Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.4.4
12.4.4 Het recht op onteigening of schadevergoeding in schaduwschadesituatie 3
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS441406:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 12.3.4.
Deze rentelasten en dit risico van waardeschommelingen kan de overheid, zoals in paragraaf 12.4.2 ook is opgemerkt ten aanzien van schaduwschadesituatie 1, zelf beperkt houden door in overeenstemming met haar uit art. 1 EP volgende plicht om tijdig te handelen voortvarend een definitieve beslissing over het voornemen te nemen.
De overheid kan de grond en daarmee verbonden objecten dan immers verkopen tegen ten minste de prijs die zij op grond van het recht op onteigening heeft moeten betalen voor de verwerving. Dit is slechts anders, indien de prijzen van grond en daarmee verbonden objecten door economische ontwikkelingen in het algemeen zijn gedaald in de tijd tussen verwerving en doorverkoop. Dan lijdt de overheid (naast de renteschade) wel nadeel door het recht op onteigening.
Zoals gezegd, is het aan de overheid om te bepalen of zij, indien voldaan is aan de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op onteigening, kiest voor onteigening of betaling van een adequate schadevergoeding.
Met deze voorwaarde wordt, zoals bij schaduwschadesituatie 1 reeds opgemerkt, tegemoetgekomen aan de (eerder genoemde) tegenwerping door het EHRM in de zaak- Allen e.a./VK, inhoudende dat de klagers niet geprobeerd hadden hun eigendommen te verkopen en dat hun schade in zoverre hypothetisch van aard was.
Bij de bepaling van deze marktwaarde dienen de werken en/of activiteiten en het voornemen daartoe uiteraard weggedacht te worden. De ratio van deze tweede voorwaarde is uiteraard (net als bij schaduwschadesituatie 1) dat zij voorkomt dat de eigendommen niet verkocht worden, doordat de eigenaar een te hoge prijs vraagt.
Vergelijk in dit verband hetgeen hiervóór is opgemerkt over mijn opvatting dat in schaduwschadesituatie 3 de te betalen onteigeningsvergoeding lager kan zijn dan de marktwaarde.
Overigens zal het duidelijk zijn dat geen recht op onteigening of schadevergoeding kan bestaan, indien de eigenaar na het in werking treden van de benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen in het geheel geen recht op schadevergoeding zou hebben gehad op basis van de criteria voor de vergoeding van indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11. Dat is bijvoorbeeld het geval bij actieve risicoaanvaarding.
Zoals gezegd, kan de overheid er ook voor kiezen om in plaats van onteigening een adequate schadevergoeding te betalen. Op de hoogte van die schadevergoeding kom ik hierna terug.
Als de overheid het bedrag moet lenen van de bank, zullen de rentelasten overigens doorgaans zwaarder zijn. De door de bank te betalen rente op een spaarrekening is immers doorgaans lager dan de rente die over een verstrekte lening aan de bank betaald moet worden. Die aan de bank te betalen rente kan (bijvoorbeeld) vijf procent zijn.
Dit is bijvoorbeeld het geval als de marktwaarde vóór de publicatie van het voornemen tot aanleg van de weg net als in het voorbeeld € 400.000 had bedragen, maar de overheid anders dan in het voorbeeld een schadevergoeding voor de onteigening had moeten betalen van € 390.000. De winst voor de overheid was dan bij drie jaar rentederving negatief, namelijk –€ 26.163,53.
Als de overheid het bedrag moet lenen van de bank, zullen de rentelasten, zoals gezegd, doorgaans hoger zijn.
Dan had eigenaar X in dezelfde situatie verkeerd als bij onteigening tegen € 360.000. De marktwaarde waarvoor hij zijn grond en woning op de markt had kunnen verkopen bedroeg immers € 350.000, terwijl hij een schadevergoeding van € 10.000 zou hebben ontvangen. Tezamen zijn die bedragen gelijk aan de onteigeningsvergoeding.
De oorzaak hiervan zijn de rentelasten die bij onteigening over de gehele onteigeningsvergoeding van € 360.000 ontstaan.
