Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.3
10.3 Wetsystematische analyse van het verschil tussen een ‘gewone’ onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS344862:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 november 2012, NJ 2013, 302 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2013/40 m.nt. W.J.M. van Andel en K. Rutten (Spaanse Villa).
Het arrest wordt onder meer besproken door Stolp 2013; Kroeze 2013; Van Wechem2013; De Kluiver 2013, onder punt 8; Timmerman 2013, p. 247, voetnoot 12; Verstijlen 2013; Sinninghe Damsté 2013; Raaijmakers 2013; Olden 2013a; De Meij 2013; Huizink 2013; Olden 2013b; Willems 2013; Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 1099 e.v. en p. 2841 e.v.
Zie bijvoorbeeld: Stolp 2013 en Sinninghe Damsté 2013.
Willems 2013, par. 18.
Kist & Visser 1929, p. 247 spreken in dit verband van een handeling “in strijd met eigen persoonlijke rechtsplichten.”
HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. C.J.H. Brunner en G.J.M. Corstens (Staat en Van Hilten/M).
Rechtsoverweging 11 van de conclusie van de A-G. Zie ook: Klaassen 2000, p. 15: “Ik zie evenwel geen goede grond om de werkingsfeer van dit arrest te beperken tot organen van de overheid.”
Cassatiemiddel 3.2.
Rechtsoverweging 3.3 en 3.4.
HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 m.nt. J.M.M. Maeijer (Beklamel) dat weer verwijst naar HR 25 november 1927, NJ 1928, 364 m.nt. Scholten (Kretzschmar/Mendes de Leon).
HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/296 m.nt. M.J. Kroeze (Hezemans Air).
HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/325 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (RCI/Kastrop).
De visie van Kroeze in zijn noot bij Hezemans Air, te weten dat de Hoge Raad de zorg en onzekerheid die waren ontstaan als gevolg van Spaanse Villa heeft weggenomen, deel ik dus niet.
Hof ’s-Hertogenbosch 12 april 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BY8749 (Spaanse Villa): die deskundigheid zou blijken uit een door de vennootschap gehanteerde brochure.
Kijkt men naar oudere jurisprudentie en literatuur dan werd dat onderscheid ook niet gemaakt. Zie bijvoorbeeld: Timmerman 1991b, p. 197 die verwijst naar Rb. Groningen 10 november 1989, M&R 1990/16 (Aagrunol) en Rb. Arnhem 20 september 1990, M&R 1991/13 m.nt. P.W.A. Gerritzen-Rode (Wepewe Metaalwarenfabriek). In deze zaken werden bestuurders aansprakelijk geacht voor milieuschade veroorzaakt door de door hen bestuurde rechtspersoon (voornoemde uitspraak van de Rb. Groningen werd overigens vernietigd in hoger beroep door Hof Leeuwarden 20 oktober 1993, NJ 1994, 516 omdat niet aan het relativiteitsvereiste werd voldaan, zodat niet meer werd toegekomen aan de vraag naar persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder). Timmerman merkt in voornoemde bijdrage op dat de rechtbank in zijn oordeel over bestuurdersaansprakelijkheid in aanmerking nam het feit dat de bestuurder gelet op “zijn specifieke vakkennis” en zijn positie op de hoogte was van de aard en de gevaren van de in de fabriek gebruikte stoffen. Zie ook de eerdergenoemde in par. 9.3.3, 9.3.4 en 9.3.5 behandelde arresten: HR 18 januari 2002, NJ 2002, 96 (Textile Company APS/Steins), r.o. 3.4.2 en r.o. 3.13 van de conclusie van A-G Spier; HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510 en Ondernemingsrecht 2004/81 m.nt. P. Van Uchelen (Ponteceen/Van Straten), r.o. 4.9; HR 30 september 2005,NJ 2006, 312 m.nt. P. van Schilfgaarde (Ontvanger/S.), r.o. 3.4.3. In voornoemd arrest Ponteceen/Van Straten maakte Van Uchelen in zijn noot overigens wel reeds het onderscheid dat de Hoge Raad later in Spaanse Villa maakte. Hij schreef dat de bestuurder van Stratex onrechtmatig had gehandeld jegens Ponteceen wegens strijd met een zorgvuldigheidsnorm en dat ‘bij deze benadering van het onrechtmatig handelen het criterium voor verwijtbaarheid wellicht niet het ‘voldoende ernstig persoonlijk verwijt’ behoefde te zijn (zoals volgens Van Uchelen – zich baserend op onder meer HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. J.M.M. Maeijer (New Holland Belgium/Oosterhof) – voor bestuurdersaansprakelijkheid was vereist) en dat wellicht een minder streng criterium gehanteerd zou kunnen worden. Ik zou evenwel menen dat het Ponteceen-arrest normatief gezien niet verschilt met het Beklamel-arrest en dat beide arresten typische bestuurdersaansprakelijkheids-zaken betreffen.
