Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.4.a
6.3.4.a Wordingsgeschiedenis
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465271:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Ricketson & Ginsburg 2006, p. 669 e.v. over de wordingsgeschiedenis van het volgrecht.
Actes BC 1928, p. 349 (Vceu BI).
Zo werd onder meer voorgesteld om het volgrecht op te nemen in een afzonderlijk verdrag over naburige rechten. Zie over dit zogeheten Samaden-project van 1939, Ricketson & Ginsburg 2006, p. 674-675.
Actes BC 1948, p. 364 (voorstel België en Bureau).
Actes BC 1948, p. 363 e.v. (voorstel België en Bureau). Zo stelde Nederland zich op het standpunt dat het volgrecht geen bestanddeel van het auteursrecht is, zodat het geen plaats verdient in de conventie, zie Actes BC 1948, p. 366 (observatie Nederland).
Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PbEG 2001, L 272/32). Zie daarover nader onder meer Katzenberger 2004.
Wet van 9 februari 2006, Stb. 2006, 60 (inwerkingtredingsbesluit in Stb. 2006, 151).
886. Voor Brusselse conferentie 1948. De derde materiële-reciprociteitsuitzondering op het Berner non-discriminatiebeginsel betreft het volgrecht (`droit de suite'). Dit is kort gezegd het onvervreemdbare recht van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk of manuscript om, na de eerste overdracht, te delen in de opbrengst van elke volgende verkoop van het werk. Het recht is ontstaan vanuit de gedachte dat beeldende kunstenaars — in tegenstelling tot schrijvers — minder mogelijkheden hebben om te delen in het latere succes van hun werk.1 De kunstenaar die als jong en onbekend talent zijn schilderij voor een appel en een ei heeft verkocht, moet machteloos toezien hoe anderen er later winst mee maken. Ook op dit punt nam Frankrijk het voortouw; in 1920 erkende het bij wet het volgrecht. Een gering aantal landen volgde in die tijd. De Berner Conventie werd met het volgrecht geconfronteerd tijdens de Romeinse conferentie van 1928, maar deze conferentie kwam niet verder dan het uitspreken van de wens dat de Unielanden de mogelijkheid van invoering in overweging nemen.2 Nadien werd in verschillende richtingen geijverd voor erkenning van het volgrecht: bijvoorbeeld als bestanddeel van het auteursrecht of als naburig recht.3
887. Brusselse conferentie 1948. Tijdens de Brusselse conferentie van 1948 stelden gastland België en het Bureau van de Berner Unie de zaak op scherp. Hun voorstel omvatte erkenning van het volgrecht als ius conventionis in de conventie (lid 1) en een voorbehoud voor de Unielanden terzake van de wijze van inning en de hoogte der bedragen (lid 2).4 Het voorstel stuitte op veel weerstand.5 Uiteindelijk werd een compromis bereikt in de vorm van artikel 14bis, waarbij de tekst van het Belgische voorstel grotendeels werd overgenomen, met tussenvoeging van de compromisregeling in een nieuw tweede lid. Dit Brusselse artikel 14bis is ongewijzigd overgenomen in de Stockholmse en Parijse versie van de conventie als artikel 14ter.
888. Nederland. Nederland heeft het volgrecht nooit willen erkennen, maar is uiteindelijk door een Europese Richtlijn — te weten Richtlijn 2001/84/EG — gedwongen een volgrecht te implementeren.6 Hiertoe is de Auteurswet met ingang van 1 april 2006 aangepast.7