Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.2.2
8.2.2 De balans
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180244:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Roermond 25 april 1996, r.o. 4.2.2, ECLI:NL:RBROE:1996:AG2914, JOR 1996/81.
Hoge Raad 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993, 713, m.nt. J.M.M. Maeijer (Brens q.q./Sarper).
Gerechtshof Arnhem 22 juni 2010, r.o. 8, ECLI:NL:GHARN:2010:BO1928, JOR 2010/261, m.nt. C.M. Harmsen, Rechtbank Breda 31 maart 2004, r.o. 3.8, ECLI:NL:RBBRE:2004:AO9883, JOR 2004/130, Rechtbank Dordrecht 16 mei 2007, r.o. 31, ECLI:NL:RBDOR:2007:BA5273, JOR 2007/173, m.nt. C.J. Groffen en Rechtbank Arnhem 21 maart 2012, r.o. 4.9-4.11, ECLI:NL:RBARN:2012:BW0636.
Artikel 2:203a BW is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 299) per 1 oktober 2012 (Stb. 2012, 301).
Vergelijk het huidige artikel 2:93a BW voor de naamloze vennootschap.
Hoge Raad 24 maart 2000, r.o. 3.3, ECLI:NL:HR:2000:AA5258, NJ 2000, 354, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2000/81, m.nt. C.J. Groffen (Wachtkamer Televisie).
C.J. Groffen, ‘Stortingsperikelen’, JOR Plus, Den Haag: SDU 2003, p. 3 e.v., C.M. Harmsen, ‘Volstorting bij oprichting en schending van de administratieplicht’, TvI 2008/2.
Omdat het begrip vermogenstoestand feitelijk geen andere betekenis heeft gekregen dan die in 1922, kan hieruit maar één conclusie worden getrokken. De tot het vermogen van de rechtspersoon behorende vermogensbestanddelen – zowel qua activa als qua passiva, alsmede de daarin plaatsvindende veranderingen – behoren tot de vermogenstoestand als bedoeld in artikel 2:10 BW. Daarmee vallen in elk geval alle balansposten onder het begrip vermogenstoestand van de rechtspersoon.
Onjuist is dan ook de overweging van de Rechtbank Roermond dat uit artikel 2:10 BW niet kan worden afgeleid dat de administratieplicht zo ver gaat dat inzicht moet worden verschaft in de schulden en bezittingen.1 Ter onderbouwing voert de rechtbank aan dat in artikel 2:10 BW wordt gesproken over rechten en verplichtingen en – met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad inzake Brens q.q./Sarper2 – dat dat veeleer duidt op het verschaffen van inzicht in debiteuren- en crediteurenposities. Ook afgezien van het feit dat uit het arrest van de Hoge Raad inzake Brens q.q./Sarper niet kan worden afgeleid dat aan de administratieplicht is voldaan wanneer inzicht wordt verschaft in de crediteuren- en debiteurenposities (en de stand van de liquiditeiten), miskent de Rechtbank Roermond hier niet alleen de parlementaire geschiedenis bij artikel 2:10 BW waaruit blijkt dat het bij de vermogenstoestand gaat om alle vermogensbestanddelen, maar ook dat de crediteuren behoren tot de schulden en de debiteuren tot de bezittingen van een vennootschap.
In het kader van de administratie van het eigen vermogen bij de besloten vennootschap, is een aantal uitspraken gepubliceerd waarin werd geoordeeld dat niet aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW was voldaan.3 In alle gevallen was sprake van een kasrondje in de periode van voor de inwerkingtreding van de zogenoemde Flex-B.V. op 1 oktober 2012 toen artikel 2:203a BW nog van toepassing was op de besloten vennootschap.4 Het doel van artikel 2:203a BW was zeker te stellen dat het te storten (minimum-)kapitaal hetzij terstond na oprichting hetzij op een ander moment (maximaal vijf maanden voorafgaand aan de oprichting) daadwerkelijk ter beschikking stond van de besloten vennootschap.5 Bij een kasrondje werd het door de aandeelhouder op de aandelen gestorte bedrag direct weer terugbetaald aan de aandeelhouder en dit leidde in een aantal uitspraken tot de vaststelling dat van een rechtsgeldige storting op de aandelen geen sprake was.6 In een aantal procedures hebben curatoren van gefailleerde besloten vennootschappen de bestuurders met succes aansprakelijk gesteld. De stelling was dat als gevolg van het uitvoeren van een kasrondje niet werkelijk aan de stortingsplicht was voldaan terwijl dit wel als zodanig in de jaarrekening was verantwoord. Als gevolg daarvan konden de rechten en verplichtingen van de besloten vennootschap niet te allen tijde worden gekend. Als gevolg van het kasrondje voldeed de administratie niet aan het bepaalde in artikel 2:10 BW.
Niet bij elk van deze uitspraken is overigens even duidelijk waarom de achteraf als niet-rechtsgeldig beoordeelde volstorting van de aandelen ook als een schending van de administratieplicht heeft te gelden.7 Wanneer het ten titel van volstorting op de aandelen gestorte bedrag na terugbetaling aan de aandeelhouder als een lening aan de aandeelhouder zou zijn geadministreerd, zou hooguit geconstateerd kunnen worden dat het ten titel van storting op de aandelen aan de vennootschap overgemaakte bedrag ten onrechte was geadministreerd als gestort kapitaal omdat achteraf wordt geoordeeld dat geen sprake was van een daadwerkelijke storting op de aandelen. Uit deze uitspraken over de schending van de administratieplicht in het geval van een kasrondje blijkt in elk geval dat daarin werd geoordeeld dat ook het eigen vermogen deel uitmaakt van de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 2:10 BW.