Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/4.5.1:4.5.1 Controle door politie en OM
Startinformatie in het strafproces 2014/4.5.1
4.5.1 Controle door politie en OM
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Concrete externe strafvorderlijke controle krijgt in eerste instantie vorm door de controle door politie en OM. De in de inleiding beschreven vier fasen spelen in relatie tot dit type startinformatie, waarbij wel moet worden aangetekend dat deze informatie doorgaans niet in de bewijsvoering wordt betrokken en dat dus geen sprake is van een vierde fase. Op het gebruik van een anonieme tip voor het bewijs wordt later ingegaan. Specifiek aan dit soort startinformatie is het gegeven dat het risico dat het valse informatie betreft het meest aanwezig is nu, anders dan bij bijvoorbeeld de AIVD en het TCI, er geen betrouwbaarheidstoets plaatsvindt voorafgaand aan het verstrekken van de informatie aan politie en OM en bovendien binnen de strafrechtelijke keten geen enkele partij op de hoogte is van de identiteit, achtergrond en motieven van de anonieme tipgever. Juist bij dit soort informatie bestaat dan ook in de tweede fase (de fase van aanvullend politieel betrouwbaarheidsonderzoek) de noodzaak tot aanvullend politieel betrouwbaarheidsonderzoek. Dit onderzoek vindt doorgaans plaats door de gegevens uit de melding te leggen naast de eventueel beschikbare informatie uit de (digitale) politiële gegevensbestanden, maar bijvoorbeeld ook door simpelweg te verifiëren of de persoon die wordt genoemd in de melding daadwerkelijk volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staat ingeschreven op het in het de melding genoemde adres. In het geval van meldingen die zien op de aanwezigheid van hennepkwekerijen vindt verificatie hiervan nogal eens plaats door een warmtemeting van het bewuste pand uit te voeren, de piekbelasting te meten of door simpelweg eens langs het pand te rijden, zo volgt uit de nog te bespreken jurisprudentie. In relatie tot de derde fase moet worden aangetekend dat de politie, in ieder geval de iure , bepaalde dwangmiddelen ook kan toepassen zonder hierbij een (zaaks)officier van justitie te betrekken. Denk in dit verband aan het toepassen van de betredingsbevoegdheid van art. 9 Ow en de doorzoekingsbevoegdheid van art. 49 Wet wapens en munitie (WWM). De iure lijkt hiermee heel concreet bij die dwangmiddelen de toetsende rol van de officier van justitie niet te bestaan. Verderop wordt hierop ingegaan.