Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.4.2.0:5.4.2.0 Introductie
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.4.2.0
5.4.2.0 Introductie
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Circulaire Rechtmatigheidscontrole door de accountant, 24 november 2004, p. 16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft het één en ander opgemerkt over het rechtmatigheidsoordeel van de gemeenteraad. Het opmerkelijke is dat het er de schijn van heeft, dat de minister zich bewust is van de door Broeksteeg geconstateerde spanning tussen de juridische aard van dit oordeel en het politieke karakter van besluitvorming in de gemeenteraad. Waar dit bij Broeksteeg uitmondt in het plaatsen van vraagtekens bij de juistheid van de keuze voor de gemeenteraad als uiteindelijke vaststeller van indemniteitsbesluiten, komt de minister tot een diametraal tegenovergestelde oplossing. Niet de vaststeller van de indemniteitsbesluiten is het probleem, maar de aard van het indemniteitsbesluit. In zijn 'Circulaire Rechtmatigheidscontrole door de accountant' ontvouwt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de theorie dat aan het vaststellen van een indemniteitsbesluit in het geheel geen juridisch oordeel ten grondslag ligt. Hij schrijft:
"Als de raad tot het oordeel komt dat baten, lasten of balansmutaties onrechtmatig tot stand zijn gekomen, dan volgt daaruit wettelijk de kennisgeving aan het college en de verplichting een indemniteitsbesluit voor te leggen. Anderzijds is het wel aan de raad om tot dat oordeel te komen. De procedure is ingevoerd om de raad een politiek instrument te geven om het college aan te spreken op onrechtmatigheden. Daarom is het uitgangspunt dat artikel 198 zo wordt geïnterpreteerd dat het nadrukkelijk aan de raad is te beslissen of hij een indemniteitsprocedure start. Het oordeel van de accountant zal daarbij een belangrijk hulpmiddel zijn, maar het is niet de accountant die beslist of een indemniteitsprocedure wordt gestart. Het is dus mogelijk dat een post, gegeven het oordeel van de accountant, objectief gezien onrechtmatig is, maar dat de raad daarover niet het politieke oordeel van onrechtmatigheid velt (curs. Wycli { 9."1
Het probleem dat Broeksteeg constateert, is hiermee opgelost. Immers, als het rechtmatigheidsoordeel uit art. 198 Gemeentewet een politiek oordeel is, is het geen probleem dat het vellen van dit oordeel in handen wordt gelegd van een politiek orgaan. Door dit te doen, onderscheidt de minister twee soorten oordelen: het rechtmatigheidsoordeel van de accountant en een soort 'politiek rechtmatigheidsoordeel' van de gemeenteraad.