Bij schaduwschadesituatie 3 gaat het om een voornemen waarbij de grond van een burger zelf niet nodig is voor een toekomstig(e) werk en/of activiteit, omdat de voorgenomen werken en/of activiteiten zijn voorzien op grond in de omgeving van de grond van de burger. In deze situatie zullen de grond en daarmee verbonden objecten van die burger dus niet onteigend hoeven worden.1
De redenen waarom ook in schaduwschadesituatie 3 een recht op onteigening mijns inziens veelal een goede oplossing voor het probleem van schaduwschade is, zijn grotendeels dezelfde als die hiervóór in paragraaf 12.4.2 zijn aangevoerd met betrekking tot schaduwschadesituatie 1. Het betoog met betrekking tot schaduwschadesituatie 1 is evenwel niet een op een toepasbaar op schaduwschadesituatie 3. Om onoverzichtelijke (gedeeltelijke) kruisverwijzingen te voorkomen en de gedachtegang begrijpelijk te houden zal ik het betoog met betrekking tot schaduwschadesituatie 3 geheel uitschrijven. Dat impliceert dat ik gedeeltelijk in herhaling verval.
Voor de eigenaar betekent een recht op onteigening dat hij voor de verkoop van zijn grond en daarmee verbonden objecten niet afhankelijk is van particuliere kopers die vanwege het voornemen tot het tot stand brengen van werken en/of activiteiten in de omgeving van zijn eigendom afhaken of een prijs bedingen die overeenkomt met de marktwaarde ervan na het tot stand komen van die werken en/of activiteiten. De eigenaar kan zijn grond en daarmee verbonden objecten aan de overheid overdragen tegen betaling door de overheid van een schadevergoeding. Anders dan in schaduwschadesituatie 1 hoeft de overheid bij een onteigening die plaatsvindt als remedie voor schaduwschadesituatie 3 niet steeds de gehele marktwaarde te vergoeden. De voor de grond en daarmee verbonden objecten te betalen vergoeding kan lager zijn dan de marktwaarde. De reden hiervan is dat in schaduwschadesituatie 3 – indien het voornemen uiteindelijk doorgaat – geen onteigening noodzakelijk zou zijn geweest en voor de eigenaar dus (in beginsel) ook geen recht op vergoeding van de gehele marktwaarde zou hebben bestaan. Indien in schaduwschadesituatie 3 de voor het voornemen benodigde rechtshandelingen uiteindelijk tot stand komen, is sprake van indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11 en voor dergelijke indirecte schade bestaat niet steeds recht op een gehele schadevergoeding. Zou in schaduwschadesituatie 3 wel steeds een recht op vergoeding van de gehele marktwaarde bestaan, dan zou de eigenaar niet zelden een vergoeding ontvangen die hoger is dan de schadevergoeding die hij had kunnen verkrijgen nadat de voor de realisering van het voornemen benodigde rechtshandelingen daadwerkelijk in werking getreden waren. Dat is niet de bedoeling van het treffen van een voorziening voor schaduwschade.
Voor de overheid heeft een recht op onteigening ten opzichte van louter een recht op schadevergoeding als voordeel dat zij weliswaar een vergoeding aan eigenaren toekent, maar dat zij daarvoor ook de eigendom van de grond en daarmee verbonden objecten verwerft. Indien de waardedaling van de grond en daarmee verbonden objecten opgeheven wordt doordat het waardedrukkende voornemen om werken en/of activiteiten in de omgeving van de eigendom tot stand te brengen uiteindelijk begraven wordt, komt deze waardestijging aan haar als eigenaar toe. Aldus wordt voorkomen dat een particuliere eigenaar ten koste van de overheid verrijkt wordt. Bij het enkel toekennen van een schadevergoeding zonder overdracht van de eigendom aan de overheid zou – indien het waardedrukkende voornemen uiteindelijk geen doorgang zou vinden – de eigenaar immers verrijkt worden, doordat hij de schadevergoeding voor de schaduwschade ontvangt en de waardestijging, die ontstaat na het eindigen van het waardedrukkende voornemen, opstrijkt. Indien de grond en daarmee verbonden objecten door de eigenaar zijn verkocht voordat duidelijk is dat het waardedrukkende voornemen niet doorgaat, zal het overigens doorgaans de koper zijn die oneigenlijk ten koste van de overheid (en de verkoper) verrijkt wordt. Die koper zal vanwege het waardedrukkende voornemen immers een lagere koopprijs hebben betaald en strijkt de waardestijging op zodra dit voornemen eindigt. Bij een recht op onteigening vindt een dergelijke verrijking (anders dan bij een louter recht op schadevergoeding) niet plaats.