Verstijlen 2013, p. 4.
Huizink 2013, p. 30.
Ter illustratie: In Hof Leeuwarden 21 april 2009, JIN 2009/487 m.nt. Van ’t Spijker (SL Holten Products Nederland/Bon Apetit), r.o. 5 t/m 8 werd geïntimeerde, die niet bestuurder was van de rechtspersoon, aangemerkt als feitelijk bestuurder. Hem werd verweten dat de rechtspersoon een overeenkomst was aangegaan, terwijl bij het aangaan reeds duidelijk was dat deze niet nagekomen kon worden. In feite is dit dus een Beklamel-verwijt. Het hof overwoog: “Onder die omstandigheden is [geïntimeerde] op grond van het leerstuk van de onrechtmatige daad aansprakelijk voor de gevolgen van het verzuim van Bon Apetit.” De ernstigverwijtmaatstaf werd hier niet gebruikt. In Rb. Amsterdam 18 november 2009, JOR 2011/248 (Maatschappij Wilhelmina/Paap) r.o. 5.5 t/m 5.5.3 werd een gedaagde, die niet bestuurder was van de rechtspersoon, aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler. Hem werd verweten onder meer dat hij groepsvennootschappen had verkocht en geleverd aan door hem gecontroleerde rechtspersonen, zonder dat daar enige relevante compensatie of zekerheid tegenover stond en hij daarbij dus op geen enkele wijze het belang van deze vennootschappen en haar crediteuren in acht heeft genomen, terwijl dit van hem, ook in zijn hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler, wel mocht worden verwacht. In feite is dit een nakomingsfrustratie-verwijt. De rechtbank concludeerde dat gedaagde: “onrechtmatig, want in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, heeft gehandeld en dat hem dat kan worden toegerekend.” De ernstigverwijtmaatstaf werd ook hier niet gebruikt.
Ter illustratie: in HR 14 november 1997, NJ 1998, 270 (Henkel/JMG), dat weliswaar dateert van voor HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen), werd de aansprakelijkheid van de feitelijk en indirect bestuurder van de rechtspersoon langs de lat gelegd van de Beklamel-norm, zonder dat een ernstigverwijtmaatstaf werd gehanteerd (r.o. 3.2 en 3.5). Ook in HR 17 juni 2005, JOR 2005/234 m.nt. S.M. Bartman (De Berghorst/ Maas) werd de aansprakelijkheid van de feitelijk en indirect bestuurder van de rechtspersoon langs de lat gelegd van de Beklamel-norm, zonder dat een ernstigverwijtmaatstaf werd gehanteerd (r.o. 1.1 en 3.2).
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 3 juli 2012, JOR 2012/283 m.nt. S.C.M. van Thiel (Van den Boogert-Schreurs/Wanders Coating), r.o. 3.6 in het kader van beweerde schending van de Beklamel-norm door de feitelijk bestuurder. Zie bijvoorbeeld HR 23 mei 2014, JOR 2014/229 m.nt. J. Van Bekkum (Kok/Maas q.q.), r.o. 3.3.3 t/m 3.3.5 in het kader van de schending van de nakomingsfrustratie-norm door de enig indirect bestuurder. Hierin overwoog de Hoge Raad dat dit geval: “zoveel gelijkenis [vertoond, toev. auteur] met het geval waarin aan de orde is of een bestuurder op de voet van art. 6:162 BW aansprakelijk is op de grond dat hij heeft meegewerkt aan benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering, dat bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag aansluiting moet worden gezocht bij de maatstaven zoals vermeld in HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen).”
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).
