Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.4.1
7.6.4.1 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291150:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage bij het werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 16 juni 1976, nr. T/497/76 (FIN), p. 7bis.
Bijlage I, p. 3 bij de nota van de Groep financiële vraagstukken van 8 oktober 1976, nr. T/755/76 (FIN).
Nota van 25 maart 1977, nr. R/716/77 (FIN 151), p. 3-4. In de nota staat niet van wie deze afkomstig is. In de nota van 25 maart 1977, nr. R/733/77 (FIN 156/ASS 137) wordt onder verwijzing naar voormelde nota aangegeven ‘dat de Raad onder de A-punten van zijn voorlopige agenda van één zijn volgende zittingen de herziene tekst van het ontwerp van een zesde BTW-richtlijn zou kunnen goedkeuren en zou kunnen besluiten om de verklaringen in het document van 25 maart 1977, nr. R/716/77 (FIN 151) op te nemen in de notulen van de Raadszitting tijdens welke de richtlijn wordt aangenomen. Hieruit is af te leiden dat de nota afkomstig is van het Comité van permanente vertegenwoordigers, aangezien dit comité aangeeft wat als een A-punt op de agenda van de Raad komt te staan.
Tijdens de onderhandelingen over art. 14 van het Voorstel voor een zesde richtlijn is door Duitsland en het Verenigd Koninkrijk medegedeeld dat zij bepaalde zeer oude rechten inzake de verhuur van jacht- en visgronden etc wilden kunnen vrijstellen.1 Het Verenigd Koninkrijk heeft deze wens nadien bijgesteld; zij wilde ‘de bevoegdheid houden om btw te heffen over het jacht- en visrecht, het vellen van bomen, het onderbrengen van schepen of luchtvaartuigen en het houden van tentoonstellingen’.2 Aan deze wens van het Verenigd Koninkrijk is tegemoetgekomen door in art. 13, B, onderdeel b Zesde Richtlijn op te nemen dat de lidstaten nog andere handelingen van de toepassing van de vrijstelling mogen uitsluiten. Dat deze uitzondering haar wortels vindt in de wens van het Verenigd Koninkrijk blijkt uit het voorstel om in de notulen van de raadszitting waarin de Zesde Richtlijn wordt aangenomen, ten aanzien van art. 13, B, onderdeel b de volgende verklaring op te nemen:
“Ad artikel 13
(…)
3. De Raad en de Commissie verklaren dat de bevoegdheid om het toepassingsgebied van de in punt B, sub b), vermelde vrijstelling te beperken, onder andere is bedoeld om de Lid-Staten in staat te stellen de volgende rechten aan de belasting over de toegevoegde waarde te onderwerpen:
-het jacht- en visrecht
-het vellen van bomen
-het onderbrengen van schepen en luchtvaartuigen
-de materiële inrichting van tentoonstellingen.”3