Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.3.3
2.3.3 Bemiddeling
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652224:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. HR 17 december 2010 (r.o. 3.2; 4.5.4), NJ 2011/213, m.nt. W.J.M. van Veen; JOR 2011/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (KPNQwest).
HR 17 december 2010 (r.o. 4.1.1-4.1.3), NJ 2011/213, m.nt. W.J.M. van Veen; JOR 2011/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (KPNQwest).
Zie bijv. OK 26 maart 2018 (r.o. 2.6), ARO 2018/107 (MKA-Chirurgen Noordrand Rotterdam).
OK 23 december 2016 (r.o. 2.1), ARO 2017/68 (Bloembollenbedrijf Brouwer). Vgl. ook Van den Blink 2006, p. 14. Vgl. verder art. 2:275 lid 2 BW-A; art. 2:275 lid 2 en lid 4 CBW, op grond waarvan de rechter-commissaris de onderzoeker een aanwijzing kan verstrekken een poging tot bemiddeling te doen, waarover ook Jager 2022, p. 1325-1326.
OK 18 januari 2001 (r.o. 3.1), JOR 2001/35 (Skygate).
OK 4 april 2014 (r.o. 3.7), ARO 2014/67 (Bloembollenbedrijf Brouwer).
OK 23 december 2016 (r.o. 2.1), ARO 2017/68 (Bloembollenbedrijf Brouwer). Zie ook Broekhuijsen-Molenaar & Van Wees 2015, p. 93-94.
Leidraad, bepaling 3.7.
Broere 2019b, p. 690; Van Wees, GS Rechtspersonen, art. 2:351 BW, aant. 2.2.3 (2020); Soerjatin 2022, p. 966-967. Zie ook Leidraad, bepalingen 3.6 en 3.7; par. 4.4.2.
Hermans 2017, p. 89 en p. 243 e.v.
Zie bijv. OK 9 maart 2000 (r.o. 3.11), JOR 2000/99 (Willem III); OK 27 april 2000 (r.o. 4.8), JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Bot Bouw Groep); OK 7 februari 2012 (r.o. 3.12), JOR 2012/143, m.nt. A. Doorman (Chinese Workers), waarbij de Ondernemingskamer diverse formuleringen voor een uitbreiding van de onderzoeksopdracht bezigt. Zie voor meer voorbeelden Geerts 2004, p. 147, voetnoot 60; Hermans 2017, p. 243, voetnoot 124.
Zie bijv. OK 8 maart 2001 (r.o. 3.3), JOR 2001/107 (Z&K Beheer); OK 28 juni 2002 (r.o. 3.11), ARO 2002/91 (Blokland Techniek); OK 7 januari 2008 (r.o. 3.9), ARO 2008/18 (Delascos Holding).
Hermans 2003, p. 131-132; Den Boogert 2010, p. 197. Zie ook Driessen 2011, p. 292.
Hermans 2003, p. 131; Soerjatin 2011, p. 351; Hanegraaf 2021, p. 227; Soerjatin 2022, p. 967.
Vgl. OK 8 oktober 1998 (r.o. 3), JOR 1998/166, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Hoffmann Beheer), waarin de onderzoeker de afwijzing van een zijns inziens ‘zeer acceptabel’ schikkingsvoorstel beschrijft, waarover ook Hermans 2003, p. 132; Hermans 2017, p. 245.
Vgl. De Groot 2007, p. 67-68. Dit vormde bijv. een geschilpunt in OK 26 juli 2018 (r.o. 3.1 e.v.), ARO 2018/169 (MKA-Chirurgen Noordrand Rotterdam).
Zie ook OK 21 juni 2012 (r.o. 3.13), ARO 2012/108 (Rofitec), waarover ook Ingelse 2016, p. 39.
Broere 2019b, p. 691.
Bemiddeling door de onderzoeker kan zijn gericht op de definitieve beslechting van het geschil dat partijen verdeeld houdt of de oplossing van een deelgeschil. Wordt een minnelijke regeling bereikt waarmee het geschil dat partijen verdeeld houdt definitief wordt beslecht, dan kan aan een onderzoek geen behoefte (meer) bestaan. Beëindiging van de enquêteprocedure kan ook een opschortende schikkingsvoorwaarde zijn.1 De enquêteverzoeker kan de enquête in dat geval echter niet zelfstandig doen eindigen door de intrekking van het enquêteverzoek op de voet van art. 283 Rv. De Ondernemingskamer kan de enquête in een dergelijk geval wel beëindigen op verzoek van de meest gerede partij.2 Mondt de bemiddeling slechts uit in de oplossing van een deelgeschil,3 dan kan behoefte blijven bestaan aan de enquête.