Zie hierover ook: W.A. Westenbroek, ‘De beleidsbepaler van artikel 2:138/248 lid 7 BW onder de loep genomen’, Ondernemingsrecht 2014/119, afl. 14, p. 601-609
Kamerstukken II 1983/84, 16631, nr. 6, p. 24 (MvA). Hieruit volgt dat onder (mede) bepalen van beleid in de zin van art. 2:138/248 lid 7 BW ook valt “een bepaald, van een vergaand gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef of zelfs van een malafide intentie getuigend, bestuursbesluit”. Zie ook: Rb. Utrecht 19 september 2001, JOR 2001/236.
HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/296 m.nt.M.J. Kroeze (Hezemans Air).
HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/325 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (RCI/Kastrop).
Zie bijvoorbeeld: HR 25 september 1981, NJ 1982, 443 m.nt. J.M.M. Maeijer (OSBY/LVM); HR 9 mei 1986, NJ 1986, 792 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Keulen/BLG); HR 19 februari 1988, NJ 1988, 487 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Albada Jelgersma); HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 m.nt. J.M.M. Maeijer (Nimox/Van den End); HR 12 juni 1998, NJ 1998, 727m.nt. P. van Schilfgaarde (Coral Stalt); HR 21 december 2001, JOR 2002/38 m.nt. N.E.D Faber en S.M. Bartman (Sobi/Hurks), HR 11 september 2009, NJ 2009, 565 m.nt. H.J. Snijders en P. van Schilfgaarde (Comsystems/Van den End q.q.). Een goed recenter voorbeeld is Rb. Midden-Nederland 24 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:4312 (Vebu), r.o. 4.12. en 4.13. Hierin werd voor bestuurders de ernstigverwijtmaatstaf toegepast, maar voor aandeelhouders niet.
Zo ook J. Van Bekkum , ‘Hoge Raad vergroot risico aansprakelijkheid bestuurders voor gewone zakelijke risico’s’, TvI 2013/17 die weliswaar voorstander is van de ernstigverwijtmaatstaf, maar schrijft: “Het is geen toeval dat gelijke normen als de normen uit het Ontvanger/Roelofsen-arrest spelen in het kader van persoonlijke aansprakelijkheid van functionarissen die geen statutair bestuurder zijn en in het kader van aansprakelijkheid van aandeelhouders. Ook vanuit andere posities bij de rechtspersoon dan de specifieke statutaire bestuurspositie kan immers onder omstandigheden worden gevergd dat kennis en invloed worden aangewend ter voorkoming van schade.”
Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 2254 t/m 2291. Zie p. 2264, waarin in het kader van aandeelhoudersaansprakelijkheid wordt gesteld dat een parallel valt te trekken met externe bestuurdersaansprakelijkheid. Voorts wordt gesteld dat het begrip ‘ernstig verwijt’ in de context van aandeelhoudersaansprakelijkheid “(nog) niet consequent” voorkomt, maar dat het voor aansprakelijkheid vereiste handelen of nalaten dat “brandmerk” wel kan dragen. Indicatief daarvoor zou zijn Rb. Middelburg 18 januari 2011, JOR 2011/325 m.nt. M. Holtzer (FNV Bondgenoten/Delta). Ik deel die mening niet en zie een streven naar een uitdijende toepassing van de ernstigverwijtmaatstaf als maatschappelijk onwenselijk. Zie hierover ook: Westenbroek 2017a.
Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 2260 e.v. en 2273, 2283, 2284.
Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 2261.
In Spaanse Villa1 (zie par. 9.4.2) achtte de Hoge Raad een bestuurder aansprakelijk wegens het handelen in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting, die niet een tekortschietende of onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder betrof. Het zou gaan om een daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm, waarvoor de gewone regels van onrechtmatige daad golden en waarvoor niet vereist was dat de bestuurder een ernstig verwijt van zijn handelen kon worden gemaakt.
