De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.6.3.2:4.6.3.2 De regeling van de subsidiariteit in de Richtlijn
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.6.3.2
4.6.3.2 De regeling van de subsidiariteit in de Richtlijn
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399540:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie doc. C 214/9, Pb. 21 augustus 1980.
Advies inzake een voorstel voor een tweede richtlijn van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Pb. C 138/15 van 9 juni 1981).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De subsidiariteit van het waarborgfonds is een van de meest weerbarstige onderwerpen van de gehele communautaire regeling. Het waarborgfonds is in de communautaire regelgeving geïntroduceerd met de 2e Richtlijn en art. 1 lid 4 van die richtlijn maakt melding van de mogelijkheid dat de lidstaten aan het waarborgfonds een subsidiaire taak geven, zonder duidelijk te maken wat deze subsidiariteit inhoudt. Ook de overwegingen zijn niet bijzonder verhelderend (zoals gebruikelijk bevatten zij niet veel meer dan de tekst van de richtlijnbepaling in iets andere bewoordingen). Ook de voorbereidende stukken bieden niet veel inzicht.
In het door de Commissie op 7 augustus 1980 bij de Raad ingediende voorstel voor de 2e Richtlijn wordt het waarborgfonds op een zeer summiere wijze geïntroduceerd.1Art. 1 lid 3 bepaalt slechts dat:
"Wedere lid-Staat bepaalt dat de vergoeding, binnen de door lid 2 toegestane limieten, van materiële schade of lichamelijk letsel, welke zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in lid 1 gestelde verzekeringsverplichting is voldaan, plaatsvindt door een door hem ingesteld of erkend organisme."
Van enige subsidiariteit is in de tekst geen sprake. Wel valt in de overwegingen te lezen dat het noodzakelijk is te voorzien in een organisme dat subsidiair de schadeloosstelling in geval van niet-verzekerde of niet-geïdentificeerde voertuigen voor zijn rekening neemt.
Het Economisch en Sociaal Comité (ECOSOC) gaat in zijn Advies van 25 februari 1981 wel op deze subsidiariteit in.2 Bij art. 1 lid 3 van het Commissievoorstel merkt het Comité op:
"Naar het oordeel van het Comité dient in het voorstel voor een richtlijn duidelijk te worden aangegeven dat het in artikel 1 bedoelde organisme, dat in sommige Lid-Staten slechts een subsidiaire functie vervult, alleen optreedt indien de benadeelde niet langs andere weg schadeloos is gesteld; evenwel mag niet aan de uitvoeringsbepalingen in de diverse lid-Staten worden getornd."
Op 30 maart 1982 publiceert de Commissie een voorstel tot wijziging van het ontwerp. De zesde overweging wordt daarin weliswaar aangepast (onder meer door melding te maken van de mogelijkheid om materiële schade in geval van niet-geïdentificeerde aansprakelijke voertuigen uit te sluiten of aan een franchise te onderwerpen), maar het begrip subsidiariteit wordt niet nader uitgewerkt of toegelicht. Min of meer als een verrassing komt dan de tekst van de uiteindelijk tot stand gekomen 2e Richtlijn, die een veel 'wolliger' en niet meer verhelderende bepaling bevat. In de Preambule bij deze Richtlijn staat omtrent deze subsidiariteit het volgende te lezen:
"Overwegende dat moet worden bepaald dat een orgaan waarborgt dat de benadeelde schadevergoeding ontvangt ingeval het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet is verzekerd of niet is geïdentificeerd; dat het van belang is, zonder wijzigingen aan te brengen in de bepalingen die de Lid-Staten toepassen inzake het al of niet subsidiaire karakter van de tussenkomst van dit orgaan en de regels inzake subrogatie, voor te schrijven dat de benadeelde van een dergelijk ongeval zich rechtstreeks kan wenden tot dit orgaan als eerste contactpunt; dat de lid-Staten evenwel de mogelijkheid moet worden gegeven om bepaalde beperkte uitsluitingen toe te passen met betrekking tot de tussenkomst van dit orgaan en te bepalen dat de vergoeding van materiële schade, veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, gezien het gevaar van bedrog, mag worden beperkt of uitgesloten." (cursief FJB)
Art. 1 lid 4 van de 2e Richtlijn bepaalt dan, voor zover hier van belang:
"Elke Lidstaat stelt een orgaan in of erkent een orgaan dat tot taak heeft materiële schade en lichamelijk letsel, die zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in lid 1 bedoelde verzekeringsplicht is voldaan, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de Lid-Staten aan de tussenkomst van dit orgaan al dan niet een subsidiair karakter te geven (... )"
In overweging 14 van de Preambule van de Richtlijn komen de hiervoor geciteerde cursief gedrukte woorden uit de overwegingen bij de 2e Richtlijn niet meer voor. Dat lijkt echter geen inhoudelijke betekenis te hebben.
De bedoeling van de Richtlijn is kennelijk geweest het waarborgfonds in te zetten als vangnet voor gevallen waarin de aansprakelijke hetzij niet kan worden geïdentificeerd, hetzij niet verzekerd blijkt te zijn. Een dergelijk vangnet werd niet nodig geacht in die situaties waarin de benadeelde reeds vergoeding van zijn schade uit anderen hoofde heeft verkregen. Alvorens in te gaan op de regeling van de subsidiariteit naar Nederlands recht is het verhelderend enige aandacht aan de situatie in een aantal ons omringende landen te besteden.