Een nadeel van een recht op onteigening is uiteraard dat voor de overheid met de onteigening bedragen gemoeid (kunnen) zijn die een aanzienlijk beslag leggen op haar financiën. Dit beslag zal doorgaans echter tijdelijk zijn en zal veelal beperkt kunnen worden door de onteigeningsvergoeding met leningen te financieren. Dan draagt de overheid alleen nog de tijdelijke rentelasten en het altijd bestaande, door economische ontwikkelingen veroorzaakte risico van waardeschommelingen van de grond en daarmee verbonden objecten.2 Zodra duidelijk is dat het voornemen niet gerealiseerd zal worden, kan de overheid de aangekochte eigendommen weer doorverkopen zonder dat onzekerheid over het toekomstige lot van de eigendommen daarbij een belemmerende en waardedrukkende factor is. De overheid heeft dan door de onteigening alleen rente betaald of gederfd.3 Indien uiteindelijk besloten wordt het voornemen wel te realiseren, heeft de overheid in schaduwschadesituatie 3 (anders dan in schaduwschadesituatie 1) geen belang bij de grond en daarmee verbonden objecten. De werken en/of activiteiten zijn in schaduwschadesituatie 3 immers niet op de onteigende grond voorzien, maar op grond in de omgeving daarvan. Indien uiteindelijk besloten wordt het voornemen wel te realiseren, kan de overheid – nadat de voor de werken en/of activiteiten benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen tot stand zijn gebracht – de onteigende grond en daarmee verbonden objecten echter doorverkopen. De door de overheid te ontvangen (door)verkoopprijs zal (afgezien van eventuele tussentijdse prijsstijgingen door algemene economische ontwikkelingen) lager zijn dan de onteigeningsvergoeding waartegen zij de eigendom heeft onteigend op grond van het recht op onteigening. Dit verschil tussen de aan de oorspronkelijke eigenaar betaalde onteigeningsvergoeding en de ontvangen (door)verkoopprijs is (tezamen met de gederfde of betaalde rente) het financiële nadeel dat een recht op onteigening voor de overheid veroorzaakt. Van belang is echter dat dit financiële nadeel niet veel groter hoeft te zijn dan het bedrag aan schadevergoeding dat de overheid wegens indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11 aan de eigenaar had moeten betalen nadat de voor de werken en/of activiteiten benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen tot stand zouden zijn gebracht. De voor de onteigening te betalen onteigeningsvergoeding kan immers worden vastgesteld op de marktwaarde (waarbij de werken en/of activiteiten en het voornemen daartoe weggedacht worden), verminderd met het schadebedrag dat voor rekening van de eigenaar gebleven zou zijn op grond van de criteria voor de vergoeding van indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11.
De vraag is onder welke voorwaarden een recht op onteigening moet ontstaan in schaduwschadesituatie 3.4 De financiën van de overheid verzetten zich er immers tegen dat elke eigenaar die geraakt wordt door een voornemen tot het tot stand brengen van werken en/of activiteiten in de omgeving van zijn grond de overheid kan dwingen zijn eigendom te onteigenen.