Omdat men vanaf 2006 tevreden was met de uniforme ernstigverwijtmaatstaf die in Ontvanger/Roelofsen werd geïntroduceerd, werd Spaanse Villa in de literatuur niet warm ontvangen. Volgens velen zou het arrest afbreuk doen aan de verzwaarde drempel die zou moeten gelden voor aansprakelijkheid van bestuurders. Dit leidde tot de nodige commotie.2 Ter onderbouwing van de stelling dat Spaanse Villa geen afbreuk had gedaan aan de inmiddels als ‘standaard’ te bestempelen jurisprudentie gebaseerd op Ontvanger/Roelofsen, werd daarom in de literatuur betoogd dat de aan de betrokken gedaagde verweten gedragingen niet in verband stonden met zijn taakvervulling als bestuurder, maar wel met zijn taakvervulling als deskundige ter zake Spaans vastgoed. Het zou hier gaan om een op de bestuurder persoonlijk (namelijk in zijn hoedanigheid van deskundige) rustende zorgvuldigheidsnorm die zou zijn geschonden. Het zou gaan om een soort ‘beroepsaansprakelijkheid’, die volledig losstaat van het feit dat de betrokken persoon tevens bestuurder was van de vennootschap. Daarom was het een ‘gewone onrechtmatige daad’, waarvoor het vereiste van een ernstig verwijt niet geldt en waarvoor de (in de woorden van de Hoge Raad) ‘gewone regels van onrechtmatige daad’ gelden.3 Deze redenering past ook in de relativering van Willems, te weten dat Spaanse Villa in het geheel geen afbreuk had gedaan aan de verzwaarde drempel. Het arrest zou een gevolg zijn van het feit dat de procedure nu eenmaal ‘als een commune onrechtmatige daadprocedure tegen een natuurlijk persoon was opgezet’ en dat er ‘over bestuurdersaansprakelijkheid niet is gedebatteerd’. Dat zo zijnde had de Hoge Raad, aldus Willems, niet meer gedaan dan de steller van de cassatiemiddelen voorhouden hetgeen allang bekend was: of een persoon een onrechtmatige daad pleegt, hangt af van de vraag of aan de eisen van art. 6:162 BW wordt voldaan.4
Ook bij bestuurdersaansprakelijkheid had de Hoge Raad in Spaanse Villa, om in de woorden van Willems te spreken, de steller van de cassatiemiddelen echter moeten voorhouden dat het antwoord op de vraag of een persoon een onrechtmatige daad heeft gepleegd, afhangt van de vraag of aan de eisen van art. 6:162 BW is voldaan. De wettelijke grondslag voor externe bestuurdersaansprakelijkheid is namelijk een gewone onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW en externe bestuurdersaansprakelijkheid ontstaat uitsluitend indien een bestuurder een persoonlijk op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting heeft geschonden (vgl. de Beklamel-norm en de nakomingsfrustratie-norm, zie par. 9.2.2).5 Eerst dan heeft hij een gewone onrechtmatige daad gepleegd. Anders gezegd, er bestaat geen verschil tussen enerzijds een ‘commune onrechtmatige daad’ en anderzijds een ‘niet-commune onrechtmatige daad’. Er bestaat geen bijzondere ‘externe bestuurdersaansprakelijkheid-onrechtmatige daad’.
In het in 1991 gewezen arrest van de Hoge Raad Staat en Van Hilten/M,6 dat weliswaar niet betrof de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon, maar wel de aansprakelijkheid van een overheidsfunctionaris, kwam dit duidelijk naar voren. In zijn conclusie bij dit arrest merkte A-G Koopmans overigens terecht op dat aangenomen moet worden dat voor de persoonlijke aansprakelijkheid van ambtenaren geen andere regels gelden dan voor de aansprakelijkheid van vertegenwoordigers van rechtspersonen in het algemeen.7 In deze zaak werden zowel de Staat als de betrokken officier van justitie persoonlijk tot schadevergoeding aangesproken op grond van onrechtmatige daad wegens een door deze officier van justitie bevolen maatregel ter beperking van de communicatie tussen een preventief gedetineerde en zijn advocaat. Die beperking werd later namelijk in strijd met de wet geoordeeld. De rechtbank wees de vordering toe. De Staat en de officier van justitie gingen in cassatie en stelden dat wanneer een natuurlijk persoon (de officier) handelt in hoedanigheid van orgaan van de rechtspersoon (de Staat), deze natuurlijk persoon slechts dan, naast de Staat, ook persoonlijk aansprakelijk kan zijn indien:
