwerkingsverbanden en ondernemingswinst 2004 en Boer 2011.
Gassler 2006.
Zie hierover o.a. S.A. Stevens 2011. De verschillende theorieën die ten grondslag liggen aan de bijzondere fiscale behandeling van non-profitorganisaties worden toegelicht in Van Bakel & De Wijkerslooth 2020, par. 1.3.
Zie o.a. Kaats, Van Klaveren & Opheij 2005, p. 27, Van Delden 2009, p. 34 en Strikwerda 2010, p. 133. Verschillen zijn bijvoorbeeld de vrijheid in de selectie van partners, de aard van de legimitatie van de samenwerking en de bedrijfsfuncties.
Samenwerking vormt een belangrijk maatschappelijk verschijnsel. In de non-profitsector heeft het aangaan van samenwerkingsrelaties de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen.1 Deels valt dit te verklaren door druk van de overheid, doordat aan individuele organisaties steeds minder subsidies zijn toegekend en het gezamenlijk delen van kosten een oplossing kan zijn om financieel het hoofd boven water te houden. Daarnaast lijkt sprake te zijn van een groeiende overtuiging onder instellingen dat samenwerking tot meer maatschappelijke impact en betere uitvoering van de publieke taak kan leiden.2 Samenwerking neemt daarmee een belangrijke plaats in binnen onze economie. Het overheidsbeleid is erop gericht het aangaan van samenwerkingsverbanden te stimuleren.3 Daarnaast is de vorming van samenwerkingsverbanden in de non-profitsector ook in economisch opzicht van belang. De toegevoegde waarde van de non-profitsector bedraagt ruim 50% van het Nederlandse bruto nationaal product.4 Daarnaast is in 2021 28% van de Nederlandse beroepsbevolking werkzaam in de non-profitsector.5
Door de groei van het aantal samenwerkingsverbanden in de non-profitsector wordt het voor veel belastingplichtigen belangrijker om vooraf inzicht te hebben in wat hiervan de fiscale gevolgen zijn. Samenwerking leidt tot diverse fiscale vraagstukken. In de afgelopen jaren is hier meerdere malen nadrukkelijk aandacht voor gevraagd in Kamervragen6 en meerdere onderzoeksrapporten7. Verder valt met name in de btw-jurisprudentie de afgelopen jaren de tendens te bespeuren dat meer vraagstukken op het gebied van samenwerking worden voorgelegd aan de rechter.8 Uit deze stapeling van Kamervragen, onderzoeksrapporten en fiscale procedures komt het beeld naar voren dat de praktijk de fiscaliteit rondom samenwerking enerzijds als complex en anderzijds als een belemmering ervaart. Voor de omzetbelasting heeft de wetgever diverse malen aangegeven over weinig mogelijkheden te beschikken om alle knelpunten op te lossen mede vanwege de Unierechtelijke kaders waaraan hij zich heeft te houden.9 Volgens de wetgever zouden deze spelregels het invoeren van fundamentele oplossingen voor de problemen die in het veld zijn gerezen, in de weg staan.10 Dit roept de vraag op in hoeverre deze uitspraak van de wetgever op valide argumenten berust. Ook voor andere belastingmiddelen, zoals de vennootschapsbelasting, zijn in het verleden knelpunten als gevolg van samenwerking door het parlement aan de orde gesteld.11 Eveneens is op de sinds 1 januari 2016 geïntroduceerde samenwerkingsverbandenvrijstellingen in de Wet Vpb 1969 in de fiscale literatuur kritiek geuit.12
De wetgever heeft diverse pogingen ondernomen om tegemoet te komen aan gesignaleerde knelpunten zoals middels de publicatie van diverse informatiekaarten en handreikingen.13 In sommige situaties hebben knelpunten op het gebied van samenwerken zelfs geleid tot een verruiming van het wettelijke instrumentarium14 of zijn tijdelijke maatregelen getroffen om bepaalde nadelen te verzachten.15