In schaduwschadesituatie 3 zou een eerste voorwaarde voor het activeren van het recht op onteigening moeten zijn dat de eigenaar gedurende enige tijd na het (vormvrije) publiceren van het voornemen (in bijvoorbeeld een structuurvisie) zonder succes heeft getracht zijn eigendom in het commerciële verkeer te verkopen.5 Het lijkt mij redelijk deze tijd net als bij schaduwschadesituatie 1 op twee jaar te stellen. Een tweede voorwaarde zou moeten zijn dat die verkoop niet is gelukt tegen een prijs die gelijk is aan de marktwaarde, verminderd met het schadebedrag dat voor rekening van de eigenaar gebleven zou zijn op grond van de criteria voor de vergoeding van indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11.6 De reden om van een eigenaar te verlangen dat hij in bepaalde gevallen genoegen neemt met een onderhandse verkoopprijs die lager is dan de marktwaarde (het voornemen weggedacht) is uiteraard dat de eigenaar in die gevallen, na het tot stand komen van de voor de werken en/of activiteiten benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen, volgens de criteria voor de vergoeding van indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11 ook geen recht op vergoeding van de gehele indirecte schade zou hebben gehad.7 Aldus sluit het recht op onteigening of schadevergoeding bij schaduwschade aan op het vergoedingsregime voor indirecte schade, niet zijnde schaduwschade.8 De derde en laatste voorwaarde zou moeten zijn dat causaal verband bestaat tussen het gepubliceerde voornemen en het mislukken van de poging om de eigendommen binnen twee jaar (na de publicatie) te verkopen tegen de marktwaarde, verminderd met het genoemde schadebedrag. Indien het mislukt is om de grond en daarmee verbonden objecten binnen twee jaar (na de publicatie van het voornemen) te verkopen tegen de marktwaarde verminderd met het genoemde bedrag, geldt mijns inziens dat een rechtsvermoeden bestaat dat dat mislukken het gevolg is van het voornemen. De overheid kan dan eventueel proberen te bewijzen dat geen sprake is van causaal verband.
Om het voorgaande abstracte betoog enigszins te concretiseren zal ik weer een voorbeeld geven.
Stel dat de overheid een voornemen publiceert om een nieuwe provinciale weg aan te leggen en dat het tracé van die weg ongeveer twintig meter langs de grond (met daarop een woning) van eigenaar X loopt. Vóór de publicatie van dit voornemen hadden de grond en de woning tezamen een marktwaarde van € 400.000. Door deskundigen wordt vastgesteld dat, indien alle voor de aanwezigheid en het gebruik van de weg benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen reeds waren verricht, op grond van de criteria voor indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11 tien procent van de (door de aanwezigheid en het gebruik van de weg veroorzaakte) waardedaling voor rekening van eigenaar X zou zijn gebleven. Eigenaar X moet nu proberen binnen twee jaar zijn eigendommen te verkopen tegen de marktwaarde van € 400.000 verminderd met tien procent, voordat hij jegens de overheid een recht op onteigening verkrijgt. Dat betekent dat hij, voordat hij de overheid tot onteigening kan dwingen, twee jaar lang moet proberen zijn grond en woning te verkopen voor ten hoogste € 360.000. Als zich in die tijd geen koper heeft gemeld die bereid is dat bedrag te betalen, dan bestaat een rechtsvermoeden dat causaal verband bestaat tussen het bekendgemaakte voornemen tot aanleg van de provinciale weg en het mislukken van de poging de grond en de woning voor € 360.000 te verkopen. Als dit rechtsvermoeden niet door de overheid weerlegd wordt, is voldaan aan alle criteria voor het ontstaan van een recht op onteigening of schadevergoeding. Eigenaar X kan dan in rechte afdwingen dat de overheid zijn grond en woning onteigent tegen een schadevergoeding van € 360.000.9