“[hij] ook persoonlijk een rechtsnorm jegens een benadeelde heeft geschonden. Daarvan is eerst sprake indien [hij] redelijkerwijs niet kon menen zijn plicht te doen, althans [hij] bij afweging van alle betrokken belangen, waaronder begrepen de belangen die hij behoort te behartigen, onder de zich voordoende omstandigheden redelijkerwijs niet tot de betrokken gedraging had kunnen komen, althans indien [hij] lichtvaardig tot de betrokken gedraging is gekomen.”8 (onderstreping toegevoegd)
De Hoge Raad casseerde en overwoog:9
“Wanneer een orgaan van de overheid zich bij de uitoefening van de hem als zodanig opgedragen taak onrechtmatig gedraagt door zijn wettelijke bevoegdheden te overschrijden, zal deze gedraging slechts aan hem persoonlijk kunnen worden toegerekend indien zij aan zijn schuld is te wijten, dat wil zeggen: wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. (…) Naar in cassatie mag worden aangenomen, heeft mr. Van Hilten zich tot het geven van dat bevel laten leiden door de in dit geding door de Staat en door hem verdedigde – hiervoor onder 3.2 onjuist bevonden – rechtsopvatting. Gezien de stand van rechtspraak en rechtsliteratuur dienaangaande kan niet worden gezegd dat deze rechtsopvatting ten tijde waarop mr. Van Hilten het gewraakte bevel gaf, zo onaannemelijk was dat hem een verwijt ervan kan worden gemaakt dat hij, uitgaande van die rechtsopvatting, dat bevel heeft gegeven. Ook blijkt niet uit de stukken van het geding dat M. heeft gesteld dat mr. Van Hilten zich niet alleen heeft laten leiden door voormelde – onjuist bevonden – opvatting omtrent zijn bevoegdheden, maar ook door motieven waarvan hem een verwijt zou kunnen worden gemaakt.” (onderstreping toegevoegd)
Het bekende Beklamel-arrest10 is eveneens een goed voorbeeld van het persoonlijk schenden van een rechtsnorm. Er bestaat dus geen onderscheid tussen externe bestuurdersaansprakelijkheid en de schending van een persoonlijk op de bestuurder rustende zorgvuldigheidsverplichting. Integendeel: het een kan niet zonder het ander.
In de arresten Hezemans Air11 en RCI/Kastrop12 (zie par. 9.4.3) maakt de Hoge Raad evenwel opnieuw expliciet het onderscheid tussen enerzijds (i) (externe) ‘bestuurdersaansprakelijkheid’, waarvoor ‘hogere eisen dan in het algemeen het geval is’ gelden en waarvoor een ‘verzwaarde maatstaf’ geldt, en anderzijds (ii) het handelen ‘in strijd met een in hoedanigheid van deskundig bemiddelaar rustende zorgvuldigheidsnorm.’ Bij Spaanse Villa zou van dit laatste sprake zijn geweest. De uitleg van Spaanse Villa in Hezemans Air en RCI/Kastrop is naar mijn mening niet heel overtuigend.13 In dat verband moet worden opgemerkt dat de veronderstelde deskundigheid, waar de Hoge Raad op doelde, blijkens de feitenomschrijving in het arrest van het hof in Spaanse Villa voornamelijk beweerd werd aanwezig te zijn bij de vennootschap en niet bij de bestuurder.14 Over de deskundigheid van de bestuurders en de in dat verband eventueel geldende beroepsnormen, die zouden bestaan voor de ‘deskundige bemiddelaars’, is voorts niet gedebatteerd in Spaanse Villa. Ik kan mij daarnaast niet voorstellen dat de Hoge Raad in Spaanse Villa tot een andere conclusie zou zijn gekomen als de betrokken gedaagde (of de vennootschap) helemaal niet als een deskundige ter zake Spaans vastgoed zou zijn aangemerkt. Ook in dat geval had de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder vermoedelijk niet ter discussie gestaan. Ik kan mij om die reden dan ook zeker vinden in de uitkomst van Spaanse Villa. Het onderscheid dat de Hoge Raad maakt tussen enerzijds de regels van gewone onrechtmatige daad (het schenden van een persoonlijk op de bestuurder rustende zorgvuldigheidsverplichting) en anderzijds een onrechtmatige daad gepleegd door een bestuurder van een vennootschap (waarvoor de ernstigverwijtmaatstaf zou gelden), lijkt mij daarentegen niet zuiver en wetsystematisch niet passen in art. 6:162 BW.15
