Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/2.2.3
2.2.3 Inkomstenbelasting van 1914
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS301995:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitvoerig, J.C.K.W. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van (beurs)aandelen, FM nr. 29, Deventer: Kluwer 1999, p. 12-14 (derde herziene druk).
Wie aanspraak had op een percentage van de bruto ontvangsten deelde niet in de winst maar genoot volgens minister Van Gijn een uitkering die tot de ondernemingskosten behoorde. Kamerstukken II 1915/16, 202, nr. 6 (MvA), p. 22 lk.
HR 27 mei 1918, B. 2007.
Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 3 (MvT), p. 18 lk.
Kamerstukken II 1912/13, 44, nr. 1 (MvA), p. 4 lk.
Op 16 september 1911 werd door minister Kolkman een nieuw ontwerp van de wet inkomstenbelasting ingediend. Daarin werd niet langer aangesloten bij een forfaitair rendement van 4%, maar werd voorgesteld om de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen te belasten.1
De belasting van NV’s veranderde niet wezenlijk. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1914 bestond het object van de belasting uit de uitdelingen aan aandeelhouders en andere deelgerechtigden in de winst, daaronder niet begrepen de winstaandelen van commissarissen of gecommitteerden, bestuurders en verder personeel als zodanig.2 Dat ook een schuldeiser een gerechtigde in de winst kon zijn, bleek uit B. 2007.3 In deze zaak werd de rente op een lening namelijk als een belastbare uitdeling aangemerkt voor zover zij afhankelijk was van de winst van de debiteur.
De dubbele heffing bleef in stand, maar minister Kolkman tilde daar niet zo zwaar aan: over de bestaande bedrijfsbelasting voor NV’s werd niet geklaagd en de opbrengst van de belasting nam steeds verder toe.4 Hij voelde er niets voor om de belasting voor NV’s af te schaffen teneinde het bezwaar van de dubbele heffing weg te nemen: ‘Het zou dan ook in strijd zijn met de meest elementaire beginselen eener goede belastingpolitiek, eene vanouds bestaande belasting die eene belangrijke en snel toenemende bate afwerpt, zonder bepaalde noodzakelijkheid prijs te geven.’5