Stel vervolgens dat drie jaar na de (door eigenaar X afgedwongen) onteigening de overheid definitief besluit dat de provinciale weg niet aangelegd zal worden. Dan zal, een eventuele waardestijging of waardedaling van de grond en woning veroorzaakt door algemene economische ontwikkelingen daargelaten, de marktwaarde van de grond en de woning weer € 400.000 bedragen. Het waardedrukkende voornemen tot aanleg van de weg is dan immers van de baan. De overheid kan de grond en de woning in dat geval op de markt (door)verkopen voor € 400.000. Nu zij eigenaar X onteigend had voor € 360.000, maakt de overheid een winst van € 40.000. Dit bedrag is echter geen daadwerkelijke winst, omdat de rentelasten nog verrekend moeten worden. Door € 360.000 voor de grond en woning te betalen is de overheid immers drie jaar lang een rente van (bijvoorbeeld) drie procent op haar bankrekening misgelopen.10 Dit bedrag van € 360.000 was na drie jaar rentebijschrijvingen (€ 360.000 x 1,033 =) € 393.381,72 geweest. De misgelopen rente bedraagt dus (€ 393.381,72 – € 360.000 =) € 33.381,72. De winst voor de overheid is in dit voorbeeld effectief dus niet € 40.000, maar (€ 40.000 – € 33.381,72 =) € 6618,28. In een voorbeeld met andere getallen kan er voor de overheid onder de streep natuurlijk ook een verlies uitkomen.11
Stel tot slot, anders dan hiervoor, dat drie jaar na de (door eigenaar X afgedwongen) onteigening de overheid heeft besloten dat de provinciale weg wel aangelegd zal worden en dat zij de daarvoor benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen heeft verricht. Dan zal, een eventuele waardestijging of waardedaling van de grond en woning veroorzaakt door algemene economische ontwikkelingen daargelaten, de marktwaarde van de grond en de woning waarschijnlijk onder € 360.000 (blijven) liggen. Eigenaar X was immers niet in staat gebleken om binnen twee jaar na het bekendmaken van het voornemen tot aanleg van de weg de grond en de woning voor dat bedrag op de markt te verkopen. Stel dat de marktwaarde door de provinciale weg € 350.000 bedraagt. De overheid kan de grond en de woning in dat geval op de markt (door)verkopen voor € 350.000. Nu zij eigenaar X onteigend had voor € 360.000, maakt de overheid een verlies van € 10.000. Dit bedrag is echter niet het uiteindelijke verlies, omdat de rentelasten nog verrekend moeten worden. Door € 360.000 voor de grond en woning te betalen is de overheid ook hier immers drie jaar lang een rente van (bijvoorbeeld) drie procent op haar bankrekening misgelopen.12 Dit bedrag van € 360.000 was na drie jaar rentebijschrijvingen (€ 360.000 x 1,033 =) € 393.381,72 geweest. De misgelopen rente bedraagt dus (€ 393.381,72 – € 360.000 =) € 33.381,72. De winst voor de overheid is in dit voorbeeld dus negatief, want (– € 10.000 – € 33.381,72 =) – € 43.381,72.
Uit de hiervoor geschetste voorbeeldberekeningen blijkt dat het voor de overheid in bepaalde gevallen, achteraf bezien, voordeliger kan zijn om een schadevergoeding toe te kennen in plaats van tot onteigening over te gaan. In de laatst geschetste situatie, waarin uiteindelijk besloten wordt de weg wel aan te leggen, had de overheid bijvoorbeeld beter € 10.000 schadevergoeding aan eigenaar X kunnen betalen in plaats van tot onteigening over te gaan.13 Dan had zij immers geen verlies van € 43.381,72 geleden, maar een verlies van € 10.000.14 Het staat de overheid vrij in een dergelijke situatie te kiezen voor het betalen van € 10.000 in plaats van voor onteigening. De overheid zal, net als in schaduwschadesituatie 1, een inschatting moeten maken welke optie, onteigening of betaling van schadevergoeding, uiteindelijk het voordeligst zal zijn.
Net als in schaduwschadesituatie 1 geldt hier dat bij het recht op onteigening of schadevergoeding, zoals hier voorgesteld, geen discussie ontstaat over de vraag wanneer een (beleids)voornemen voldoende concreet is om als grondslag voor de onteigening of schadevergoeding te fungeren. Indien causaal verband bestaat tussen het gepubliceerde voornemen en het mislukken van de poging om de eigendommen binnen twee jaar (na de publicatie) te verkopen tegen het op de hiervoor genoemde wijze vast te stellen bedrag, is het recht op onteigening of schadevergoeding namelijk gegeven.