Verstijlen noemde het door de Hoge Raad in Spaanse Villa gemaakte onderscheid dan ook ‘kunstmatig’.16 Huizink schreef dat hem niet aanstonds duidelijk is wat ‘de gewone regels van de onrechtmatige daad’ precies inhouden en dat bijvoorbeeld een bestuurder die maar raak bestelt, terwijl hij weet dat zijn organisatie niet tot betaling in staat is, persoonlijk onrechtmatig handelt tegenover de gedupeerden met een waardeloze vordering op de vennootschap. Daarvoor, aldus Huizink, is geen secundaire aansprakelijkheid (waarover hierna in par. 10.4 meer) met het bijbehorende normenstelsel nodig. De noodzakelijke gevolgtrekking is ook volgens Huizink dat geen onderscheid bestaat tussen een persoonlijk voldoende ernstig verwijt en ‘de gewone regels van de onrechtmatige daad’. Huizink concludeerde verder dat de op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad vereiste voldoende ernstige verwijtbaarheid niet anders uitpakt dan de vereiste verwijtbaarheid volgens ‘de gewone regels van de onrechtmatige daad’ en dat de betrokken bestuurders rechtstreeks zelf onrechtmatig handelen, ook volgens ‘de gewone regels van onrechtmatige daad’.17 Deze conclusie deel ik.
De ernstigverwijtmaatstaf en de daaraan gerelateerde ‘hoge drempel voor aansprakelijkheid’ wordt in de rechtspraak ook niet steeds (maar soms wel) toegepast als het gaat om ‘externe’ aansprakelijkheid van een feitelijk beleidsbepaler/feitelijk bestuurder18 of een indirect bestuurder19 op grond van onrechtmatige daad. Dit terwijl deze aansprakelijkheid veelal ook is gebaseerd op normen die gelijk zijn aan, althans vergelijkbaar zijn met, de Beklamel- norm en de nakomingsfrustratie-norm. Overigens is het wel begrijpelijk dat in rechtspraak over aansprakelijkheid van beleidsbepalers of feitelijk (indirect) bestuurders soms ook wel20 wordt verwezen naar Ontvanger/Roelofsen.21 Daarin zijn nu eenmaal twee belangrijke verschijningsvormen van een onrechtmatige daad van een bestuurder van een rechtspersoon omschreven die normen bevatten die net zo goed ook op andere betrokkenen van toepassing kunnen zijn, zoals beleidsbepalers of feitelijk (indirect) bestuurders. Van belang is dat het gaat om deze verschijningsvormen en niet om de daaraan gekoppelde ernstigverwijtmaatstaf. Die maatstaf voegt namelijk niet iets toe (par. 10.2.1). Centraal staat dat wanneer beleidsbepalers of feitelijk (indirect) bestuurders aansprakelijk worden gehouden op grond van art. 6:162 BW, steeds beoordeeld moet worden of zij persoonlijk een zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden jegens de derde. Eigenlijk is het zelfs zo dat de term ‘feitelijk beleidsbepaler/feitelijk bestuurder’ buiten art. 2:138/248 BW in het vennootschapsrecht helemaal geen betekenis heeft.22 De term krijgt in het civiele aansprakelijkheidsrecht van art. 6:162 BW een betekenis omdát een natuurlijk persoon zonder formele functie geacht wordt dusdanige zeggenschap en macht te hebben gehad in (de feitelijk leiding van) de rechtspersoon, waardoor hij zich de belangen van derden had moeten aantrekken op een gelijke wijze als een bestuurder dat per definitie dient te doen (ook de beleidsbepaler kan dus een Beklamel-norm of nakomingsfrustratie-norm schenden). De term wordt als het ware functioneel omdat daarmee kan worden toegelicht waarom op deze persoon een zorgvuldigheidsverplichting rustte die geschonden is. Net zoals het geval is bij de toepassing van art. 2:138/248 lid 7 BW,23 kan daarvan naar mijn mening ook sprake zijn indien de niet-bestuurder niet zozeer continu het beleid heeft bepaald, maar slechts een enkele specifieke handeling