Wat opvalt, is dat er geen compleet beeld bestaat van de invloed die de fiscale wet- en regelgeving op de inrichting van samenwerkingen door non-profitorganisaties heeft. In zijn brief van 16 september 2016 merkt de staatssecretaris op dat hij niet beschikt over een onderzoek naar de precieze aard, omvang en ernst van de (fiscale) problemen die worden ervaren.16 Hoewel de staatssecretaris in zijn brief reageerde op gesignaleerde btw-knelpunten op het gebied van samenwerking, lijkt het mij noodzakelijk dit onderzoek ook te verrichten voor andere belastingen die een significante invloed kunnen hebben op het vormen van samenwerkingsverbanden in de non-profitsector. Dit proefschrift heeft daarmee als doel een zo volledig mogelijk overzicht te bieden van de fiscale knelpunten die zich voordoen bij het aangaan, uitvoeren en beëindigen van samenwerkingsrelaties. Onder een knelpunt wordt in het kader van dit onderzoek verstaan een situatie waarin een samenwerking resulteert in een nadelige fiscale behandeling, waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat op basis van het neutraliteitsbeginsel en de algemene uitgangspunten van de belastingwet en de daarop gebaseerde specifieke regeling of faciliteit.
Onderzoek naar de consequenties die de fiscale wet- en regelgeving heeft op de realisatie van samenwerkingen door non-profitorganisaties is mijns inziens essentieel, om een gefundeerde (ex ante of ex post) evaluatie uit te kunnen voeren naar het aanpassen of invoeren van fiscale faciliteiten die geconstateerde knelpunten kunnen wegnemen. Het uitvoeren van deze evaluatie is noodzakelijk om de verschillende functies en beginselen van onze fiscale wetgeving te waarborgen. Aan de invoering of weigering van een bepaalde fiscale faciliteit dient immers een zorgvuldige en overtuigende motivering door de wetgever ten grondslag te liggen. De beslissing tussen de keuzes die de wetgever moet maken wordt rationeler naarmate de wetgever een beter inzicht heeft in de beschikbare alternatieven en in hun consequenties. Met dit onderzoek beoog ik inzichtelijk te maken of de bestaande fiscale wet- en regelgeving in voldoende mate is toegesneden op de samenwerkingsvormen die non-profitorganisaties hanteren.
In de jurisprudentie en literatuur is in het verleden de nodige aandacht besteed aan de fiscale aspecten van samenwerkingsverbanden. Zo heeft Van Doesum een zeer doorwrochte dissertatie geschreven over de btw-gevolgen van contractuele samenwerkingsverbanden.17 De onderzoeken in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting hebben zich vooral toegespitst op de kwalificatie van personenvennootschappen en doelvermogens in de winstsfeer.18 Op het terrein van de overdrachtsbelasting heeft Gassler de wettelijke systematiek rondom de verkrijging van aandelen in onroerendezaaklichamen in kaart gebracht.19
Ondanks dat er in de literatuur dus het nodige is geschreven over de fiscale gevolgen van samenwerking, zijn deze gevolgen in de fiscale wetenschap tot op heden nimmer uitgebreid in kaart gebracht vanuit de positie van non-profitorganisaties. Dit terwijl deze organisaties, gelet op de grote hoeveelheid vrijstellingen en faciliteiten die voor dit type organisaties in verschillende belastingen zijn opgenomen, in nagenoeg ons gehele belastingstelsel een bijzondere positie innemen.20 Daarnaast blijkt uit de literatuur dat samenwerking door non-profitorganisaties in veel situaties bijzondere kenmerken heeft die in hoge mate afwijken van samenwerking door profitorganisaties.21 Tevens is mij geen onderzoek bekend waarin de gevolgen van samenwerking voor alle belastingsoorten integraal zijn geanalyseerd en met elkaar in verbinding zijn gebracht. Ook in dat opzicht is mijn onderzoek van belang.