De vraag kan nog rijzen of het voor het recht op onteigening of schadevergoeding, zoals hier voorgesteld, problematisch is, indien bij een (beleids) voornemen verschillende uitvoeringsalternatieven (bijvoorbeeld verschillende tracé’s) worden voorgesteld die voor de betreffende eigendom elk tot een andere schadeomvang kunnen leiden (bijvoorbeeld doordat het ene tracé dichter bij de eigendom ligt dan het andere tracé). Mijns inziens levert dit geen problemen op in het hier voorgestelde systeem. In dit systeem hoeft immers niet berekend te worden hoe groot de schade (bij elk uitvoeringsalternatief) is. Relevant is slechts wat de waarde van de grond en daarmee verbonden objecten was direct vóór de publicatie van het (beleids)voornemen en welk bedrag op grond van de criteria voor indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11 voor rekening van de eigenaar zou zijn gebleven indien alle voor de werken en/of activiteiten benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen reeds waren verricht. Die waarde en dat bedrag kunnen (in ieder geval bij benadering) vastgesteld worden zonder acht te slaan op de verschillende uitvoeringsalternatieven. Aan de hand van die waarde en dat bedrag kan de vergoeding voor de (door de eigenaar afgedwongen) onteigening bepaald worden. Indien de overheid echter overweegt niet te kiezen voor onteigening maar voor het enkel betalen van schadevergoeding, moet ook de waarde vastgesteld worden die de eigendom onder invloed van het (beleids) voornemen in het commerciële verkeer heeft. De hoogte van die schadevergoeding is immers gelijk aan het verschil tussen die waarde (€ 350.000 in het voorbeeld hiervóór) en de marktwaarde (het voornemen weggedacht), verminderd met het bedrag dat op grond van de criteria voor indirecte schade als bedoeld in hoofdstuk 11 voor rekening van de eigenaar zou zijn gebleven indien alle voor de werken en/of activiteiten benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen reeds waren verricht (€ 360.000 in het voorbeeld hiervóór). De waarde die de eigendom onder invloed van het (beleids)voornemen in het commerciële verkeer heeft, kan (lijkt mij) ook bij benadering vastgesteld worden. Dat het voornemen meerdere uitvoeringsalternatieven kent is niet relevant, omdat dat voornemen mét zijn verschillende uitvoeringsalternatieven zal leiden tot één bepaalde (bij benadering vast te stellen) marktwaarde in het commerciële verkeer (waarin de goede en kwade kansen van alle voorgestelde uitvoeringsalternatieven zijn verdisconteerd).
In het hier voorgestelde systeem ontstaat tot slot wel een probleem, indien bij een (beleids)voornemen verschillende uitvoeringsalternatieven worden voorgesteld en voor de verwezenlijking van één of meer (maar niet alle) uitvoeringsalternatieven de grond en daarmee verbonden objecten van de eigenaar benodigd zijn. Dan is bij één of meer uitvoeringsalternatieven immers sprake van directe schaduwschade met onteigeningsdreiging (schaduwschadesituatie 1), terwijl bij de andere uitvoeringsalternatieven sprake is van indirecte schaduwschade (schaduwschadesituatie 3). Dat is een probleem, omdat de vergoedingsregimes in beide situaties verschillen. In schaduwschadesituatie 1 is de onteigeningsvergoeding namelijk in beginsel gelijk aan de volledige marktwaarde van de grond en daarmee verbonden objecten (het voornemen weggedacht), terwijl in schaduwschadesituatie 3 de onteigeningsvergoeding meestal lager zal zijn dan de volledige marktwaarde van de grond en daarmee verbonden objecten (het voornemen weggedacht). De vraag rijst dan welk van de twee vergoedingsregimes op het voornemen toegepast moet worden. Voor elk van beide regimes valt iets te zeggen. Uit billijkheidsoverwegingen valt te verdedigen dat op het voornemen het regime van schaduwschadesituatie 1 (volledige marktwaarde) toegepast moet worden. Uit een oogpunt van de budgettaire belangen van de overheid is het daarentegen verdedigbaar dat op het voornemen het regime van schaduwschadesituatie 3 (meestal niet de volledige marktwaarde) toegepast moet worden.