heeft verricht waarmee hij een zorgvuldigheidsverplichting jegens een derde heeft geschonden. Het gebruik van de ernstigverwijtmaatstaf in gevallen waarin de beleidsbepaler wordt aangesproken, is per definitie vreemd als men de in doctrine en rechtspraak naar voren gebrachte argumenten beschouwt die ten grondslag liggen aan de gedachte dat de ernstigverwijtmaatstaf ook voor externe aansprakelijkheid van bestuurders zou moeten gelden. Om te beginnen moet dan verwezen worden naar het streven naar de zogenoemde ‘normatieve convergentie’ (zie par. 10.2.3 t/m 10.2.4 en par. 10.7). Vaststaat immers dat voor de beleidsbepaler/feitelijk bestuurder geen regels van vennootschapsrecht bestaan die maken dat hij ‘intern’ jegens de vennootschap pas aansprakelijk is in geval hem een ernstig verwijt treft. Vanuit het gezichtspunt van normatieve convergentie (normen van interne aansprakelijkheid moeten gelijkgetrokken worden met normen van externe aansprakelijkheid), is het gebruik van de ernstigverwijtmaatstaf voor ‘externe’ aansprakelijkheid dus al niet uit te leggen. Ook de rechtvaardiging die in de arresten Hezemans Air24 en RCI/Kastrop25 is gegeven voor de ernstigverwijtmaatstaf (zie par. 10.4 en par. 10.6) gaat niet op voor de beleidsbepaler/feitelijk bestuurder om de eenvoudige reden dat hij geen bestuurder is.
De ernstigverwijtmaatstaf en de daaraan gerelateerde ‘hoge drempel voor aansprakelijkheid’ wordt in de rechtspraak ook niet toegepast als het gaat om aansprakelijkheid van een aandeelhouder.26 Dit terwijl de aansprakelijkheid van een aandeelhouder ook is gebaseerd op normen die gelijk zijn aan, althans vergelijkbaar zijn met, de Beklamel-norm en de nakomingsfrustratie-norm.27
Assink gaat in zijn Compendium uitvoerig in op aandeelhoudersaansprakelijkheid, maar de term ‘ernstig verwijt’ komt daarin slechts één keer voor.28 Assink schrijft – mijns inziens volledig terecht:
“de hamvraag bij aandeelhoudersaansprakelijkheid is of de aandeelhouder zich op toerekenbare wijze niet heeft gedragen conform de terzake door hem in het maatschappelijk verkeer (krachtens regels van ongeschreven recht) in acht te nemen betamelijkheid, in de zin van zorgvuldigheid (art. 6:162 lid 2 BW).”
Assink gebruikt in dit verband ook de termen ‘zorgplicht’ en ‘(een specifieke mate van) zorgvuldigheid’.29 Hij gaat vervolgens in op de in de rechtspraak naar voren gekomen casuïstiek om te illustreren wanneer sprake kan zijn van aansprakelijkheid op grond van schending van die zorgplicht/zorgvuldigheid. Hij merkt daarbij op dat:
“het telkens draait om de omstandigheden van het geval, waarbij moet worden bedacht dat voor het aannemen van dergelijke aansprakelijkheid niet slechts ruimte bestaat in zeer extreme gevallen.”
En:
“gelet op de sterk contextuele aard van de analyse (…) ligt het minder in de rede om deze analyse een al te rigide geschematiseerd karakter (zoals een ‘stappenplan’) te geven.”30
Hier ben ik het volledig mee eens. Bij bestuurdersaansprakelijkheid is dit naar mijn mening niet anders. Ook bij bestuurdersaansprakelijkheid draait het steeds om de omstandigheden van het geval en ligt het niet voor de hand om de analyse van de aansprakelijkheid ‘een al te rigide geschematiseerd karakter’ te geven. De vraag of een bestuurder jegens een derde aansprakelijk is, dient naar mijn mening evengoed simpelweg te worden beantwoord aan de hand van de vraag of de bestuurder persoonlijk een zorgplicht of een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden jegens een derde. Art. 6:162 BW is uitstekend geschikt voor de beantwoording van die vraag. De systematiek uit Ontvanger/ Roelofsen, met daarin de ernstigverwijtmaatstaf centraal, is daar naar mijn mening wetsystematisch niet in te passen, hoewel de daarin samengevatte verschijningsvormen uit eerdere rechtspraak uiteraard wel degelijk behulpzaam zijn bij het invullen van art. 6:162 BW.