Het staat de onderzoeker volgens de Ondernemingskamer vrij over te gaan tot bemiddeling,4 maar gehouden daartoe is de onderzoeker niet.5 In Bloembollenbedrijf Brouwer benoemde de Ondernemingskamer naast de onderzoeker een OK-bestuurder en overwoog dat de OK-bestuurder het tot zijn taak mocht rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven.6 De onderzoeker kreeg die taak niet mee, maar volgens de Ondernemingskamer mag daaruit niet worden afgeleid dat de onderzoeker zich van bemiddeling moet onthouden. Wel zal hij in dat geval over zijn bemiddelende rol met partijen in overleg moeten treden.7 Ook de Leidraad stelt dit ‘overlegvereiste’. Volgens de Leidraad kan de onderzoeker ‘Onder omstandigheden (bijvoorbeeld als geen OK-functionarissen zijn benoemd en de zaak daartoe aanleiding geeft) (…) een rol spelen bij het beproeven van een schikking tussen partijen’, maar:
‘Omdat bemoeienis van de onderzoeker met schikkingsonderhandelingen tussen partijen afbreuk kan doen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de onderzoeker, houdt de onderzoeker beide rollen voldoende duidelijk gescheiden. Voordat de onderzoeker een schikking beproeft, bespreekt hij met partijen de consequenties daarvan voor het (verdere) verloop van het onderzoek en legt hij de daarover gemaakte afspraken (bijvoorbeeld over de in dat verband te maken kosten en de vraag of informatie die partijen uitsluitend in het kader van de schikkingsonderhandelingen met de onderzoeker delen voor het onderzoek gebruikt kan worden) schriftelijk vast.’8
In de Leidraad lijkt de Ondernemingskamer overigens tot uitdrukking te hebben gebracht dat het primair aan een aangestelde OK-functionaris is een schikking te beproeven.9
Worden geen OK-functionarissen benoemd,10 dan formuleert de Ondernemingskamer bij de onderzoeksopdracht soms uitdrukkelijk de bevoegdheid van de onderzoeker om te bemiddelen, door bijvoorbeeld te bepalen dat het de onderzoeker is toegestaan te bezien of een minnelijke regeling kan worden bereikt.11 Soms doet de Ondernemingskamer dan ook suggesties waaruit die minnelijke regeling zou moeten bestaan.12
Mijns inziens moet de onderzoeker zich niet inlaten met bemiddeling. De taak van de onderzoeker en de bemiddelaar laten zich mijns inziens lastig verenigen in één persoon. De positie van de bemiddelaar is een andere dan de positie van de onderzoeker: de onderzoeker heeft de leiding over het onderzoek en daarmee de macht over partijen, waar de bemiddelaar enkel bemiddelt en geen macht heeft over partijen, maar hoogstens af en toe de sturing in handen neemt.13 Treedt de onderzoeker op als bemiddelaar, dan kunnen ook vragen over zijn onbevooroordeeldheid rijzen, indien schikkingsonderhandelingen niet slagen en de onderzoeker het onderzoek voortzet.14 Zijn oordeel kan dan immers worden gekleurd door de opstelling van partijen in de schikkingsonderhandelingen.15 Bovendien kan de onderzoeker zelf standpunten hebben ingenomen als bemiddelaar die zijn onafhankelijkheid in gevaar kunnen brengen.16 De Ondernemingskamer moet de onderzoeker in een dergelijk geval ontheffen van zijn taak.17
Bepaling 3.7 van de Leidraad laat het aan de onderzoeker te bezien of zijn rol in de schikkingsonderhandelingen en de in dat kader gemaakte afspraken afbreuk doen aan zijn positie als onderzoeker, indien geen schikking wordt bereikt. De onderzoeker informeert partijen daarover schriftelijk. Menen partijen dat de rol van de onderzoeker in de schikkingsonderhandelingen wezenlijk afbreuk doet aan zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid, dan kunnen zij – zo zou ik willen aannemen – binnen één week na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving van de onderzoeker, gemotiveerd vervanging van de onderzoeker verzoeken, conform bepaling 1.3 van de Leidraad.18