Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.6:5.8.6 Bewijslast rust op de consoliderende rechtspersoon
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.6
5.8.6 Bewijslast rust op de consoliderende rechtspersoon
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648990:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK), 31 juli 2001, JOR 2001/170, r.o. 4.12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer een schuldeiser zekerheid verlangt van de rechtspersoon die over wenst te gaan tot de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid – en zich met dit verzoek in een verzoekschriftprocedure tot de rechter wendt – is de rechtspersoon die de overblijvende aansprakelijkheid wenst te beëindigen aan zet. Wil zij voorkomen dat zij een zekerheid dient te stellen of dat het verzet gegrond wordt verklaard, dan zal zij – op basis van de wet – moeten aantonen dat de schuldeiser, zelfs wanneer de overblijvende aansprakelijkheid wordt beëindigd:
“... gezien de vermogenstoestand van de rechtspersoon of uit anderen hoofde, voldoende waarborgen heeft dat deze vorderingen zullen worden voldaan.”
De Ondernemingskamer heeft zich uitdrukkelijk uitgelaten over de verdeling van de bewijslast:1
“Anders dan Akzo Nobel lijkt te betogen is het, indien tegen de voorgenomen beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid verzet wordt ingesteld, niet aan degene die het verzet doet om aan te tonen dat hij de waarborg van de “artikel 403-verklaring” nodig heeft voor de voldoening van zijn vordering(en) maar is het aan degene die de overblijvende aansprakelijkheid wil beëindigen om te stellen en, zonodig, aan te tonen dat degene die het verzet heeft gedaan ook zonder de instandhouding van de “artikel 403-verklaring” voldoende waarborgen heeft dat zijn vorderingen zullen worden voldaan. Weliswaar kan de opposant, ter motivering van zijn betwisting, gehouden zijn gegevens te verschaffen (vergelijk Hoge Raad 20 november 1987, NJ 1988, 500), maar die omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor.”
Het lijkt logisch dat de bewijslast op de rechtspersoon rust die de overblijvende aansprakelijkheid wenst te beëindigen en niet op de schuldeiser. De schuldeiser had vanwege de vrijstelling geen zicht op de financiële positie van de vrijgestelde rechtspersoon. Het ligt in de rede dat de rechtspersoon die de overblijvende aansprakelijkheid wenst te beëindigen aantoont dat de financiële situatie van de voorheen vrijgestelde rechtspersoon geen aanleiding geeft om te twijfelen dat de vordering zal worden voldaan.
Het feit dat de bewijslast op de rechtspersoon rust die de overblijvende aansprakelijkheid wenst te beëindigen, kan – wanneer de verzetstermijn pas aanvangt wanneer de groepsband wordt verbroken – in de praktijk problematisch zijn. Twee maanden na het verbreken van de groepsband kan de aansprakelijkheid op zijn vroegst eindigen en in twee maanden tijd kan er een hoop gebeuren met de vermogenspositie van de rechtspersoon die de groep heeft verlaten. Als deze rechtspersoon de groep heeft verlaten, heeft de rechtspersoon die in het verleden een 403-verklaring deponeerde daar vaak geen enkele grip meer op. Zo kan de rechtspersoon die de groep heeft verlaten in twee maanden tijd zijn gestript van haar belangrijkste assets. Ook kan deze rechtspersoon recentelijk grote verplichtingen zijn aangegaan. Dit kan gebeuren buiten het gezichtsveld van de rechtspersoon die eerder een 403-verklaring deponeerde en zonder dat zij daar controle over heeft. Zo kan een consoliderende rechtspersoon die een financieel gezonde dochtermaatschappij heeft verkocht, voor erg zure verassingen komen te staan. Een consoliderende rechtspersoon doet er dan ook verstandig aan om zich in het zicht van een verbreking van de groepsband voor te bereiden op vorenstaande situatie. De consoliderende rechtspersoon kan in de overeenkomst, waarbij de aandelen worden overgedragen, een vrijwaring bedingen waarin is bepaald dat de consoliderende rechtspersoon door de koper wordt gevrijwaard voor claims die nog voortvloeien uit de 403-verklaring of dat de koper een toereikende alternatieve zekerheid aan de schuldeisers zal verstrekken. Ook kan worden overeengekomen dat alle benodigde informatie aan de (voorheen) consoliderende rechtspersoon zal worden verstrekt die nodig is om in een verzetsprocedure aan te tonen dat de dochter financieel sterk genoeg is om haar verplichtingen na te komen en dat de dochter financieel gezond zal blijven totdat de gevaren zijn geweken.